Wikijunior:De geschiedenis van de Aarde/Onder de aardkorst
Uit Wikibooks
|
|
||||
- 6. aardkorst
- 5. buitenmantel
- 4. overgangszone
- 3. binnenmantel
- 2. buitenkern
- 1. binnenkern
De aardkorst is in het algemeen tussen 8 en 35 km dik. Hij is het dikst onder de continenten, tot zelfs 90 km, dik onder de Himalaya, en het dunst onder de oceanen. De continentale aardkorst bestaat hoofdzakelijk uit mineralen waarin aluminium en siliciumdioxide zitten. De algemene samenstelling ervan lijkt op die van graniet. De oceanische korst bestaat in hoofdzaak uit erbindingen van silicium en magnesium en de samenstelling hiervan is gelijk aan die van basalt.
Onder de aardkorst ligt aardmatel. Op de scheiding tussen korst en mantel ligt de zogenaamde Mohorovičić-discontinuïteit. Deze grenszone is genoemd naar de Kroatische seismoloog Andrija Mohorovičić. (1857-1936)
De aardmantel begint bij de ondergrens van de Mohorovičić-discontinuïteit en is ongeveer 2900 km dik. De dichtheid van het materiaal aan de bovenkant van de mantel is ongeveer 3300 kilogram per kubieke meter. Dieper in de aardmantel neemt de druk steeds verder toe. In de onderste lagen loopt de dichtheid daardoor op tot 5700 kg per kubieke meter. Er is nog nooit in de aardmantel geboord. Toch zijn er wetenschappelijke aanwijzingen dat het bovenste deel ervan gedeeltelijk bestaat uit gesteentevorment olivensilicaat. Men neemt aan dat dit materiaal in de lagere diepten onder grote druk verandert in mineralen als peroskiet en spinel. De aardmantel wordt soms ook wel de peridotietschil genoemd.
Onder de aardmantel ligt een grenszone die de Gutenberg-discontinuïteit wordt genoemd, ter ere van de Duitse seismoloog Beno Gutenberg (1889-1960). Deze zone werd, net als de Mohorovičić-discontinuïteit ontdekt dankzij seismologisch onderzoek. Men tekende de weg die de schokgolen die met aardbevingen gepaard gaan, door de aarde aflegden. Zo ontdekte men dat de golven wanneer ze op bepaalde diepten aankwamen, trillingen terugkaatsten en op onverwachte manieren afbogen. Deze veranderingen in het golvenpatroon duiden erop dat er ongebruikelijke eigenschappen moeten zijn in het materiaal waar de golven doorgheen gaan. De Gutenberg-discontinuïteit geeft de overgang aan tussen het vaste materiaal van de aardmantel en het vloeibare materiaal waaruit de aardkern ontstaat.
Het centrale deel van de aarde onder de Gutenberg-discontinuïteit wordt de aardkern genoemd. De buitenkern heeft een diepte van ongeveer 1200 km. Hij laat alleen bepaalde seismische golven door die worden uitgezonden door aardbeingen. Daaruit concluderen wetenschappers dat hij minstens gedeeltelijk vloeibaar is. Er is ook bewijs dat de binnenste kern (op meer dan 5000 km diepte) gedeeltelijk vast is. Welliswaar is de hitte in de kern zo enorm, dat normeel gesproken alle materiaal zou smelten. Echter, ook de druk in de kern is gigantsich. Daardoor is er een eenwicht tussen hitte en druk dat ervoor zorgt dat het materiaal deels vloeibaar, deels vast is. De dichtheid van de kern varieert van ongeveer 9500 to 14.500 kilogram per kubieke meter en kan misschien zelf nog hoger zijn. Men denkt dat de binnenkern in de hoofdkern it nikkel en ijzer bestaat. De chemische symbolen voor nikkel en ijzer zijn Ni en Fe. Daarom wordt de binnenkern door wetenschappers ook wel de NiFe genoemd. De enorme druk in het hart van de aarde leidt tot temperaturen van bijna 3000 graden.