Uit Wikibooks
[bewerken] Meerkeuzevragen
|
|
|
1. Hoe noem je een computer die op zichzelf staat ook wel?
- A. server
- B. werkstation
- C. stand-alone
- D. modem
2. Wat heb je nodig om in te loggen?
- A. een provider
- B. een wachtwoord
- C. een vergunning
- D. een pen
3. Twee beweringen:
- I. In een netwerk is maar één printer nodig.
- II. De kabels van een netwerk zijn goedkoop.
- Welke beweringen kloppen?
- A. geen van beide
- B. alleen I
- C. alleen II
- D. beide
4. Hoe is het internet ontstaan?
- A. uit het niets
- B. uit het maken van een stroomkring met een paar lampjes
- C. uit het ontwikkelen van een telefoonbedrijf
- D. uit het ontwikkelen van een computernetwerk
5. Waar bestaat internet uit?
- A. uit miljoenen computers over de hele wereld
- B. uit miljoenen computerprogramma's over de hele wereld
- C. uit miljoenen providers over de hele wereld
- D. uit miljoenen snelwegen over de hele wereld
6. Je wil een werkstuk maken.
- A. op internet is geen informatie te vinden
- B. op internet is een beetje informatie te vinden
- C. op internet is genoeg informatie te vinden
- D. op internet is te veel informatie te vinden
7. Wat is een provider?
- A. het centrum van het internet
- B. de toegang tot het internet
- C. een ander woord voor computer
- D. providers bestaan niet
8. Wat is een hyperlink?
- A. een informatieplaats op internet
- B. een bladerprogramma voor internet
- C. een computer die informatie opzoekt
- D. een verbinding met een andere pagina
9. Wat is een zoekmachine?
- A. een informatieplaats op internet
- B. een bladerprogramma voor internet
- C. een computer die informatie opzoekt
- D. een verbinding met een andere pagina
10. Wat is een browser?
- A. een informatieplaats op internet
- B. een bladerprogramma voor internet
- C. een computer die informatie opzoekt
- D. een verbinding met een andere pagina
|
11. Hoe heet de belangrijkste pagina van een website?
- A. webpage
- B. homepage
- C. schoolpage
- D. spiderpage
12. Noem een voordeel van e-mail ten opzichte van gewone post.
- A. een e-mail is persoonlijker
- B. een e-mail kun je schrijven
- C. je hebt er genoeg geld voor
- D. het werkt sneller
13. Noem een nadeel van e-mail ten opzichte van gewone post.
- A. e-mail is duurder
- B. je moet het adres kennen
- C. een e-mail is moeilijker te maken dan een brief
- D. voor een e-mail moet je op je beeldscherm schrijven
14. Aan welk teken is een e-mailadres te herkennen?
- A. .
- B. /
- C. @
- D. :-)
15. Wat is het nut van zippen?
- A. een rits op je bestand zetten
- B. je kunt meerdere bestanden in één wegsturen
- C. spam maken
- D. zippen heeft geen nut
16. Wat is dit?
:-)
- A. een emoticon
- B. een apenstaartje
- C. een interpretatie
- D. een slash
17. Wat is een voorbeeld van veilig chatten?
- A. onder je eigen naam inloggen
- B. als je gepest wordt, het geheim houden
- C. telefoonummer doorgeven
- D. zeggen hoe het met je gaat
18. Twee kosten:
- 1. een abonnement bij een provider
- 2. de kosten van een telefoonverbinding
- Met welke kosten heb je te maken als je internet gebruikt?
- A. geen van beide
- B. alleen I
- C. alleen II
- D. beide
19. Waarom moet een provider tegen lokale telefoonkosten bereikbaar zijn?
- A. anders doet internet het niet
- B. anders wordt het gebruik van internet erg duur
- C. anders kunnen er storingen optreden tijdens het internetten
- D. anders wordt de wet overtreden
20. Wat is het verschil tussen shareware en freeware?
- A. freeware is gratis, voor shareware moet je, als je het bestand vaak gebruikt, betalen
- B. shareware is gratis, voor freeware moet je, als je het bestand vaak gebruikt, betalen
- C. freeware is legaal, shareware is illegaal
- D. freeware is illegaal, shareware is legaal
|
|
1. Hoe noem je het aantal bezoeken op een pagina ook wel?
2. Hoe noem je het bladeren op internet ook wel?
3. Hoe noem je een bladzijde op internet?
4. Wat is een internetexplorer?
5. Wat is een webcam?
6. Hoe noem je aanklikbare woorden ook wel?
7. Wat is de internettaal
8. Wat is chatten?
9. Hoe noem je elektronische post ook wel?
10. Waarvoor staat www?
[bewerken] Praktische opdracht
In deze praktische opdracht gaan we Word en internet bij elkaar gebruiken.
- Start Word
- Tik deze tekst in:
Opstel
Bron: http://nl.wikipedia.org/
- Klik op de hyperlink die verschijnt
- Gebruik de zoekmachine en voer Internet in
- Kopieer de hele tekst
- Ga naar Word terug. SLUIT DE INTERNETPAGINA NIET AF.
- Plak de tekst in Word
- Ga terug naar de internetpagina
- Kopieer het plaatje van de kaart
- Ga naar Word terug. SLUIT DE INTERNETPAGINA NIET AF.
- Plak het plaatje in Word
- Geef het plaatje een blauwe rand
- Zorg dat de tekst vierkant op het plaatje loopt
- Druk het plaatje af
- Sluit Word
- Sluit de internetpagina