Wikijunior:Engels/Inleiding

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek

Inhoud

[bewerken] Waarom Engels?

Je kunt Engels leren omdat je vaak naar een plaats op vakantie gaat waar veel Engels gesproken wordt. Dan is Engels een handige taal. Ook kun je de taal leren omdat je beter met computers wilt werken of het leuk vindt om talen te leren. Engels wordt veel gesproken. Veel meer dan bijvoorbeeld Nederlands. Waarom je ook Engels wilt leren, ik wens je veel plezier met de lessen.

[bewerken] Hoe werk je met de lessen Engels?

Om de lessen te kunnen doen, moet je een paar dingen hebben:

  1. Zin
  2. Tijd

Er zijn 27 lessen. Deze lessen zijn ook zo af, dat je ze kunt volgen. Regelmatig is er een toets, waarmee je je kennis kunt testen. Alleen over deze inleiding wordt geen toets gegeven.

[bewerken] Theorielessen

Een theorieles is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  1. Zinnen
     Hierin staan een aantal hele belangrijke veel gebruikte Engelstalige zinnen.
  2. Grammaticablokken
     Het belangrijkste uit de les. Hier staat in wat je van de grammatica moet kennen.
  3. Woorden 
     Een aantal woorden die je moet kennen.
  4. Opdrachten
     Deze kun je gebruiken om te oefenen met de grammatica, woorden en de zinnen.

Nodig:

een printer en een pen

OF

Een computer met een tekstverwerker (zoals Word), waar je de opgaven mee maakt.

[bewerken] Praktijklessen

Na iedere theorietoets krijg je drie praktijklessen. Een keer lezen, een keer schrijven en een keer spreken.

[bewerken] Leesvaardigheid

In de leesvaardigheid lees je drie Engelstalige stukjes en dan beantwoord je er een aantal meerkeuzevragen over. Bij deze lessen mag je een woordenboek gebruiken.

[bewerken] Schrijfvaardigheid

In de schrijfvaardigheid leer je schrijven in het Engels. Je leert hoe je formulieren en cheques moet invullen en hoe je een brief moet schrijven aan je Engelse vrienden. Ook bij deze lessen mag je een woordenboek gebruiken.

[bewerken] Spreekvaardigheid

Hier oefen je met de Engelse uitspraak. Je krijgt vier gesprekjes. Deze opdrachten doe je samen met een klasgenoot. Als je ze af hebt, kan je leerkracht bij de correcties neerzetten waar jullie foutjes maakten.

[bewerken] Succes!

Veel plezier met de cursus Engels!

[bewerken] Wat ga je in deze lessen leren?

Dat ligt aan jou. Je hoeft niet alles te maken. Je kunt altijd stoppen als je denkt: 'Het is genoeg'. Als je alle lessen volgt, kun je er zeker van zijn dat de volgende onderwerpen aan bod komen.

  1. Tijd
  2. Het verzoek
  3. Verplichtingen
  4. Werkwoorden
  5. Ontkenning
  6. Vragende vorm
  7. Tellen
  8. De toekomst
  9. Verleden tijd
  10. Lidwoord en zelfstandig naamwoord

[bewerken] Onderwerp van de inleiding

In deze inleiding worden de beginselen behandeld. Er komt geen toets hierover, maar je moet dit wel kennen.

[bewerken] Zinnen

Engels Nederlands
  1. Hello
  2. I am (...)
  3. What is your name?
  4. Where is...
  5. My name is (...)
  6. What time is it?
  7. I want that, please
  8. How are you?
  9. Good morning
  10. Good day
  11. Good evening
  12. Good night
  13. Good-bye
  14. Please
  15. You are welcome
  16. Thank you
  17. That
  18. How much?
  19. Yes
  20. No
  21. Where is the toilet?
  22. Generic toast
  23. Do you speak Dutch?
  24. I don't understand
  25. I don't speak English
  26. I'm sorry'
  27. Pardon me
  28. I don't know
  29. Best regards
  1. Hoi / Hallo
  2. Ik ben (...)
  3. Hoe heet je? / Hoe heet u?
  4. Waar is...
  5. Ik heet (...)/ Mijn naam is(...)
  6. Hoe laat is het?
  7. Ik wil dat, alstublieft
  8. Hoe gaat het met u/je?
  9. Goedemorgen
  10. Goedendag
  11. Goedenavond
  12. Goedenacht
  13. Dag / Tot ziens
  14. Alstublieft
  15. Graag gedaan
  16. Dank u wel
  17. Dat
  18. Hoeveel?
  19. Ja / Jawel
  20. Nee / Neen
  21. Waar is het toilet?
  22. Proost
  23. Spreekt u Nederlands?
  24. Dat begrijp ik niet
  25. Ik spreek geen Engels
  26. Het spijt me
  27. Neem me niet kwalijk
  28. Dat weet ik niet
  29. Met vriendelijke groet

[bewerken] Grammatica

In de eerste grammatica behandelen we de uitspraak van de letters van het alfabet. De letters van het alfabet spreek je als volgt uit:

A ('ee'), B ('bie'), C ('sie'), D ('die'), E ('ie'), F ('f'), G ('djie'), H ('eetsj'), I ('aai'), J ('djee'), K ('kee'), L ('el'), M ('em'), N ('en'), O ('o'), P ('pie'), Q ('kjuw'), R ('ahr'), S ('s'), T ('tie'), U ('joe'), V ('vie'), W ('dobbel joe'), X ('ex'), Y ('waai'), Z ('zet')

[bewerken] Woordjes

Engels Nederlands
  • black
  • gray
  • silver
  • white
  • red
  • maroon
  • purple
  • fuchsia
  • green
  • lime
  • olive
  • yellow
  • orange
  • blue
  • navy
  • teal
  • aqua
  • brown
  • Monday (dagen schrijf je altijd met hoofdletter)
  • Tuesday
  • Wednesday
  • Thursday
  • Friday
  • Saturday
  • Sunday
  • spring
  • summer
  • autumn
  • winter
  • zwart
  • grijs
  • lichtgrijs
  • wit
  • rood
  • bordeaux
  • paars
  • lila
  • groen
  • lichtgroen
  • olijfgroen
  • geel
  • oranje
  • blauw
  • donkerblauw
  • groenblauw
  • lichtblauw
  • bruin
  • maandag
  • dinsdag
  • woensdag
  • donderdag
  • vrijdag
  • zaterdag
  • zondag
  • lente
  • zomer
  • herfst
  • winter
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen