Wikijunior:De geschiedenis van de Aarde/Fossielen
Uit Wikibooks
|
|
||||
Veel aanwijzingen over de evolutie van het leven op aarde heeft men verkregen door fossielen te bestuderen. Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen, of afdrukken van organismen in gesteenten.
Fossielen kunnen alleen ontstaan als de resten van organismen niet wegrotten en vergaan. De resten kunnen worden bedekt door sedimenten (afzettingslagen van bijvoorbeeld zand- of kleideeltjes). Als dit snel genoeg gebeurt krijgen bacteriën en schimmels niet de kans alles af te breken.
Nieuwe sedimenten worden bovenop de oudere gesteentelagen afgezet. Meestal liggen de jongste gesteentelagen aan de oppervlakte. Oudere gesteentelagen liggen dieper in de aardkorst.
Wanneer de afzettingsgesteenten ongestoord blijven liggen veranderen de resten van het organisme door de druk van bovenliggende gesteenten op de lange duur in fossielen.
Er worden maar af en toe fossielen van complete organismen gevonden. Zachte delen vergaan snel. Er is geen tijd voor de vorming van een fossiel. Van dieren met een schelp worden wel veel fossielen gevonden. Wetenschappers kunnen uit een paar delen van het skelet een voorstelling van het gehele organisme maken. We noemen dit een reconstructie.
Van sommige soorten organismen komen fossielen voor in gesteentelagen van verschillende ouderdom. Maar er zijn ook soorten waarvan de fossielen slechts in één gesteentelaag voorkomen. In oudere en in jongere gesteentelagen komen deze fossielen niet voor. Blijkbaar hebben sommige soorten organismen alleen in een bepaalde periode geleefd. Daarna zijn ze uitgestorven. Hieruit blijkt dat in de geschiedenis van de aarde soorten zijn ontstaan en weer zijn verdwenen. Dit is een belangrijk argument voor de evolutietheorie.