Houtzaagmolens praktijkhandboek/Hout
Hout: het groene goud
[bewerken]Hout is sinds mensenheugenis een onmisbare grondstof. Hout werd en wordt gebruikt als constructiemateriaal.
Hout heeft als voordeel dat het naast drukspanningen ook trekspanningen, en daarmee buigingen, kan opnemen.
Steen daarentegen mag alleen op druk belast worden. Hout is beschikbaar in redelijk grote afmetingen.
De duurzaamheid is, in tegenstelling tot die van steen, echter gering.
Gedurende vele eeuwen is hout gebruikt als brandstof.
Vanaf ca. 1650 werd die rol in de Lage Landen overgenomen door turf.
Grote delen van Europa bleven echter nog lange tijd afhankelijk van hout als bron van energie. Pas vanaf ca. 1850 kon steenkool daar hout als brandstof vervangen.
Hout werd bij voorkeur uit de directe omgeving betrokken.
Het laat zich namelijk lastig vervoeren. Voor de korte afstand konden paard en wagen gebruikt worden.
Voor de langere afstanden moest gebruik gemaakt worden van waterwegen.
Wanneer hout op een verantwoorde wijze uit een bos geoogst wordt, dan is een bos een vrijwel onuitputtelijke bron van hout.
In oude oorkonden zijn tal van voorbeelden te vinden waarin de houtkap gelimiteerd wordt.
Met die beperkingen moest soms de hand worden gelicht, wanneer er b.v. door schade door brand of oorlogshandelingen, voor herstelwerkzaamheden ineens veel constructiehout nodig kon zijn.
Bij een toenemende bevolking ontstaat er een toenemende vraag naar hout en daardoor een toenemende druk op het bos om meer te oogsten dan verantwoord is.
Voor boseigenaren kan de verleiding dan groot worden om het bos te gelde te maken.
Dat gebeurde dan ook.
Rond 1640 was in onze omgeving het hout zo goed als op.
Vrijwel al het bos was door roofbouw verwoest.
In de Lage Landen was de vraag naar hout enorm.
Gedurende de Gouden Eeuw was Holland de scheepswerf van Europa. Daarnaast was er veel hout nodig voor stedelijke uitbreidingen.
Ter illustratie: onder het paleis op de Dam (te Amsterdam) zit aan funderingshout zo 'n 30 tot 40 ha. bos.
Wanneer er in de directe regio geen hout meer aanwezig is, zal er hout aangevoerd moeten worden uit gebieden met een houtoverschot.
Dordrecht heeft in de 14e eeuw een houtmarkt waar o.m. hout afkomstig van de benenloop van de Rijn verhandeld wordt.
Op de Deventer houtmarkt wordt hout uit Westfalen verhandeld.
Andere plaatsen met een houtmarkt in de 14e en 15e eeuw zijn Hasselt, Kampen, Zwolle en Zutphen. Eikenhout afkomstig uit het Munsterland wordt in Wezel (vlak over de huidige grens met Duitsland) verhandeld.
In de 15e eeuw komt de invoer van hout uit Noorwegen op gang en wordt de Republiek de belangrijkste afnemer van Noors hout.
Aan die positie komt een einde wanneer de Engelsen die rol overnemen.
Adriaan van Bommenee geeft de reden daarvan aan:
'In den jaare van 1600 en in de taghtig hebben de Engelsen sterk gaan vaaren op Noorweegen en aldaar beginnen weg te halen het beste Noortse houdt, omdat sij daar meerder geld voor gaaven als de Neederlanders, soodat men alhier maar weynig goet houdt meer uyt Noorweegen na die tijd hebben kunnen bekoomen, als dat seer jonk was en met veel spint was beset.'
Wat van Bommenee niet vermeldt is dat de Deense koning, die dan ook koning van Noorwegen is, een einde wenste te maken aan de verkoop van hout in de vorm van onbewerkt rondhout.
De bouw van watergedreven zaagmolens wordt door hem gestimuleerd en de verkoop van rondhout is aan beperkingen onderhevig. Het gezaagde hout wordt vooral aan de Engelsen verkocht.
De Hollanders hebben voornamelijk belangstelling voor rondhout en richten zich op het Baltisch gebied.
Belangrijke steden waar hout uit deze Oostzee- gebieden vandaan kwam waren Stettin, Danzig, Memel en Riga.
De import uit Zweden en Rusland was beperkt Beiden landen voerden een restrictief beleid bij de uitvoer van hout.
Militaire en politieke redenen speelden daarbij een rol. Zo mocht het Russische eikenhout uitsluitend voor de eigen oorlogsvloot gebruikt worden.
Veel Zweeds hout was bestemd voor de ijzersmelterijen.
In de loop van de 17e eeuw vindt er een verschuiving plaats van import van hout uit Noorwegen en de Oostzee-gebieden ten gunste van het Rijnse hout.
Na de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) komt dat gebied in rustiger vaarwater en neemt de aanvoer van hout over de Rijn toe.
Van houttransport op de Rijn, is al sprake sinds de Romeinse tijd. De eerste schriftelijke bron, in de vorm van een vlotterijverdrag, dateert uit 1342. Een andere schriftelijke bron maakt in 1372 melding van een watergedreven zaagmolen in het Enztal.
Een telling, vele jaren later in 1624, komt op 187 zaagmolens in het hertogdom Württemberg.
Als Hollandse houthandelaren stroomopwaarts de Rijn opgaan op zoek naar hout, is er aan de midden- en bovenloop van de Rijn al een structuur aanwezig van hout oogsten, verwerken (zagen) en vervoeren.
De komst van de kapitaalkrachtige Hollanders brengt wel veranderingen met zich mee.
Nieuwe bossen in het noordelijke Zwarte Woud, moeten worden ontsloten om aan de vraag naar 'Hôllanderholz' te kunnen voldoen. Want de Hollanders willen veel hout, van grote afmetingen (ca. 70 voet lengte) en van goede kwaliteit.
Boseigenaren moeten investeren in 'waterstraten' om het hout bij bevlotbare rivieren te krijgen.
In de 18e eeuw komen, de tot de verbeelding sprekende zgn. 'Kapitalflosse' de Rijn afzakken.
Duitse groothandelaren in hout, meestal verenigd in compagnieën, kopen hout afkomstig uit het noordelijke Zwarte Woud. In vooral Mannheim worden uit het aangekochte hout de reuzenvlotten samengesteld.
Zo'n vlot, met de afmeting van omstreeks 3 voetbalvelden en drie lagen dik, kon in 30 dagen door zo'n 400 bemanningsleden van Mannheim naar Dordrecht gebracht worden.
De waarde van een zo'n vlot bevond zich tussen de 350.000 en 500.000 gulden.
Daarvan ging ca. 120.000 gulden zitten in transportkosten.
Waarvan dan (globaal) de ene helft (60.000 gulden) op ging aan de 28 tollen die gepasseerd moesten worden en de andere helft aan beloning en verzorging van de bemanning.
De (groot-) handel in Rijns hout was vooral in Duitse handen.
Alleen in de beginperiode waren Hollandse houthandelaren actief betrokken bij deze handel. Na aankomst in Dordrecht wordt het meeste hout geveild door Nederlandse makelaars.
Ook wordt er wel hout onderhands verkocht.
Bij het veilen van hout heeft de verkoper geen zekerheid over de prijs die hij voor het hout krijgt.
Hij loopt dus risico. Een manier om dat risico te beperken is kartelvorming. Van Bommenee schrijft daarover:
Over 40 à 50 jaaren plaght men het goede en blanke waageschot pas half soo veel geldt te koopen als nu, omdat in 't jaar 1723 een vlot met waageschotte blokken is van boven den Reijn afgekoomen dat vandenandere scheyde en daar wel den helft van weghgeraakte. En als het overgebleevene verkogt werdt, doen booden de waageschotsaagers soodaanig teegensdeandere aan, soodat de Duytse moffen doen sooveel geldt maakte van dat gedeelte als voormaals van een geheel vlot, soodat sij na dien tijd met geen swaare vlotten meer sijn afgekoomen als voor dien tijd.' Uit 1786 stamt een kartelverdrag tussen 'Rheinischer Holzhandler' die voor 'gemeinschaftl [iche] Rechnung' werken. Daaruit: 'da die Umstande des Handels überhaupt, besonders aber der Holzverkauf in Holland unumganglich erfordert, unsere Vereinigung geheim zu halten, wenigstens nicht ruchbar werden zulassen, dass wir auch bey dem Verkauf in Holland vereiniget seyn, so verbinden wir uns.
De houthandel met Noorwegen kende een andere opzet.
Daar werden voor een vastgestelde periode, een vooraf bepaald hoeveelheid en een vaste prijs afgesproken.
De boseigenaar en de houtkoper wisten beiden waar ze aan toe waren.
Van de houtexport naar Nederland zijn geen statistieken bijgehouden.
De bosbouwhistoricus Jaap Buis komt voor de laatste jaren van de Republiek tot een schatting van de volgende hoeveelheden:
Rijns hout (bovenloop): ca 150.000 m³,
uit de Oostzeelanden: tussen de ca. 100.000 en 120.000 m³
en uit Noorwegen: tussen de ca. 69.000 en 83.000 m³.
De aanduiding 'Holland' zou van 'Houtland' afgeleid kunnen zijn.
Meestal wordt daarbij gedacht aan de bossen die, in vroeger tijden gestaan, in onze omgeving gestaan zouden hebben.
Beter zou het zijn om dan te denken aan de grote hoeveelheden hout die in de Lage Landen verhandeld en verwerkt zijn.