Houtzaagmolens praktijkhandboek/Het gaande werk
Het Zaagraam
[bewerken]



Bezoekers denken vaak dat de molen het zagen doet, maar dat is niet zo, het zaagraam
doet het werk.
Dat klinkt flauw, maar de zaagslag zelf wordt door het zaagraam uitgevoerd. De molen tilt het raam op, verzet de zaagslee
en bekrachtigt de winderij
.
Het zaagraam zakt door zijn eigen gewicht door de balk, soms geholpen door een bak met ballast onderaan het raam, die ballast wordt ook gebruikt om alle zaagramen even zwaar te maken waardoor de krukas en dus de molen gelijkmatiger belast wordt.
Dat betekent dat de wuifelaars alleen op trek belast worden en dus aan de bovenkant slijten en gesmeerd
moeten worden.
En het kantelblok/draaihoofd dus ook aan de bovenkant, de enige manier om hier vet
in te krijgen is door het zaagraam met een dommekracht
op te tillen, zodat de speling eruit is. Dan kun je er goed vet in persen.
Wij gebruiken hiervoor een kitspuit gevuld met zachte reuzel.
Theoretisch is het volgens mij mogelijk om de wuifelaars en kantelblok te vervangen door een staalkabel of ketting, dat dat niet gebeurt komt omdat een zaagraam zo nu en dan toch een extra zetje kan gebruiken
De krukaspollen worden voornamelijk op druk belast en moet dus aan de onderkant gesmeerd worden. Vetpotjes zitten dus onder of in het neergaande deel van de lager.
De krukaskrukken worden aan de bovenkant van de wuifelaars gesmeerd.
Een zaagraam bestaat uit twee raamstijlen, met van onderen naar boven gezien het onderspanhoofd, het bovenspanhoofd, het raamkalf en het reeds genoemde kantelblok/draaihoofd.
De functie van het kalf is om te voorkomen dat het zaagraam, als dat zwaar belast wordt uitbuigt en daardoor het kantelblok/draaihoofd vastklemt.
Het onder- en bovenspanhoofd bestaan beide uit twee delen, die met diepe kepen tussen de raamstijlen zijn bevestigd, vaak met nog stalen strippen voor de stevigheid waar de sleutels drukken.
Ertussenin zit een spouw van ca. 2 cm breed, waarin men onderdelen van de zaagbladen steekt.
In de onderste spouw de kluften of de sleutels, voorzien van dwarsstukken die men onder het onderspanhoofd vasthaakt.
In de bovenste spouw de hengsels of spansleutels, met bovenaan een spijloog, dat boven het spanhoofd uitsteekt en waardoorheen men een spanspijl/wig steekt.
Daarmee slaat men elke zaag onder grote spanning vast. Waarna spansleutels nog door middel van een exentriek strakker gezet kunnen worden. Animatie
Ook daarom zijn de zaagramen zwaar uitgevoerd (ze wegen 1,5 à 2 ton). Ze hangen aan de krukas, het gewicht veroorzaakt zoals gezegd de zaagbeweging.
Er zijn ook zaagramen van staal.
Tussen de zagen steekt men spanhoutjes. Deze bepalen de dikte van het te zagen hout. Op elke zaagmolen ligt een groot aantal van deze houtjes in de klossenbak, op handelsmaat gesorteerd. (vaak ook niet...)
Tussen het kantelblok/draaihoofd en het raamkalf en bij het onderspanhoofd zijn er in totaal 12 strijkplaten in de raamstijlen aangebracht, te weten voor, achter en langs de zijkant.
Deze strijkplaten glijden langs verstelbare pokhouten
neuten, die in de vloerbalken van de zaagvloer en de raamzolder zijn gevat.
Deze strijkplaten de geleiden de zaagramen.
De Pendelslag
[bewerken]Om te kunnen zagen moeten de zaagtanden een zekere snelheid hebben. Dat geldt voor een gewone handzaag immers ook.
Probeer je met een handzaag heel langzaam te zagen, dan zal dat niet lukken. Voor de zagerij in onze molen geldt hetzelfde.
We hebben al aangegeven dat de er alleen wordt gezaagd op het moment dat het zaagraam naar beneden gaat.
De neerwaartse beweging begint vanuit stilstand, neemt in snelheid toe en eindigt ook weer in stilstand om direct weer door te gaan in de beweging naar boven.
Dit betekent dat er voor gezorgd moet worden dat de tanden van de zaag alleen in het hout “bijten” als de zaagtand genoeg snelheid heeft.
Het zaagraam beschikt daarvoor over strijkplaten. De strijkplaten die aan de voor en achterkant van het zaagraam zitten zorgen dat het zaagraam op het moment dat er genoeg neerwaartse snelheid is naar voren wordt geduwd. De zaagtanden beginnen dan te zagen.
Bij het afnemen van de neerwaartse snelheid (aan het einde van de slag) wordt het zaagraam naar achteren geduwd.
De zaagtanden komen los van het hout en het zaagsel kan worden gelost. Animatie
Het Krabbelwerk
[bewerken]
Het zaagraam in een zaagmolen is stationair, dat wil zeggen de zagen blijven op hun plek, en gaan alleen op-en-neer.
Om te kunnen zagen zal dus de boom verplaatst moeten worden.
Hiervoor beschikt een houtzaagmolen over een krabbelwerk.
Het krabbelwerk zorgt de aanvoer van het te zagen hout.
Het systeem werk als volgt;
Met de op-en-neergaande beweging van het zaagraam wordt de krabbelstok (kan ook een ketting zijn) op een neer bewogen, daardoor wordt de krabbelarm in beweging gebracht.
Door deze beweging grijpt de pal in het krabbelrad, waardoor deze één of meerdere tanden (afhankelijk van de afstelling) vooruit wordt getrokken.
Dit gebeurt op het moment dat het zaagraam naar boven beweegt.
Het krabbelrad is via de krabbelas verbonden met een klein rondsel.
Dit rondsel grijpt in de tandheugel op de zaagslee.
Een tandheugel is een getande staaf ijzer een soort recht tandwiel.
Het draaien van het rondsel schuift de tandheugel en daarmee de zaagslee naar voren.
Het te zagen hout is vastgezet op de zaagslede en schuift dus mee naar voren.
Terwijl het zaagraam weer naar beneden beweegt wordt het hout gezaagd.
Dus: Het hout wordt aangevoerd terwijl het zaagraam naar boven gaat.
Het zagen gebeurt bij de beweging naar beneden.
Animatie
De Krukas en de Wuifelaars
[bewerken]
De krukas ligt op de krukzolder, heeft drie krukken en noemt men derhalve drieslagskrukas.
- (De Eenhoorn) heeft als uitzondering vier krukken.
- (de Salamander) heeft twee krukken.
De krukas is gelagerd in vijf verticaal geplaatste houten lagerblokken, de krukpollen, die op de krukzolder staan. Met behulp van wiggen en de van lagers voorziene metaalhouten, stelt men de krukas zuiver af in lijn.
Tussen de vijf lageringen bevinden zich de drie krukken of bochten. Aan de krukken zijn de wuifelaars gehangen en gelagerd. Ze verbinden de krukas met de zaagramen en zetten daarmee de rondgaande beweging om in een op- en neergaande beweging. Onderaan zijn de drie wuifelaars verbonden met de zaagramen via een dwarsverbinding, het draaihoofd, dat de heen en weer gaande beweging van de wuifelaars volgt.
- (het Jonge Schaap) heeft een deelbare krukas
- (de Ster) heeft drie krukken, maar slechts 2 zaagramen, de derde kruk wordt belast met een pompraam, dat alleen zorgt voor het tegengewicht.
Tot aan het eind van de zestiende eeuw, toen houtzaagmolens tot ontwikkeling kwamen, was de houtzagerij een kwestie van handwerk.
Uiteraard was het een hard en eentonig werk, dat altijd met twee man moest gebeuren. Het zagen gebeurde met een z.g. raamzaag.
Deze zagen er, zij het in grotere vorm, ongeveer uit als de spanzaag van tegenwoordig.
Meestal gebeurde dit op de plaats waar het hout nodig was, bijvoorbeeld op scheepswerven of de bouwplaats van een huis. De te zagen stam werd veelal geheel of gedeeltelijk gekantrecht, dat wil zeggen, min of meer vierkant geslagen met een bijl of een dissel (soort bijl, waarbij de scherpe kant overdwars staat). De balk werd dan op een zaagstelling of boven een kuil gerold, waarna de zaagsnede werd afgetekend en het zagen kon beginnen. De meester ging dan boven op de stam staan, wat het beste plekje was. De knecht stond beneden en als de wind ongunstig was kreeg die het zaagsel over zich. Ook moest hij steeds omhoog kijken. Een stuk zeildoek zorgde voor bescherming bij felle zonneschijn of als regen en wind tegengehouden moesten worden.
In sommige plaatsen maakten de houtzagers al vroeg deel uit van een gilde.
In Utrecht bijvoorbeeld behoorden ze tot het verzamelgilde van de Bijlhouwers, waarin allerlei mannen, die zich op de een of andere wijze beroepsmatig met houtbewerking bezig hielden, verenigd waren.
Al in de 13e eeuw was de krukas bedacht, maar 6 december 1593 kreeg Cornelis Corneliszoon uit Uitgeest een octrooi op "Een Besonder Creckwerk" waarbij een krukas in een molen werd toegepast om te zagen.
De eerste molen die met behulp van windkracht kon zagen werd door Cornelis in 1592 gebouwd in Uitgeest.
In 1593 ontving hij octrooi op de zagende molen en bouwde hij een
tweede experimentele molen op een vlot.
Dit was geen succes en de vlotmolen werd verkocht naar Zaandam alwaar ze in 1596 op het land werd geplaatst en zo de basis vormde voor
de latere paltrok houtzaagmolens.
Meestal waren de molenzagerijen maar kleine bedrijfjes, waar zo'n twee tot vier mensen werk vonden.
Daarmee was definitief de 17e "gouden eeuw" begonnen, een ware industriële revolutie.
Toen molens het zaagwerk konden overnemen kwam er genoeg hout beschikbaar voor schepen, meer molens en huizen.
De massale werkloosheid onder handzagers is door de geweldige economische groei teniet gedaan, die konden als timmerlui aan de gang.
In het midden van de vorige eeuw verdienden de knechts bij de Amsterdamse molens ongeveer vijf tot zes en een halve gulden per week met daarenboven vrij wonen en brandstof (houtafval).
De Winderij
[bewerken]Met behulp van de winderij worden de stammen uit het balkengat getrokken en op de slede geplaatst. Voor elk zaagraam is een "haalwerk" aangebracht. Het haalwerk wordt aangedreven met behulp van de beweging van het zaagraam. Als het zaagraam naar boven beweegt wordt door middel van een balk die op het zaagraam rust een haalarm aangetrokken. Deze arm grijpt in de tanden van het tandwiel wat aan de windas van het haalwerk is bevestigd. Het geheel van windassen, haalarmen etc noemen we de winderij. Om te voorkomen dat de windas terugloopt op het moment dat het zaagraam weer naar beneden gaat, is ook een teruglooppal aangebracht. Het haalwerk wordt bediend met behulp van twee stuurtouwen.
Om de boomstammen uit het water te halen, de zaagsleden te verplaatsen en om de zaagsleden zelf terug te slepen zijn er winderijen op of onder de raamzolder geplaatst. De winderij werkt op dezelfde wijze als het krabbelwerk en wordt eveneens door de zaagramen aangedreven. De krabbelaar heet hier haalder en het krabbelrad is een kleinere tandkrans, die op een trommel is bevestigd. De pal heet hier keerhouder. Om de trommels zijn zware touwen of staalkabels gewikkeld, waarvan de einden zijn voorzien van een stevige haak.
Om de windtrommels voor de zaagsleden ligt een zwaar touw met een enkele volle slag, de remtouwen. Het is hiermede mogelijk de trommels bij het neerleggen van de stam op de zaagslede enigszins af te remmen.
- (FRAM, d'Heesterboom) hebben geen "remtouw" maar "melken" met de haler en de pal, door om en om te lichten wordt de stam gecontroleerd tand voor tand naar beneden gebracht.
- (Twickeler Houtzaagmolen) heeft dubbelwerk op de winderij, de haler en de pal bewegen beide heen en weer.
- (Bolwerksmolen) heeft de winderijen met een band aangedreven , een soort schuif koppeling schakelt de winderij in of uit.
De Jijntakel
[bewerken]Bij paltrokken komt de helling niet tot het water, daarom hebben zij een hijskraantje dat wordt aangedreven met de winderij.
Strikt genomen is een Jijn een ander woord voor takel (een samenstel van touwen en katrollen/blokken)
De Zaagslede
[bewerken]Om een boom door de zaagramen te voeren legt men deze op een zwaar raamwerk, de zaagslee. Deze schuift over in de zaag vloer bevestigde hard houten neuten. Een zaag slee bestaat uit twee lange balken, de leiers, aan de
uiteinden met elkaar verbonden door de sleehoofden. De sleden zijn even breed als de zaagramen, waarbij een leier binnen, en de andere buiten het zaagraam ligt. Boven de laatste ligt een derde balk, het pollenstuk. Hierop staan de pollen.
In de pollen zijn tien tot twaalf in drie rijen geplaatste gaten geboord. De molenaar legt nu op de leiers losse dwarsbalken, schotels geheten en daarop plaatst hij de te zagen boom of balk. Vervolgens steekt hij boven de boom balkijzers in de gaten van de pollen. Deze balkijzers zet hij vast met een wurgtouw en een wurghout. Daarmee klemt hij de boom vast. Met wiggen, geslagen tussen de boom en de schotels, verankert hij de boom stevig. Om dan nog eventueel verschuiven of rollen te voorkomen kan de molenaar kramijzers slaan op de boomstam en in de op de lier en pollenstuk aangebrachte kramplaten.
De zaagslede is dus een belangrijk onderdeel van een houtzaagmolen. De zaagslede is het transportmiddel voor de stammen en balken die we zagen. Op de Fram beschikken we over drie zaagramen elk zaagraam heeft immers een eigen aanvoer nodig. De zaagslede is eigenlijk niet veel meer dan een nogal langwerpig raamwerk. Het bestaat uit twee evenwijdig aan elkaar gelegen balken. Deze balken zijn aan elkaar verbonden door de sledehoofden. Op de zaagslede zijn over de hele lengte van de slede de zogenaamde zaagpollen geplaatst. Met behulp van deze zaagpollen worden de stammen vastgelegd op de zaagslede. In elk van de 'liggers' van de zaagslede is aan de onderkant over de hele lengte een gleuf aangebracht. Deze gleuf valt over een aantal neuten die op de zaagvloer zijn aangebracht. De zaagslede. kan daardoor alleen naar voren of naar achteren bewegen. Een zijwaarste beweging is onmogelijk. De zaagslede wordt in de richting van het zaagraam verplaatst door het krabbelwerk. Het krabbelwerk zorgt ervoor dat een klein rondsel het tandheugel in beweging brengt die in de zaagslede is aangebracht.
- (d'Heesterboom)
- -zaagslede: naar uitvoering liggen 1 of twee van de leijers binnen het raam. Meestal ligt de vaste leijer (die met de pollen) binnen het raam.
- -balkijzers, ook hangbomen geheten.
- -kramijzer, mastkram of kram ook geheten.(kan ook op de kop of zij van de pol vastgezet worden)
- -wurghout ook knevelhout of wartelhout geheten.
- -steunbord : aan inloopkant staat bij ons 1 of twee stutten. Pas bij het afzagen komt het steunbord naar beneden (hangt aan de kant waar de gezaagde delen uit het zaagraam komen, en is breder om alle losse delen op te vangen), en wordt zo ver mogelijk voorwaarts op de te schulpen delen geplaatst.
Vervolgens wordt deze geborgd tegen omhoog komen door een wig in het draaihoofd te slaan. (het loshalen van de wig door het steunbord zijdelings te bewegen). - Het verhaal hoe een stam op de slee te leggen wil ik niet te diep op ingaan. Hierover verschillen de meningen nogal in den lande. 's lands wijs, 's lands eer zullen we maar zeggen. Op d'Heesterboom ligt een stam meestal op 2 a drie schotels, met 2 a drie hangbomen. (de derde alleen indien het geheel onrustig ligt). De middelste wordt meestal minder zwaar vastgezet (geen wartelhoutje, of losser, de wig op de schotel minder vast geslagen) etc.
- Elders in den lande ziet men soms dat iedere pol een hangboom heeft, en zo mogelijk een dito aantal schotels.
Het Schulpraam
[bewerken]Bij het schulpen ligt het pakket planken niet op een zaagslede, maar schuift over op de zaagvloer aangebraehte klossen, voorzien van leidzame wiggen: de schulpvloer. Het verlengde voorsleehoofd, dat voorzien is van 1 of 2 ijzeren proken of kopmessen, drukt de planken door het schulpraam.
Om opwippen van de planken tegen te gaan staan er steunborden op, een stevige plank, met aan de onderzijde een dwarshout. Het steunbord, voor en/of achter het zaagraam, steekt door een geleider op een bintbalk en is vastgezet met een wig. Het steunbord schuift met de zaagrichting mee en springt vanzelf terug door de toenemende buigspanning.