Wikijunior:Engels/Spreekvaardigheidstoets
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] Straat
In de afgelopen lessen heb je drie spreekvaardigheidsoefeningen gedaan. We gaan nu de toets doen. Net als in de oefeningen krijg je ook hier vier gesprekjes. Vraag je leraar om een cassettebandje, neem een klasgenoot mee neem de vier gesprekken op die hieronder staan.
[bewerken] Gesprekjes
[bewerken] Vakantie nadert
- Don't call me at 6 a.m. tomorrow. (bel me niet om 6 uur morgenochtend)
- Why not? You never wake up on time. (waarom niet? Je wordt nooit op tijd wakker)
- True, but tomorrow you needn't worry. I'll get up on time. (da's waar, maar voor morgen hoef je je geen zorgen te maken. Ik zal op tijd opstaan.
- Are you sure? (ben je daar zeker van?)
- Yes, I'm sure. Tomorrow is the first day of my holiday! (ja, ik ben er zeker van. Morgen is mijn eerste vakantiedag!
[bewerken] Daar is Tom
- Look. There's Tom. (kijk. Daar heb je Tom)
- Why don't you go over and talk to him? (waarom ga je niet naar hem toe om met hem te praten?)
- Do you think I should? (denk je dat ik dat moet doen?)
- If you like him, you really ought to. (als je om hem geeft moet je dat echt doen)
- But what if he doesn't want talk to me? (maar wat als hij niet met me wil praten?)
- Well, you shouldn't worry about that. (nou, ik denk dat je daar geen zorgen over hoeft te maken)
[bewerken] Afspraakje
- Where do you want to have dinner? (waar wil je gaan dineren?)
- Let's go to that new Japanese restaurant on Park Avenue. (laten we naar dat nieuwe Japanse restaurant in Park Avenue gaan)
- Do you want to walk or take a taxi? (wil je gaan lopen of nemen we een taxi?)
- Oh! If it's not far, let's walk. (oh! Als het niet ver is, laten we gaan lopen)
- Would you like to see a movie after we eat? (heb je zin om naar de film te gaan na het eten?)
- Sounds good to me. (dat vind ik een goed idee)
[bewerken] Werk aan de winkel
- Hey, Tom. Where are you going? (hoi Tom. waar ga je heen?)
- I have to take this package to the post office. (ik moet dit pakje naar het postkantoor brengen)
- Can you help me at the cafe tonight? (kun je me vanavond in het café helpen?)
- I can't. I have to work. (nee, ik kan niet. Ik moet werken)
- After 6 o'clock? (na zes uur?)
- I have to work late tonight. (ik moet vanavond tot laat werken)