Wikijunior:Natuurkunde/Inleiding

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek

Gezocht: Wikibookianen die een beroep hebben waar natuurkunde bij gebruikt wordt en die in het hoofdstuk "Einde" heel kort iets willen vertellen over hun beroep.

Wikijuniors Natuurkunde

Inhoud

[bewerken] Wat is natuurkunde ?

De natuurkunde is onderdeel van de natuurwetenschappen. In de natuurwetenschappen (Engels: science) bestuderen we de verschillende verschijnselen rondom ons. We proberen na te gaan wat een goede verklaring zou zijn voor wat we waarnemen. Zo hopen we grip te krijgen op de wereld om ons heen, zodat we er meer controle over hebben. Zo bestuderen we de werking van ons eigen lichaam en dat van dieren en planten, maar ook de vorming van nieuwe stoffen, zoals klittenband of beton en even goed vreemde verschijnselen in onze omgeving, zoals bliksems, aardbevingen...

De natuurkunde is binnen de natuurwetenschappen het vak dat alles bestudeert dat de anderen niet bestuderen, dus dan is het verstandig eerst te beschrijven wat de andere vakken bestuderen. Daarom leggen we eerst uit wat scheikunde en biologie is, zo weet je wat geen natuurkunde is.

[bewerken] Biologie

De biologie bestudeert de levende natuur. Bomen horen niet bij de natuurkunde, wel bij biologie, omdat alles wat leeft groeit en voedsel nodig heeft een "levend" verschijnsel is. Ook de mens behoort tot de groep 'biologie', net zoals alle dieren en planten.

[bewerken] Scheikunde

Scheikunde bestudeert eigenschappen van stoffen en daarbij met name het ontstaan van nieuwe stoffen uit andere stoffen. Het maken van een plastic is een voorbeeld van scheikunde aangezien plastics zijn gemaakt van aardolie. Aardolie en plastic zijn niet meer dezelfde stof. Het verbranden van een kaars is ook een voorbeeld van een scheikundig proces, waarbij kaarsvet door verbranding wordt omgezet in gassen. De scheikunde heet ook wel chemie.

Het verteren van voedsel in je lichaam is een ook voorbeeld van scheikunde. Wat erin gaat bestaat uit andere stoffen dan wat eruit komt. Tegelijkertijd is dat een onderdeel van de biologie. Hiermee willen we zeggen dat het onderscheid tussen de verschillende vakken niet altijd even helder is. Er wordt regelmatig gebruik gemaakt van kennis uit het aangrenzende vakgebied.

[bewerken] Natuurkunde

De natuurkunde bestudeert dus al het andere in de natuur: de niet levende verschijnselen die niet te maken hebben met eigenschappen van stoffen. Er blijft nog ruim genoeg over: geluid, licht, krachten en nog veel meer. Een paar vragen die we ons daarbij kunnen stellen zijn: hoe ziet ons heelal eruit, hoe werkt geluid of wat gebeurt er als deeltjes tegen elkaar botsen. Een ander woord voor natuurkunde is fysica.

Er zijn zeker ook raakvlakken met de andere vakgebieden. Zo kun je ook de bloeddruk in een lichaam meten. Dat zegt iets over iemands gezondheid. Het begrip druk is een natuurkundig begrip dat met krachten te maken heeft, maar in de biologie hebben we het ook nodig.

Een ander eenvoudig voorbeeld is het mengen van (weinig) azijn, eigeel en (veel) olie. Als je die stoffen op de juiste manier met elkaar mengt, dan heb je nieuw sausje gemaakt: mayonaise. Je zou dus denken dat zich een nieuwe stof heeft gevormd, maar wie de stoffen goed bestudeert ontdekt dat er feitelijk alleen maar sprake is van een bijzondere vorm van menging. Valt dit nu onder de scheikunde of onder de natuurkunde? Of wat te denken van het oplossen van suiker in water?

[bewerken] Overzicht

Veel verschijnselen die zich voordoen bij het ontstaan van nieuwe stoffen vallen ook onder de scheikunde, want er zijn onvermijdelijk raakvlakken. Vandaar dat we op dat raakvlak van natuurkunde en scheikunde spreken van fysische chemie.

Op het raakvlak van de biologie en natuurkunde vinden we de biofysica. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de werking van spieren en het uithoudingsvermogen. Of bijvoorbeeld aan de werking van het oog en de zenuwcellen.

Op het raakvlak van de scheikunde en de biologie vinden we ten slotte de biochemie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de werking van medicijnen en drugs. Of bijvoorbeeld aan tandbederf en botontkalking.

Science driehoek.png

Eigenlijk is het niet zo belangrijk waar de grenzen liggen. Het geheel valt allemaal onder de natuurwetenschappen. En we streven allemaal hetzelfde doel na: grip te krijgen op de wereld om ons heen. Daarbij proberen we vooral veel van elkaar te leren. De natuurkunde beschouwt alles wat de scheikunde en de biologie niet beschouwt.

[bewerken] Waarneming

Heel belangrijk in de natuurkunde zijn waarnemingen. Dat is wat je ziet, voelt, hoort, ruikt of proeft. Zo kunnen we de verschijnselen vaststellen.
Ieder mens heeft zintuigen waarmee je kan waarnemen. Dat doe je met je ogen, oren, huid, neus en tong.

We gaan nu je eerste proef doen. We doen enkele waarnemingen van natuurkundige verschijnselen.
Een proef doe je om iets te ontdekken en daardoor te leren.

Proef: Verken je zintuigen: het gevoel Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: 3 glazen, 3 ijsblokjes, water uit de kraan, warm water

Zet de glazen voor je neer op tafel. Doe in 1 glas de ijsblokjes en doe daar water uit de kraan in. In het tweede glas doe je alleen water uit de kraan en in de derde warm water waar je nog nét je vingers in kan houden. Hou nu 1 vinger van je linkerhand in het glas met het water met de ijsblokjes, en 1 vinger van je rechterhand in het warme water. Laat ze daar 3 minuten in. Doe ze daarna direct in het kraanwater. En wat voel je? Je vinger die in het water met ijsblokjes zat, voelt nu warm aan en de vinger die in het warme water zat, voelt nu koud aan! Dat klopt dus niet met de werkelijkheid.

Wat heb ik geleerd: Bij elke proef, ook hier, kun je iets leren. Temperatuur kan je waarnemen met de huid. Maar je gevoel is geen goede manier om te meten of de temperatuur hoog of laag (warm of koud) is.


Dit gevoel heb je ook als je reist. Stel, je vriend woont in de woestijn waar het 42 graden is maar hij verhuist naar Nederland. Daar is het op dat moment 20 graden. Voor ons is dat lekker weer, maar hij zal het eerst wel koud vinden!


Nog een proefje. Soms denk je dat je iets ziet, maar is het er niet.

Proef: Verken je zintuigen: het zicht Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: NIKS! Makkelijk, hè?

Bekijk dit plaatje:

Grid illusion.svg

Hoeveel zwarte stipjes verschijnen er in deze afbeelding? Er lijken een heleboel zwarte stipjes te verschijnen, maar ze zijn er niet. We zien die stipjes, omdat de ogen vinden dat er heel veel zwart in het plaatje zit. Daarom denken de ogen soms dat ook de witte plekjes zwart zijn.

Wat heb ik geleerd: Soms neem je iets verkeerd waar. Je ogen (dus je zicht) kunnen je bedriegen. We noemen dat gezichtsbedrog


[bewerken] Meten

In de vorige proefjes kon je al merken dat alleen maar waarnemen niet genoeg is. In proef 1 voelden we dat het tweede glas water met 1 vinger warm lijkt en met de andere koud en toch weten we dat het water in dat glas maar één temperatuur heeft.

Daarom gaan we in de natuurkunde instrumenten gebruiken die ons precies kunnen vertellen hoeveel of hoe hoog of hoe sterk iets is. Het zijn meetinstrumenten.

Er zijn veel dingen die je kunt meten. Zoals: hoeveel cola zit er in een fles? Hoe lang doe je erover om een rondje door de buurt te rennen? Hoe groot ben je? Hoe warm is het buiten? Hoe zwaar ben je?

Nu maken we kennis met het meten. Zonder instrumenten kun je iets niet precies meten. Dan moet je het schatten. Dat is zo goed mogelijk de maat van iets bedenken. Meestal zit er tussen de schatting en de meting een verschil. We gaan nu het beeldscherm van je computer meten. Kun jij een schatting maken van hoe lang hij is en hoe breed? De korte zijde is de breedte, de lange de lengte.

[bewerken] Lengte

Proef: Afstand meten Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: papier, pen/potlood, meetlat, beeldscherm van een computer

Schat de breedte en hoogte van je beeldscherm. Schrijf dit op het papiertje. Neem een meetlat en meet daarmee het beeldscherm van je computer. Meet het nauwkeurig. Vergelijk nu de meting met de schatting. Hoeveel verschil zit ertussen?

Wat heb ik geleerd: Met een meetinstrument kan je nauwkeurig meten. Schatten is niet nauwkeurig. Om de lengte te meten kan je een meetlat gebruiken.


[bewerken] Gewicht

Proef: Gewicht meten Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: weegschaal, voorwerpen

Gok wat het gewicht is van de voorwerpen die je hebt gekozen. Leg die voorwerpen vervolgens op een weegschaal. Hoe zwaar zijn ze echt? Had jij het goed geraden?

Wat heb ik geleerd: Met een weegschaal kan je nagaan hoeveel een voorwerp weegt.


[bewerken] Tijd

Proef: Tijd meten Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: stopwatch, vader of moeder

Geef aan je vader of moeder een stopwatch en ren een rondje door de buurt. Laat je vader of moeder bijhouden hoe lang je erover doet. Hoe lang doe je erover?

