Wikijunior:Engels/Ziek

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek

Antwoorden

Inhoud

[bewerken] Zinnen

Engels Nederlands
  1. I must lie down. I have a terrible headache.
  2. Don't get up. Stay in bed.
  3. Is the elevator going up? No, it's going down.
  4. You must eat more. You're too thin.
  5. He's so hot. He must have a fever.
  6. Her parents aren't rich. They're poor.
  7. She's not old. She's very young.
  8. Peter lost a lot of weight. He is very thin now.
  9. We're going on a sightseeing trip.
  10. Don't touch the fire. You can burn yourself.
  11. He's not nervous. He is very calm.
  12. Take this pill. It's good for your headache.
  13. I have a toothache. I'm going to the dentist.
  14. Does he own a car? No, he doesn't have one.
  15. Do you know the answer? No, I don't.
  16. This chair is too low for me. I need a higher one.
  17. Jill is lonely. She doesn't have many friends.
  18. You seem to like this job better than your other one.
  19. Where is your coat? I left it at school.
  20. I'm so nervous. We have a big test today.
  21. Mrs. Jones is taking her daughter's temperature.
  22. My head hurts. I need a pill for the pain.
  1. Ik moet gaan liggen. Ik heb enorme hoofdpijn.
  2. Sta niet op. Blijf in bed.
  3. Gaat de lift omhoog? Nee, hij gaat omlaag.
  4. Je moet meer eten. Je bent te dun.
  5. Hij is zo warm. Hij moet koorts hebben.
  6. Haar ouders zijn niet rijk. Ze zijn arm.
  7. Ze is niet oud. Ze is erg jong.
  8. Peter heeft veel gewicht verloren. Hij is nu erg dun.
  9. Wij gaan mee met een rondreis voor toeristen.
  10. Raak het vuur niet aan. Je kan jezelf branden.
  11. Hij is niet nerveus. Hij is erg kalm.
  12. Neem deze pil. Hij is goed voor je hoofdpijn.
  13. Ik heb kiespijn. Ik ga naar de tandarts.
  14. Heeft hij een auto? Nee, hij heeft er geen.
  15. Weet je het antwoord? Nee, dat weet ik niet.
  16. Deze stoel is veel te laag voor me. Ik heb een hogere nodig.
  17. Jill is eenzaam. Ze heeft niet veel vrienden.
  18. Je schijnt deze baan beter te vinden dan je andere.
  19. Waar is je jas? Ik heb hem op school laten liggen.
  20. Ik ben zo nerveus. We hebben een grote toets vandaag.
  21. Mevrouw Jones neemt de temperatuur op van haar dochter.
  22. Mijn hoofd doet pijn. Ik heb een pil nodig voor de pijn.

[bewerken] Opdracht 1

[bewerken] Opdracht 1,1

Vertaal deze uitspraken in het Engels.

  • Vertel dat je je jas op school hebt laten liggen.

  • Vertel dat hij erg jong is.

  • Zeg dat de lift omhoog gaat.

  • Vraag of zij een auto heeft.

  • Zeg dat ze eenzaam is.

[bewerken] Opdracht 1,2

Vertaal deze uitspraken in het Nederlands.

  • This table is too low for me. I need a higher one.

  • Don't get up. Stay in bed.

  • Her parents aren't poor. They're rich.

  • He's not young. She's very old.

  • We're going on a sightseeing trip.

[bewerken] Opdracht 2

Moeder: Wake up! It's time to get up!
Jij: Ouch! Ooooh!
Moeder: What's the matter?
Jij: (ik heb een enorme hoofdpijn)

Moeder: (je bent erg warm!) I'll call the doctor!

Ten minutes later...
Dokter: Goodmorning, what seems to be the problem?
Moeder: (hij is zo warm en hij heeft enorme hoofdpijn).

Dokter: Are you nervous?
Jij: (ja, we hebben een grote toets vandaag)

Dokter: (neem deze pil. Hij is goed voor je hoofdpijn) and it will help you to stay calm during that test. I think you should get up and go to school. And don't worry, be happy!

You: Goodbye!
Dokter: Goodbye!

[bewerken] Woordjes

Engels Nederlands
  • ache
  • apologize
  • ____________________________
  • become
  • burn
  • calm
  • cold
  • dentist
  • fall
  • fever
  • get up
  • get well
  • good for
  • improve
  • insurance
  • lie down
  • lonely
  • medicine
  • nervous
  • operate
  • pain
  • ____________________________
  • pill
  • relax
  • seem
  • take
  • temperature
  • tooth
  • touch
  • worry
  • pijn (doen)
  • verontschuldigen
  • in slaap
  • worden
  • branden
  • kalm
  • koud
  • ____________________________
  • vallen
  • koorts
  • opstaan
  • zich herstellen
  • goed voor
  • verbeteren
  • verzekering
  • gaan liggen
  • ____________________________
  • medicijn
  • nerveus
  • opereren
  • pijn
  • patient
  • ____________________________
  • ontspanning/ontspannen
  • lijken
  • nemen
  • temperatuur
  • tand
  • aanraken
  • ongerust maken

[bewerken] Opdracht 3

Maak het bovenstaande schema compleet! Je mag een woordenboek gebruiken.

[bewerken] Opdracht 4

Vul de vergeten woorden in. Kies uit colds, pills, get up, get well, patient, insurance, improving, tired, location en relaxation!

  • Take your medicine, Claude. It will help you ____________________________.
  • But it tastes terrible, dad!
  • Is Sandy's health ____________________________?
  • Yes, she's leaving the hospital tomorrow.
  • What do you do on the weekends for ____________________________?
  • I read a lot and I watch TV.
  • This operation costs thousands of dollars!
  • Don't worry. Your health ____________________________ will pay for it.
  • Did the doctor gave you any medicine?
  • Yes. I have to take two of these ____________________________ every four hours.

[bewerken] Grammatica

Als je in het Engels wil aangeven dat er iets gedaan moet worden, gebruik je het hulpwerkwoord 'should'. Een voorbeeld daarvan is 'You should see a doctor'. Dit betekent dat je naar een dokter zal moeten. Het is dus een goede raad.

Let op: 'should' kan ook gebruikt worden als 'zal/zullen wel'. 'My friend should be here any minute' betekent niet dat je vriend hier dadelijk moet zijn, maar dat hij zodadelijk wel hier zal moeten zijn.

De uitdrukking 'ought to' betekent ongeveer hetzelfde als 'should'. De zin: 'je moest maar een bonnetje vragen' kun je dus ook vertalen met 'You ought to ask for a receipt'.

Als iets echt verplicht of nodig is, gebruik je het werkwoord 'must' en 'have to'. 'Rooms must be vacatated by 11 o'clock' betekent dan ook dat de kamers voor 11 uur ontruimd moeten zijn. En met 'You have to book your tickets early, or they'll be sold out' wordt bedoeld dat je de tickets snel moet reserveren, omdat ze anders uitgekocht zijn.

[bewerken] Opdracht 5

Zet 'should', 'ought to', 'must' of 'have to' op de streep.

  • You ____________________________ call the police.
  • You ____________________________ ask for a bill.
  • You ____________________________ disable the bomb before it explodes.
  • You ____________________________ be at school before half past eight.

[bewerken] Toets

Je kunt nu je eerste toets maken! Hij gaat over de hoofdstukken Je Buurt, Weetjes en Ziek.

Het werkt als volgt: Kopieer de toets in Word, Maak hem in word en download het antwoordenblad en kijk hem zelf na. Als het je niet lukt, vraag dan aan je vader, moeder, juf of meester of hij of zij het wil doen.

Als je wilt, kun je de cijfers op het overleg van deze pagina zetten! Ik weet ze graag, want dan kan ik eens kijken hoe mijn cursus nu voor anderen is!

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen