Wikijunior:Natuurkunde/Licht
Uit Wikibooks
Gezocht: Wikibookianen die een beroep hebben waar natuurkunde bij gebruikt wordt en die in het hoofdstuk "Einde" heel kort iets willen vertellen over hun beroep.
|
|
|
Inhoud |
[bewerken] Inleiding: Werken met licht
Met licht kun je van alles doen, als je maar de juiste hulpmiddelen hebt. Lampen, camera's, spiegels, projectoren, glasvezelkabels en zonneweringen laten het licht doen wat jij wilt.
[bewerken] Wat is licht?
Licht heb je nodig om te kunnen zien. Als er geen licht is kun je ook niet zien. Het licht om je heen komt in je ogen, wordt dan omgezet in signalen en naar de hersenen geleid die er dan een beeld van maakt.
Licht wordt gemaakt door een lichtbron. Dat kan een gloeilamp zijn, maar het kan ook de zon zijn. In beide gevallen wordt licht gemaakt door atomen, die veel energie bevatten. Als ze die energie afgeven, doen ze dat door licht uit te stralen.
- De zon bestaat uit gassen en heeft een heel hoge temperatuur, doordat er veel energie vrijkomt bij de reactie van deze gassen in de zon.
- Een gloeilamp geeft licht doordat het draadje ervan heet wordt, wanneer er een elektrische stroom doorheen gaat.
- Ook een meteoor, die door de dampkring vliegt, wordt heel erg heet door de wrijving met de lucht. De hete steen gaat dan licht uitstralen. Je ziet dan een lichtflits, een vallende ster, totdat de komeet geheel uit elkaar is gevallen.
- Bij de bliksem gebeurt net weer iets anders. De grote stroom die loopt tussen de wolken en de aarde maakt het luchtkanaal heel erg heet, waardoor het licht uitstraalt.
Je kunt vast andere lichtbronnen bedenken. Hoe zit het met een kaarsvlam? Soms zijn er echter lichtbronnen die niet heet zijn, een tl-buis bijvoorbeeld, of een tv. Daar komt het licht door fluorescentie, doordat elektronen tegen de kleurstofjes in het scherm aanvliegen.
Het licht beweegt zich in alle richtingen van de lichtbron af. Je kunt dat laten zien door lichtstralen te tekenen. Die geven aan welke weg het licht volgt. Ze zijn altijd recht. Dat moet ook, want licht beweegt ook langs rechte lijnen.
De meeste voorwerpen geven geen licht. Je kunt ze alleen zien als er licht op schijnt. Bijvoorbeeld een foto met handtekening van je idool. Het licht wat erop valt wordt gedeeltelijk geabsorbeerd en gedeeltelijk in alle richtingen teruggekaatst. De foto is een indirecte lichtbron, want je ziet de foto alleen als het teruggekaatste licht rechtstreeks je ogen bereikt.
In de natuurkunde gedraagt licht zich soms als een golf, net als een steen die je in het water gooit; Het licht kan dan om een obstakel heen buigen. Soms gedraagt het licht zich als deeltjes, het kan ergens tegenaan kaatsen, tegen een spiegel bijvoorbeeld.
Maar hoe ontstaat licht?
Licht is eigenlijk een merkwaardig verschijnsel. Wat is het precies voor iets? Sommige mensen denken dat het golven zijn, zoals geluid[1]. Er zijn ook mensen die denken dat het deeltjes zijn, zoals een zandstorm, mar dan met heel kleine korreltjes. Maar waar bestaat het uit?
Alle materie om ons heen bestaat uit atomen. Atomen zijn de allerkleinste materiedeeltjes die er bestaan. Maar een atoom is wel weer opgebouwd uit nog kleinere deeltjes. Zo'n atoom ziet eruit als een minimin zonnestelsel, met een kern als zon en elektronen die eromheen bewegen als planeten. Je kunt de beweging van die elektronen op verschillende manieren verstoren, onder andere door het atoom te verhitten. De elektronen gaan dan in grotere banen om de kern heen cirkelen. Ze raken opgewonden. Maar ze 'willen' weer terug naar hun oude baan. En dan... op het moment dat ze zich terugbewegen, geven ze een lichtflits af. Dat noem je foton.
Niet duidelijk? Nou, misschien begrijp je dit beter. Stel je voor, je vecht met je vriend. Je schopt hem. Daardoor wordt hij opgewonden. De reactie blijft niet uit. (AUW!) Maar hij is in dit voorbeeld geen mens, maar een atoom! En die geeft dan een flits, een foton dus.
Een ander voorbeeld: je stuurt elektriciteit door een broodrooster. De atomen raken opgewonden en de elektronen gaan vanuit hun baan weer in hun baan. Daar komt hun lichtflits bij vrij. En als je dan in het broodrooster kijkt, zie je dat de draadjes gaan gloeien. Tadaaaa! Licht.
[bewerken] Lichtbronnen
Lichtbronnen zijn dingen die licht afgeven. Er zijn kunstmatige lichtbronnen, die door mensen zijn gemaakt. Voorbeelden zijn een fietslampje en kerstlichtjes.
Er zijn ook natuurlijke lichtbronnen. Die zijn niet door mensen gemaakt. Voorbeelden zijn een bliksemflits en de zon. Die laatste is de beste lichtbron die de mens kent.
[bewerken] Zien
Als overdag de zon schijnt, kun je de omgeving goed zien. Dat komt doordat alle voorwerpen door de zon worden verlicht en de lichtstralen naar jouw ogen worden gekaatst. 's Nachts zijn er wel sterren, maar die geven op aarde veel minder licht dan de zon. En je kunt dan ook minder goed zien als het zwaarbewolkt is!
[bewerken] Gezichtsveld
[bewerken] Doorzichtig?
[bewerken] Wat is je gezichtsveld?
Je gezichtsveld is alles wat je kunt zien. In het vorige tussenkopje is verteld dat je alleen door doorzichtige stoffen heen kunt kijken. Stoffen waar je niet door kunt kijken, maken je gezichtsveld kleiner, want zo zie je minder.
[bewerken] Je gezichtsveld vergroten
Je kunt je gezichtsveld ook vergroten door een spiegel te gebruiken. Dan kun je achter je kijken zonder je hoofd te draaien, maar daarbij wordt je gezichtsveld weer verkleind, doordat je niet achter de spiegel kunt kijken.
Stel, er vliegt een vlieg door je huis. Je pakt de vliegenmepper en wil hem neerslaan. Dat gaat niet zo makkelijk, want hij kan gedeeltelijk achter zich kijken. Daardoor kan hij de slag zien aankomen en op tijd ontsnappen.
[bewerken] Je gezichtsveld verkleinen
Als je bijvoorbeeld naar een muur kijkt, zie je alleen maar de muur. Achter de muur kun je niks zien. Je zegt dat je gezichtsveld wordt verkleind. Dat geldt niet als je naar een raam kijkt. De ruit is namelijk doorzichtig en je kunt zien wat erachter gebeurt. Dan wordt je gezichtsveld dus niet verkleind.
[bewerken] Kleur
[bewerken] Absorberen, weerkaatsen en doorlaten
Als er licht op iets valt, kunnen er verschillende dingen gebeuren met het licht. Het kan worden geabsorbeerd, worden weerkaatst of worden doorgelaten.
- zwart absorbeert het licht
- wit kaatst het licht diffuus terug
- spiegels kaatsen licht spiegelend terug
- ruiten laten licht door
Maar er gebeurt in werkelijk niks voor 100% met het licht. Bijvoorbeeld bij zwart wordt het licht niet voor 100% geabsorbeerd. Er wordt een heel klein beetje teruggekaatst. En ruiten laten een heel groot deel door, maar kaatsen ook een klein beetje terug en absorberen ook een klein beetje.
[bewerken] Het spectrum
Doorzichtige voorwerpen laten licht niet alleen door, maar kunnen het licht van richting laten veranderen. Het licht wordt gebroken. De verschillende kleuren licht worden niet allemaal even sterk gebroken. Rood wordt het minst gebroken, violet (paars) het sterkst.
Wit licht kan worden gebroken door een prisma, maar ook door bijvoorbeeld water. Achter het prisma is een reeks van zeven kleuren te zien:
- Rood
- Oranje
- Geel
- Groen
- Blauw
- Indigo
- Violet
Deze kleuren worden een spectrum genoemd. Deze kleuren heten spectraalkleuren.
'Wit' licht kun je dus splitsen in verschillende kleuren. Maar het kan ook omgekeerd, als je de kleuren weer bij elkaar voegt, krijg je weer 'wit' licht. Wit is dus een mengsel van al die verschillende kleuren.
[bewerken] De regenboog
Je hebt vast weleens een regenboog gezien. Dan kijk je in de richting van de regen. Soms zie je zelfs een tweede, die je in de richting van de zon ziet.
Het is een natuurlijk verschijnsel. ‘s Nachts is er nooit een regenboog, uiteraard omdat er dan geen zon is.
Maar hoe werkt dit? Zoals er al eerder verteld is, bestaat wit licht uit alle kleuren van de regenboog. Dat zie je normaal gesproken niet, maar het is er toch. Maar... als het licht in aanraking komt met water, wordt het gebroken. Dat heb je gezien in het proefje, maar het gebeurt ook als het regent. Als licht gebroken wordt, dan betekent dat het van richting verandert. Alle kleuren worden op een andere manier gebroken. Daardoor krijg je alle kleuren ook apart te zien. Dus de volgorde in een regenboog is ook altijd hetzelfde.
We gaan nu een proef doen waarin we zelf een regenboog gaan namaken.
[bewerken] De zonsondergang
Misschien heb je op een avond weleens lekker op het strand gezeten. Dan zie je een prachtige zonsondergang. Langzaam maar zeker zie je de zon dan in de zee zinken. Maar waarom is die zonsondergang nou toch rood?
Als je weet hoe een regenboog ontstaat, (heb je net kunnen lezen) snap je dit vast wel. Normaal gaat het licht van de zon (wat uit allerlei kleuren bestaat) in één rechte lijn naar je oog, dat zie je dan als wit. Maar toch wordt er een klein beetje licht afgebogen, je zegt dat het wordt "verstrooid". Om de aarde zit namelijk een dampkring met stofjes die sommige kleuren licht meer afbuigen dan andere kleuren. Blauw wordt als eerste afgebogen. Daarom zie je meestal een blauwe hemel. Maar nu de zonsondergang. Als de zon laag aan de hemel staat, moet het licht door een veel dikkere laag van de dampkring heen. Daardoor wordt er nog meer licht verstrooid, niet alleen blauw, maar ook allerlei andere kleuren. De enige kleur die door die dikke laag heenkan, is rood. Daarom is de zonsondergang rood.
We gaan nu een proef doen waarin we zelf een zonsondergang gaan namaken.
[bewerken] Kleurfilters
Halogeenlampen geven 'wit' licht. Om het licht een bepaalde kleur te geven, gebruikt men kleurfilters. Dit is een vel dun plastic wat voor de lamp wordt gedaan. Dit filter laat sommige spiraalkleuren beter door dan andere spiraalkleuren. Het doorgelaten licht komt op het podium terecht en 'kleurt' alles wat erop staat.
Er zijn heel veel verschillende soorten kleurfilters. Hiernaast staan drie voorbeelden van kleurfilters. De hoeveelheid doorgelaten licht is nooit 100%. Het zit tussen de 0 en de 90%.
Meestal merk je niet dat een kleurfilter meer kleuren doorlaat. Meestal zie je er maar één. Bij de filters hiernaast zijn die mengkleuren 'helder rood' en 'helder blauw'. Maar als je het gekleurde licht door een spectroscoop bekijkt, zie je dat er verschillende spectraalkleuren in zitten.
[bewerken] Kleuren op een tv-scherm
Zet je tv aan en zoek een testbeeld. Zoek een witte plek en kijk door een vergrootglas. De plek bestaat uit rood, groen en blauw. Daaruit worden alle kleuren van het tv-beeld opgebouwd. De gele kleur bestaat voornamelijk uit rood en groen.
[bewerken] Kleuren zien
Als je naar een rode trui kijkt in een kamer met wit licht, zie je dat de trui toch alleen de kleur rood afgeeft. De andere kleuren worden opgenomen door de trui en alleen rood wordt teruggekaatst.
[bewerken] Onzichtbaar licht
[bewerken] Infrarood
Infrarood licht zou je een soort licht kunnen noemen. Mensen kunnen dit niet zien. Maar er zijn dieren die dat wel kunnen. Infrarode straling is een bestanddeel van het zonlicht. Er bestaan ook speciale infraroodlampen die een klein beetje rood licht uitzenden en een heleboel infraroodstraling.
In het spectrum van IR-lampen vind je de infrarood naast het rood. De straling kun je niet zien, maar wel bijvoorbeeld fotograferen met speciale camera's.
Alle voorwerpen stralen warmte uit. Ook deze warmte is een vorm van IR-straling. Hoe hoger de temperatuur, hoe meer IR-straling.
Er zijn infraroodsensoren die infraroodstraling waar kunnen nemen. Die worden bijvoorbeeld gebruikt in automatische buitenlampen en inbraakalarmsystemen. Als iemand in de buurt van zo'n sensor komt, 'ziet' de sensor de IR-straling. IR-straling wordt ook gebruikt in afstandsbedieningen. Een klein infraroodlampje in de afstandsbediening zendt een signaal uit als je op een knopje drukt. Dit signaal wordt dan opgevangen door een sensor in de televisie.
[bewerken] Ultraviolet
Ultraviolette straling is ook niet zichtbaar, maar er zijn dieren die dit wel kunnen. Filmpjes zijn ook gevoelig voor UV-straling.
UV-straling zit ook in zonlicht. Hoewel je het niet kunt zien, wordt je er bruin van en je kunt er zelfs door verbranden. Zonnebrandcrème heeft een speciaal UV-filter dat de straling voor een deel tegenhoudt. Daarmee kun je voorkomen dat er teveel UV-straling op je huid komt. Zonnebrand is niet alleen vervelend, maar je kunt er ook huidkanker door krijgen.
Er bestaan speciale UV-lampen. Die geven een beetje blauw licht, maar zenden vooral UV-straling uit. Ze worden gebruikt in zonnebanken, vliegenvangers en blacklights.
UV-straling kan stoffen ook laten oplichten, je laat het fluoresceren. Fluorescerende stoffen worden gebruikt in kleding, tl-buizen, maar... ook in bankbiljetten. Onder UV-lampen licht de fluorescerende inkt direct op, een vervalsing doet dat niet.
Als je licht van een UV-lamp op een prisma laat vallen, kun je een spectrum verwachten. Je vindt in dat spectrum de UV-straling naast het violet (daarom heet het 'ultraviolet'). Je kunt dat laten zien door het spectrum op een fluorescerend scherm te laten vallen. Waar de UV-straling terecht komt, licht het scherm op.
[bewerken] Witmakers
Misschien heb je een t-shirt die ooit wit was, maar nu geel is. Dat is waarschijnlijk een oud t-shirt. Als zo'n kledingsstuk ouder wordt vergeelt het. Dat komt doordat het textiel blauw licht gaat absorberen. Maar omdat blauw licht ontbreekt in het teruggekaatste licht, ziet het kledingsstuk geel.
Om het blauwe licht te kunnen vervangen, worden er witmakers aan wasmiddelen toegevoegd. Dit zijn fluorescerende verfstoffen. Ze nemen ultraviolet licht op en zenden in plaats daarvan blauw licht uit. Daardoor merk je niet dat je kleding aan het vergelen is. De witmakers zorgen ervoor dat je witte kledingstukken er in zonlicht 100% wit uitzien. Tegenwoordig is iedereen daar zo aan gewend, dat alle witte kleren tegenwoordig worden behandeld met witmakers.
[bewerken] Radiogolen en gammastraling
Het elektromagnetische spectrum is de verzameling van alle elektromagnetische golven, gerangschikt naar hun golflengten. Het wordt meestal in een aantal gebieden verdeeld: radiogolven, infrarode straling, zichtbaar licht, ultraviolette straling, de röntgenstraling en de gammastraling. Toepassingen van de diverse stralingen zijn:
- Radiogolven: FM/TV, radar
- Infrarood: strijkijzers, radiatoren
- Röntgenstraling: medisch en industrieel röntgenonderzoek
- Gammmastraling: kern- en kosmische straling
[bewerken] Schaduw
Stel je voor, de zon schijnt en je speelt buiten. Dan zie je op de grond een of meer schaduwen. Die ontstaan doordat er op de plek van de schaduw geen zonlicht kan komen. Het object dat de schaduw veroorzaakt bevindt zich dan tussen de zon en de grond, het licht van de zon kan niet door het object heen en dus krijg je een schaduw.
[bewerken] Kern- en halfschaduw
De donkerste schaduw is de kernschaduw. Links en rechts van de kernschaduw is nog een lichtere schaduw zichtbaar, de zogenaamde halfschaduw. De zon (of een ander lichtbron) is namelijk geen punt zonder oppervlakte. Als je in de kernschaduw staat, kan je de zon in het geheel niet zien. Als je in de halfschaduw staat, kan je wel de zon zien; echter niet de hele zon, maar slechts een klein deel van de zon. Als je de hele zon kan zien, dan ben je niet meer in de schaduw van dat object.
[bewerken] Spiegels
Er is al eerder verteld dat als je een spiegel gebruikt, dit dan je gezichtsveld vergroot.
[bewerken] Weerkaatsing
Als je in de spiegel kijkt kun je jezelf zien, dat betekent dat licht in de spiegel moet worden weerkaatst. In de natuurkunde heet dit spiegelende reflectie. Reflectie betekent niets anders dan “weerkaatsing”. Bij spiegelende reflectie wordt het licht een kant op gekaatst, in een rechte bundel. Het tegenovergestelde daarvan is diffuse reflectie. Bij diffuse reflectie wordt het licht overal heen gekaatst en wordt de lichtbundel opgedeeld in kleine lichtstralen. Diffuse reflectie gebeurt op alle voorwerpen, behalve op glimmende of spiegelende voorwerpen.
[bewerken] Spiegelwet
Spiegels zijn speciaal gemaakt om licht terug te kaatsen. Spiegelend. Ze worden gemaakt door een dun laagje metaal op het glas aan te bregen. Dat kaatst ongeveer 80% van het licht terug.
In het plaatje hiernaast zie je hoe spiegels smalle lichtbundels weerkaatsen. Op de plaats waar de lichtbundel de spiegel raakt hebben we een lijn getekend die loodrecht op de spiegel staat. Die lijn noemen we de normaal. Verder zijn ook de hoek van inval (i) en de hoek van terugkaatsing (t) gegeven.
Dit wordt de spiegelwet genoemd. Dankzij de spiegelwet kun je tekenen hoe een lichtbundel wordt teruggekaatst door een vlakke spiegel.
[bewerken] Spiegelbeelden zien
Achter een spiegel lijkt een beeld te zijn van je eigen wereld. Vanaf elk punt van het voorwerp valt er licht op de spiegel. De spiegel kaatst dit licht terug, waardoor het spiegelbeeld van achter e spiegel lijkt te komen.
Spiegelbeelden worden virtuele beelden genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat het beeld niet echt is. Het lijkt zo, maar het is er echt niet. Je ogen houden je voor de gek.
[bewerken] Lenzen
[bewerken] Positieve en negatieve lenzen
Als je aan lenzen denkt, denk je al gauw aan contactlenzen. Maar lenzen kun je in allerlei dingen tegenkomen, zoals fototoestellen. Wist je trouwens dat brillenglazen ook lenzen zijn?
Er zijn twee soorten lenzen: positieve en negatieve. Je kunt deze twee soorten lenzen makkelijk uit elkaar houden, want positieve lenzen zijn in het midden dikker dan aan de rand en negatieve zijn in het midden dunner dan aan de rand.
[bewerken] Divergent en convergent
Als je een gloeilamp aanzet, verspreidt het licht zich en wordt het steeds zwakker. Dat noem je divergent licht. Bij divergent licht bewegen de lichtstralen uit elkaar. Dat gebeurt bij een negatieve lens.
Bij een positieve lens bewegen de lichtstralen zich naar één punt toe. Dat is een convergente lichtbundel. Hoe sterker de lens, hoe sterker de lichtstralen zich naar één punt toe bewegen.
Maar soms is een positieve lens te zwak om de lichtstralen naar elkaar toe te bewegen. Na de lens divergeert het licht nog steeds. Het is wel minder dan voor de lens, maar toch heb je een sterkere lens nodig om het licht te laten convergeren.
In de afbeeldingen rechts zie je hoe lichtstralen zich voortbewegen als ze door een positieve of een negatieve lens gaan. De rode lijnen stellen de lichtstralen voor. Je ziet, bij positieve lenzen bewegen de lichtstralen naar elkaar toe, bij een negatieve lens bewegen ze juist van elkaar af.
[bewerken] De brandpuntsafstand
De lichtstralen van de zon lopen ongeveer evenwijdig. Dat komt door de grote afstand tussen de zon en de aarde (150 miljoen kilometer). Met een positieve lens kun je het licht in één punt concentreren. Dan gebruik je de lens als brandglas.
Die techniek kan gebruikt worden om vuur te maken. De lens wordt loodrecht op het zonlicht gehouden. Dan lopen de lichtstralen evenwijdig met de hoofdas voordat ze op de lens vallen. Het punt waar de lichtstralen bij elkaar komen, heet het brandpunt. In het brandpunt kan de temperatuur heel hoog worden, zodat je een stukje hout of wat droge hooi, zo kan ontsteken. Pas op: doe je dit op je huid, dan verbrand je jouw huid.
De afstand tussen het midden van de lens en het brandpunt noemt men de brandpuntsafstand. Dat is een belangrijke eigenschap van een lens: hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe sterker de lens (en hoe boller de lens).
[bewerken] Vuurtorens
In vuurtorens worden ook positieve lenzen gebruikt. Dat wordt gedaan om het licht van de lamp te bundelen. Die lens wordt niet uit één stuk glas geslepen, maar ze zijn opgebouwd uit ringen van glas. Elke ring is een stukje positieve lens. Zo'n lens noem je een freesneller.
[bewerken] Het fototoestel
[bewerken] Beelden maken
Positieve lenzen kun je gebruiken om ‘beelden te maken’. Op een scherm achter de lens is dan een plaatje te zien van de wereld voor de lens. Dat noem je een beeld.
[bewerken] Foto’s maken
Je kunt met een analoog fototoestel beelden vastleggen. Op de plaats waar het beeld wordt gevormd, bevindt zich een lichtgevoelige film. Die kan het beeld vasthouden dat erop valt.
De sluiter van het fototoestel is meestal gesloten. Dan valt er geen licht op de film. Alleen als je op de ontspanknop drukt, gaat de sluiter héél even open. In die korte tijd wordt er een beeld vastgelegd op de film. Zo’n beeld is niet groot, een normale kleinbeeldcamera maakt beelden van 36 bij 24 mm...
Na het nemen van een foto wordt de film doorgedraaid. Dan krijg je een nieuw stukje film achter de lens, die je weer kan belichten
Als de film vol is, moet hij worden ontwikkeld. Op de ontwikkelde film zie je negatieven staan. Dat zijn de beelden die je met het fototoestel hebt vastgelegd. Een foto is een afdruk van een negatief.
[bewerken] Scherpstellen
De film moet zich precies op de plaats vinden waar de lichtstralen bij elkaar komen. Dan wordt elk punt van het voorwerp ook een punt op het beeld. Dat noem je een scherp beeld.
Maar... als de film NIET precies op de juiste plaats ziet, zie je vage lichtvlekken. Dat is onscherp beeld.
Je moet er dus voor zorgen dat de afstand tussen de lens en de film goed is. Dat doe je met de standaard-instellingsring. Daarmee kun je de lens van de film af of naar de film toe bewegen.
Sommige fototoestellen stellen automatisch scherp. Dan zorgt een toestel er zelf voor dat de afstand tussen de lens en de film goed is.
[bewerken] Het diafragma
Vlak achter de lens van een fototoestel zit een diafragma. Dat is een opening die je kunt verstellen met een ring. Op de ring staan getallen. Een klein getal hoort bij een grote opening, een grote bij een kleine opening. Met het diafragma kun je de hoeveelheid licht regelen die op de film valt. Als er te weinig licht is, kun je het diafragma verder opendraaien, bij teveel licht, kun je hem verder dichtdraaien. Bij moderne camera’s gebeurt dit automatisch.
[bewerken] Het maken van lenzen
Om lenzen te maken, gebruikt men optisch glas. Dit soort glas is heel schoon. Eerst wordt het oppervlak in de juiste vorm geslepen, dan wordt de lens gepolijst, zodat het oppervlak glad wordt. Fototoestellen, maar ook verrekijkers hebben vaak een lens die samengesteld is. Dit soort lens is opgebouwd uit meer lenzen die van verschillende soorten glas zijn gemaakt. Dit heeft voordelen. Zo kun je voorkomen dat de lens het licht splitst in de spectraalkleuren.
[bewerken] Het vergrotingsapparaat
[bewerken] Negatief en positief
Als je filmpje vol is, laat je hem ontwikkelen. Dan krijg je een serie negatieven. Bij negatieven zijn licht en donker omgedraaid. Licht is dan donker geworden en donker licht.
Bij het afdrukken gebeurt het omgekeerde: wat donker is op een negatief, wordt op een foto licht. En wat licht is op een negatief, wordt op een foto donker. De foto is positief.
[bewerken] Afdrukken
Met een vergrotingsapparaat kun je een negatief groot afdrukken. Dat moet je in een donkere kamer doen. Dan wordt het negatief op speciaal lichtgevoelig papier afgedrukt.
Eerst moet je een fotopapier verlichten. Een lamp verlicht het negatief dat in de kop van het vergrotingsapparaat zit. De lens maakt een beeld van het negatief op het fotopapier.
Daarna wordt het fotopapier in drie schalen gelegd, eerst in een schaal ontwikkelaar, daarna in een ‘stopbad’ en in de derde schaal zit fixeervloeistof. Na het derde bad is de afdruk lichtbestendig geworden en kan hij tegen licht. Je hoeft hem nu alleen nog maar met lauw water af te spoelen en hem dan te drogen.
[bewerken] Scherpstellen
Met vergrotingsapparaten kun je zelf instellen hoe groot je foto wordt. Op een vergrotingsapparaat zit een kop die je naar boven of naar beneden draait. Hoe verder je de kop naar boven draait, hoe groter de foto wordt.
Je moet ook scherpstellen. Dat doe je met een andere knop. Je draait de lens omhoog of omlaag, totdat het beeld scherp is. Licht uit één punt van het negatief moet weer in één punt samenkomen.
[bewerken] Vergrotingen
[bewerken] De projector
In projectoren worden positieve lenzen gebruikt. Eigenlijk is een vergrotingapparaat ook een soort projector. De lens in de projector beeldt op een scherm een voorwerp af. Bij een vergrotingsapparaat is het een negatief en bij een diaprojector een dia.
De lens van een projector doet hetzelfde als de lens van een camera. Lichtstralen uit één punt van het voorwerp worden door de lens naar één punt toe gebroken. Het scherm moet precies op de plaats staan waar de lichtstralen bij elkaar komen, anders krijg je een onscherp beeld.
[bewerken] Zien
[bewerken] Ogen
Als er licht op je oog komt, passeert het op volgorde:
- het hoornvlies
- voorste oogkamer
- pupil
- ooglens
- glasachtig lichaam
- netvlies
Het netvlies heeft een groot aantal lichtgevoelige zintuigcellen. Als er licht opkomt, geven ze elektrische signalen af, die door de oogzenuw aan de hersenen worden doorgegeven. Pas als die de signalen ontvangen, kun je iets zien.
[bewerken] Hoe werkt je oog?
Het licht dat in je oog terechtkomt, wordt eerst een paar keer gebroken, eerst door je hoornvlies, daarna door de ooglens en ten derde door het glasachtig lichaam. Die combinatie heeft dezelfde werking als een positieve lens. Het licht wordt zo gebroken, dat er op het netvlies een scherp beeld opstaat.
[bewerken] Accommoderen
Rond je ooglens ligt een kring van spiertjes. Die kunnen de ooglens platter en boller maken. Dat noem je accommoderen. Als je je ooglens boller maakt, wordt hij sterker. Maak je hem platter, wordt hij zwakker.
Stel, je staat op een berg en heel in de verte zie je een kasteel. Als je naar dat kasteel kijkt, is je ooglens plat. Het licht wat in je oog valt divergeert nauwelijks. Daarom hoeft de lens niet sterk te zijn om het voorwerp scherp af te beelden.
Als je naar iets kijkt wat dichtbij is, is je ooglens een stuk boller. Het licht wat in je oog valt, divergeert flink. Je moet een sterke lens in je oog hebben om een scherp beeld op het netvlies te vormen.
[bewerken] Brillen
Soms ben je bijziend. Dan zijn je ooglenzen te sterk gekromd. Voorwerpen die ver weg zijn, kun je dan niet goed zien. De ooglens vormt het beeld van het voorwerp niet op, maar voor het netvlies. Iemand die bijziend is, heeft een bril met negatieve lenzen nodig. Dan wordt het licht minder sterk gebroken.
Je kunt ook verziend zijn. Dan zijn je ooglenzen te zwak gekromd. Voorwerpen die dichtbij zijn, kun je dan niet goed zien. De ooglens breekt het licht niet genoeg om een scherp beeld te laten ontstaan. Iemand die verziend is, heeft een bril met positieve glazen nodig, zodat het licht sterker wordt gebroken.
Ten derde kun je oudziend worden. Dan worden ooglenzen minder veerkrachtig. Dan kunnen je ogen niet meer zo goed accomoderen. Daardoor krijg je moeite met lezen. Uiteindelijk hebben ze een bril nodig met positieve glazen. Dat noem je een leesbril. Daardoor kun je lezen en precieze klusjes uitvoeren. Mensen die alleen oudziend zijn, hebben genoeg aan een leesbril.
Maar mensen die zowel oudziend als bij- of verziend zijn, hebben eigenlijk twee brillen nodig. Een gewone bril en een extra sterke leesbril. Ze kunnen ook een bril kopen waarvan de glazen niet overal hetzelfde brandpunt hebben. (jawel, dat kan) Ik zulke brilleglazen zit een speciaal stukje (half maantje) waar je doorheen kijkt als je leest of als je iets precies doet.
[bewerken] Contactlenzen
Je kunt ook contactlenzen dragen in plaats van een bril. Glazen contactlenzen bestaan al ongeveer honderd jaar. In 1938 werden de eerste contactlenzen van plastic gemaakt.
Nu kun je kiezen uit zachte en harde contactlenzen. Een contactlens ligt niet direct op het hoornvlies, maar drijft op het traanvocht. Daardoor kan het traanvocht tussen lens een hoornvlies regelmatig ververst worden. Dat is nodig, anders raakt je hoornvlies beschadigd.
[bewerken] Oogchirurgie
Soms raakt er bij iemand het netvlies los van het vaatvlies. Hierdoor kun je veel minder zien. Oogchirurgen kunnen het vaatvlies weer vastmaken. Dan blijft de schade beperkt. Dit gebeurt met een laser die een sterk geconcentreerde lichtstraal produceert. De lichtstralen worden door het hoornvlies en de lens gericht op het netvlies. Doordat het zo warm wordt, wordt het netvlies eigenlijk vastgelast aan het vaatvlies.
| Deze pagina is vrijgegeven onder de GNU Free Documentation License (GFDL) en nog niet onder CC-BY-SA. Klik hier voor meer informatie.
Wilt u deze tekst gebruiken onder de Creative Commons CC-BY-SA licentie? |