Wat heb ik geleerd: Met een stopwatch kan je de tijd meten zodat je precies weet hoe lang iets duurt.


[bewerken] Inhoud

Proef: Inhoud meten Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: maatbeker, 2 glazen water met verschillende vorm

Vul de twee verschillende glazen tot aan de rand met water. Giet het eerste in de maatbeker. Hoeveel water past er in het glas? Maak de maatbeker leeg en giet het tweede glas in de maatbeker. Hoeveel past er in het tweede glas? In welk glas gaat het meeste water?

Wat heb ik geleerd: Inhoud meten kan met een maatbeker. Zo kan je precies meten hoeveel er ingaat.


[bewerken] Temperatuur

Proef: Temperatuur meten Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: thermometer, kraanwater, bakje

Giet wat kraanwater in het bakje en zet de thermometer erin. Hoe warm is het kraanwater als het bij jou uit de kraan komt?

Wat heb ik geleerd: Met een thermometer kan je precies meten hoe warm of koud iets is. Je leest de temperatuur af.


[bewerken] Een kraak als afsluiting

Nu je een eerste kennismaking hebt gehad met natuurkunde, doen we nog een afsluitend proefje waar verschillende natuurkundige verschijnselen bij gebeuren. Het is een leuke proef als afsluiting van de eerste les maar doe hem zeker met minstens een van je ouders erbij.


Proef: Natuurkundige verschijnselen Nuvola apps edu science.png
Benodigdheden: leeg frisdrankblikje, fornuis, kroezentang of barbecuetang, water, bak, ouders
Opgelet: deze proef mag enkel met een volwassene worden uitgevoerd

Meet 6 ml water af in een maatbeker en giet dat in het blikje. Laat je vader of moeder het fornuis aansteken. Grijp met de tang het blikje. Hou hem bij een gasfornuis boven de vlam van het fornuis totdat het water erin kookt (bij een elektrisch fornuis zet je hem erop) en laat ondertussen je ouders de bak vol water gooien. Pas nu goed op en schrik niet. Breng het blikje met de tang boven de bak water. Draai je hand voorzichtig een halve slag, zodat de bovenkant van het blikje naar beneden wijst en hou het onder water. Met een fiks kraakgeluid kraakt het blikje in elkaar.

Wat heb ik geleerd: Het blikje kraakt niet zomaar in elkaar. We hebben een natuurkundig verschijnsel waargenomen. De uitleg ervan kan je hieronder lezen.


Maar hoe werkt dit precies?

Let op: In de uitleg hieronder gebeuren een heleboel dingen uit de natuurkunde tegelijk. Het geeft niets als je niet alles van de uitleg kan volgen. In de volgende lessen zal je alles netjes stap voor stap tegenkomen.

Als je het blikje met water verwarmt, worden de lucht en het water erin warm. De warme lucht en het warme water nemen meer ruimte in dan de koude lucht en het koude water. (Dit gaan we later nog leren).
Omdat de warme stoffen meer ruimte innemen dan de koude, past er minder van in het blikje. Je zou kunnen zeggen dat er minder lucht- en waterdeeltjes in het warmgemaakte blikje zitten, dan erin zaten toen het blikje nog koud was.

Zodra je het blikje omkeert en onder water houdt, gebeurt het volgende:
Doordat je het blikje onder water houdt, kan er geen lucht in het blikje komen. Tegelijkertijd koelt de warmgemaakte lucht in het blikje weer af door het koude water waar je het in houdt. Hierdoor gaat de lucht weer minder ruimte innemen. Er zitten echter minder luchtdeeltjes in het blikje dan eerst. Als die luchtdeeltjes minder ruimte in gaan nemen doordat ze weer afkoelen, betekent dit dat er weer meer lucht in het blikje past. Maar omdat we het onder water houden, kan er geen nieuwe lucht het blikje in stromen.
We zeggen dan met een moeilijk woord dat de luchtdruk in het blikje lager is dan buiten het blikje. (er drukken aan de binnenkant van het blikje minder luchtdeeltjes tegen de randen, dan er vanaf de buitenkant tegenaan drukken).

Doordat aan de buitenkant meer luchtdeeltjes drukken dan aan de binnenkant, wordt het blikje in elkaar gedrukt. Vergelijk het maar met touwtrekken. Als je aan de ene kant 10 mensen hebt staan en aan de andere kant zet je 4 mensen neer die even hard trekken, dan kunnen die 10 mensen natuurlijk veel harder trekken.

Het indrukken van het blikje gebeurt met een mooie, luide kraak.

Gefeliciteerd! Je bent de lessen natuurkunde goed gestart. Begin nu aan één van de andere hoofdstukken!

Heckert GNU.png Deze pagina is vrijgegeven onder de GNU Free Documentation License (GFDL) en nog niet onder CC-BY-SA. Klik hier voor meer informatie.

Wilt u deze tekst gebruiken onder de Creative Commons CC-BY-SA licentie?
Klik dan hier om te kijken van welke gebruikers u nog toestemming nodig heeft.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen