Vakantiereizen/Reisverhalen

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek
Thumb
Wandelvakantie
Wandelen met kinderen
Fietsvakantie
Fietsen met kinderen
Uitrusting algemeen
Uitrusting wandelen
Uitrusting fietsen
De voorbereiding
Noodsituaties
Overleven in de natuur
Onderweg naar..
Overnachten
Oriënteren
Tijdens de reis
Wandelen in.. (routes en beschrijvingen)
Lopende Levensberichten & Andere Geestreizen
Fietsen in.. (routes en beschrijvingen)
Wereldtalen Woordenlijst
John Vangelis


Lopende Levensberichten

&

Andere Geestreizen


Inhoud

[bewerken] Een paar regels vooraf

Deze reisverhalen zijn niet vanuit een neutraal standpunt geschreven. Integendeel, vaak ventileer ik mijn persoonlijke mening. Lange afstand wandelen laat je ook het leven overdenken, een mening vormen of veranderen. Wie gelooft dat filosofie een wetenschap is die beoefent wordt met de hersenen heeft ten dele gelijk. Een even grote noodzaak is echter het gebruik van de benen. Wie kent niet het beeld van de Griekse filosofen die mompelend in de Stoa heen en weer liepen.

De Stoa van Attalus op de Agora in Athene, die in de jaren 1952-56 is herbouwd

Ik hoop met de publicatie van deze reisverhalen een beeld te geven van de belevenissen als reiziger, maar het is wel mijn beleving en ieder ander zal het op haar of zijn manier anders beleven. Hoe? Dat kan je alleen ondervinden door het te ondergaan. Misschien dat beginnende (lange afstand) wandelaars wat van mijn ervaringen kunnen leren. John Vangelis.

[bewerken] Vooruit lopend

Een leven kan raar lopen.
Opgegroeid als Rotterdams arbeiderszoontje, met een weekje echte vakantie per jaar, doorgebracht in een huisje op de Veluwe. Van mijn vader moest ik wandelingen maken, waar ik een hekel aan had, in een boom zitten was veel leuker maar mopperend liep ik de vereiste kilometers, zelfs het beloofde ijsje bij het einddoel verbeterde de stemming nauwelijks. Ik moest immers dat hele eind ook nog terug.

De jonge filosoof.

Ik had natuurlijk langer schoolvakantie. We waren vrij van geloofsdwang dus werd ook gretig gebruik gemaakt van uitstapjes op zondag. Had ik me net voorgenomen lekker op mijn kamer een boek te lezen of het plan 'iets te gaan doen' schetterde door het huis. Fietsen werden voorzien van manden en tassen met een halve werkplaats aan gereedschap en onderdelen (er kon immers van alles misgaan op zo'n wereldreis en dat ging het ook vaak), emmers, scheppen, autobinnenbanden, pompen, windscherm, broodtrommels en veldflessen water. Een dag naar het strand.
Als dat nou een straat verderop was geweest, dan kon ik tenminste snel verder met mijn boek. Maar nee, twee keer dertig kilometer beulen. De fietsframes waren in mijn herinnering van gietijzeren pijp volgegoten met lood, stalen ros noemden ze zo'n onding dan ook liefdevol. Er waren onderweg altijd wel een paar lekke banden, afgelopen kettingen en losgetrilde bagagedragers, de zon brandde op onze ruggen in de windstilte tussen de kassen van het Westland en mijn kont deed pijn van het keiharde zadel.
Eindelijk in Kijkduin sjokten we meestal nog een halfuur door het zand omdat het volgens de reisleider verderop altijd rustiger was. In de buurt van Hoek van Holland, althans dat dacht ik met mijn traumatische kijk op het gebeuren, werd het dan weer drukker en liet de familie van zes personen zich in de zandbak ploffen.
Nadat alles klaar was, er moest een heuse woonkuil gegraven worden, waren we uitgehongerd. Boterhammen die knarsten, hoewel er paniek uitbrak bij elke beweging tijdens de lunchpauze kwam er onvermijdelijk zand tussen, en water dat onderweg lauw was geworden. Wel hadden we weer recht op het beloningsijsje.
Kortom toen ik een rijbewijs had ruilde ik zo snel mogelijk het stalen ros tegen een heilige koe. Zo bracht ik veel vakantietijd, het was inmiddels wel wat langer geworden, door op autosnelwegen, bij benzinestations en op campings. Soms kampeerde ik 'wild' op een parkeerplaats. Dus met een knikkende kop achterover hangen in de stoel voor een paar uur slaap want je moest er wel snel zijn. Ik scheurde Europa door om zoveel mogelijk te 'zien' zonder me te realiseren dat ik, behalve kilometers vangrail en beton, files met hier en daar wat opgevouwen auto's, al of niet met klem zittende doden of gewonden en platte egels, ontzettend weinig zag en nog minder beleefde. Wel kon ik elk jaar een paar nieuwe landenstickers op de diverse auto's plakken, dat stond wel indrukwekkend zo'n 'bereisd' iemand.
Eind jaren zeventig gooide ik mijn leven maar eens om en besloot werken, reizen en vakantie ineen te laten vloeien tot leven. Er volgde jaren van vrijwilligerswerk, actie voeren en weinig tot geen geld. De Fiat sportcoupé werd ingeruild voor een relaxt waggelend besteleendje. Dat beviel al een stuk beter.
In de jaren tachtig kwamen de kruisraketten en Woesdrecht. Met nog zo'n twintig anderen wilde ik een Internationaal Vredesactiedorp gaan bouwen naast de vliegbasis en woonde een jaar (met een winter van -25°C) in het bos met niet veel meer dan een vuur en wat strobalen. Elk onderkomen was verboden en werd onmiddellijk gesloopt. Ik ben een ontzettende koukleum die het pas lekker begint te vinden boven de 25°, maar ontdekte hoe mooi een blikseminslag kan zijn die een boom, op 15 meter naast je, in tweeën splijt, een klomp ijssoep van de vorige dag die je alleen met een bijl te lijf kan als je een kommetje wilt, wakker worden met dertig centimeter sneeuw op je buik. Ik weet dat velen het omschrijven als pure ellende en dat was het ook. Het was leven.

[bewerken] Aanloop en eerste stapjes

Ik had al eens gelezen over de Stichting Lange Afstand Wandelpaden en het Pieterpad, maar lopen deed ik om ergens te komen en niet voor de lol. Tot het moment kwam dat ik ontdekte dat het ook samen kan gaan.
Ergens in 1985 zou in Brussel een Europese demonstratie zijn tegen wapentuig. Ik had wat geld bij elkaar gewerkt en kon dus samen met mijn vriendin met de trein. Een auto had ik allang niet meer, dat scheelde heel wat verplicht betaalde arbeid. De trein stopte in Roosendaal. Door een staking lag het Belgisch openbaar vervoer stil. In een opwelling -daar laat ik me niet door tegenhouden- besloten we naar Brussel te gaan lopen. Natuurlijk had ik een tentje, van zwaar dubbeldaks katoen met schaapskooiluifel bij me. Slaapzak, kookspullen enzovoorts ontbraken ook niet, tenslotte had ik me voorbereid op een actieweekend. Maar alles gebaseerd op treinvervoer.
Laat in de avond kwamen we in Antwerpen aan. Kapot, uitgeput. De Spaanse laarzen waarop ik me probeerde voort te bewegen bleken totaal ongeschikt om deze afstanden te lopen met die zware bepakking. Het was heet geweest die dag en de zeildoeken jas, wel goed tegen regen, wind en ME geweld, woog als lood. Voor de zekerheid had ik ook nog een dikke trui mee. De nylon rugzak hing als een baal zand aan m'n schouders.
We gingen een café in voor een kop koffie en wilden ergens buiten de stad een slaapplek zoeken, dus na een half uurtje weer verder. Bij het opstaan kwam ik niet verder dan een houding tussen zitten en staan, ik voelde twee keiharde ballen in mijn kuiten en met gebogen knieën (en hoofd) liep ik het café uit. Ik dacht dat ik het verder kon vergeten, maar na een poosje begon het bloed te stromen, al bleef ik een verschrikkelijke pijn in mijn kuiten voelen. Gelukkig vonden we al snel een paar struiken waaronder we in de slaapzak doken en in diepe slaap vielen.
De volgende dag –spierpijn, maar uit te houden- legde ik alles wat ik bij me had op een rijtje en begon dingen eruit te sorteren die niet echt nodig waren. Dat was niet zoveel, die extra meegenomen koekenpan. Dan maar alles wat misschien niet nodig was, extra kleding, één pan moest genoeg zijn, en zo werd een behoorlijk pakket samengesteld wat ik terug stuurde. Dat scheelde wat kilo's.
Natuurlijk kwamen we in Brussel aan toen daar alles voorbij was, maar we hadden het toch maar gedaan, daar ging het om. Onderweg kreeg ik meer en meer een bepaald geluksgevoel. Ik merkte dat ik elk moment bezig was met mijn omgeving. Bewustzijn van elke donkere wolk omdat die regen kan brengen en je tijdig een schuilplaats moet zoeken. Elk dorp, elke straat, elk huis zien in plaats van vangrail en campings. Elke plant, boom of bloem bekijken. De wind, de zon, de regen voelen. Naar het vuurwerk in de hemel kijken tijdens een onweersbui. Dat kleine stukje van Roosendaal naar Brussel had me veel meer laten zien en beleven dan alle (auto)vakanties bij elkaar.
We plakten er een rondje Ardennen aan vast. Heel rustig, het was niet noodzakelijk ergens op tijd te zijn en we liepen nog steeds met die totaal ongeschikte uitrusting te zeulen, maar het begin was er. Topografische kaarten had ik natuurlijk ook niet bij me waardoor we veel op verharde wegen liepen en als we al eens een aantrekkelijk pad insloegen waren we onmiddellijk de weg kwijt. Onderweg maakte ik aantekeningen hoe het beter en vooral lichter zou kunnen.
Met de België ervaring ging ik aan de slag. Een vriend bleek een fervent loper te zijn. Hij kwam met een stapel topografische kaarten aandragen[1] van door hem gelopen stukken GR10 in de Pyreneeën. Dat leek voorlopig een beetje té, hoewel mijn hart verlangend begon te bonzen.
De ergste rugzak werd vervangen en alle kleding op de weegschaal gelegd (vanaf nu ging elke gram tellen), we moesten het verder maar even doen met wat we hadden. Stelen werden voor minstens de helft van tandenborstels gezaagd. Alles wat we niet perse noodzakelijk vonden werd aan de kant gelegd en zo wisten we aan een rugzakgewicht te komen van zo'n 20 kilo per persoon. Daarbij was niet meegerekend dat wat je altijd aan hebt (schoenen, sokken, broek e.d.), maar het voelde aan als een hele verbetering. We kochten nog redelijke schoenen en twee paar wollen sokken. We hadden geen geld voor echte bergschoenen, maar het waren in ieder geval stevige stappers die ook de enkels voldoende steun gaven.
Toen we daarna twee weken op iemands huis gepast hadden besloten we over de LAW's door Noord-Brabant naar Woensdrecht terug te lopen. Niet alleen door het feit dat mijn vriendin ergens in deze twee weken zwanger bleek te zijn geworden werd het een openbaring. Voorzien van de juiste routekaarten liepen we dagen door het bos over zandpaden te sjokken zonder iemand tegen te komen. Let wel, in Nederland! Onze keus was bepaald, we zouden gaan sparen voor betere en lichtere spullen. Voortaan gingen we lopen.

[bewerken] Nederland: Rondje LAW

Na 'Woensdrecht' waren we een jaar gebonden aan onze wintergrot in Rotterdam door de geboorte van een zoon. Om hem te laten wennen aan de natuurelementen in verschillende seizoenen; storm, regen, zon en de rest, maakten we korte (voet)tochtjes. De wind probeert hij te eten, de regendruppels te vangen, de vitamine AD komt niet van Bayer, hij kwekt tegen vogels, graait in dorre bladeren, speelt met takjes en steentjes, staart uren in een kampvuurtje, sabbelt op paardenbloemen en huppelt van plezier als zijn rugzakzitje te voorschijn komt. Kortom de tijd lijkt rijp om voor onbepaalde tijd de grot te verlaten. Natuurlijk hebben een behoorlijke slag om de arm, bij onvoorziene omstandigheden keren we gewoon terug.
Zelf kan je best een dag zonder eten, weinig water, doorlopen omdat er geen geschikte slaapplek wordt gevonden, maar met een kind zijn dat rampen. Hoewel, vaak blijk je meer creatief dan je dacht te zijn. Een verder gevolg van rondtrekken met een peuter is dat je de route moet plannen, iets wat ik ook niet gewend ben. Rekening houden met afstanden die zodanig zijn dat we steeds eten en drinken kunnen krijgen.
Voorlopig hebben we het nog even druk met de houtvoorraad voor de komende winter, we zitten nog maar op de helft van het gewenste. Verder lijkt de was ook steeds meer te worden nu zoonlief actief onderzoekt hoe je de asla, zaagselbak of emmer water leeg kiept, meehelpt aardappelen schillen, zijn voedsel eerst controleert op veerkracht en bewerking met zijn vuisten voordat hij het in zijn mond stopt en dan tijdens het kauwen wil kijken hoe het er halverwege uitziet.

Het is eerste legbatterijproductendag. Pasen 1987 dus. Afgelopen week zijn we naar Zunderdorp geweest. Even snel heen en weer met een dagkaart voor de bus. Dit keer ging een treinreis boven de begroting. Acht uur in de ochtend de deur uit en acht uur in de avond weer thuis. Gaar!
Wel met een geplaatste bestelling voor twee superwarme donzen slaapzakken en alle spullen en adviezen in huis voor een eigen ontwerp bivakhut en gelijk de eerste schaarknippen in de stof gezet, want het ontwerp lag al een tijdje klaar uitgaande van een paar eisen. Twee hoogte standen, een bivakzakstand voor stiekem kamperen, want lopend haal je de volgende camping met een kind niet (en dat willen we ook eigenlijk niet), windkracht twaalf en Noordpoolkou en een tentstand (meer een hut) voor zitruimte bij regen en maximaal twee kilo. Een tent met deze eigenschappen hebben we niet kunnen vinden, dus gewoon zelf maken.

Schema van de zelfbouwtent.

Net als we de deur uit willen voor de grote wereldreis door Nederland ligt er een uitnodiging van de S.D. op de mat. Of ik maandag even langs wil komen voor het jaarlijks praatje. Nee dat wil ik niet en er is ook niets veranderd in mijn situatie, maar ik zal wel moeten als ik een beetje geld wil hebben. Maandag maar even heen en weer met de bus. Voorlopig gaan we naar vrienden in Amsterdam. Van daaruit kunnen we de slaapzakken ophalen.

De rugzakken staan te huppelen in de hoek van de Amsterdamse keuken. Buiten woedt een storm en klettert vlagen regen tegen de ramen. Ik moet nog heen en weer naar Rotterdam, dus zijn we gelukkig verplicht bij de kachel te blijven zitten.

'U hebt uw fiscaal nummer niet ingevuld,' zegt de vrouw tegenover me.
'De mededeling dat ik een fiscaal nummer was geworden heb ik ooit terug gestuurd met de aantekening dat ik een naam heb, dus ik zou het niet weten.'
'Zoeken we wel even op,' zegt ze en begint op een paar toetsen te drukken. Volgens mij zit ze daar maar in haar eentje of ze moet met 'we' bedoelen dat ik haar help met opzoeken.
'Dat hoeft voor mij niet persé hoor en dat had u toch ook wel zonder mijn aanwezigheid kunnen doen?'
'Ik heb nog meer vragen.' Haar toon wordt wat bitser, terwijl ik toch heel vriendelijk ben. Na vijf minuten heeft ze mijn nummer gevonden en is het me niet duidelijk geworden welke vragen ze bedoelde. Ik krijg over een half jaar weer een oproep. Ik sta op en geef haar een hand.
'Verveelt u zich niet meneer Vangelis?' Waarom stellen ze bij instanties altijd vragen die alle kracht opeisen om niet in een onbedaarlijk lachen uit te barsten.
'Mevrouw de Boer,' antwoord ik met een blik op haar naambordje, 'verveling overkomt een loonslaaf die gaat zitten piekeren over het feit dat hij geen baas meer kan krijgen en moet leren leven zonder bevel. Er zijn zo'n half miljoen baanlozen die snel aan de slag zouden willen, ik laat die graag voorgaan.' Ze begrijpt er niets van zie ik, dat hoeft ook niet, ik ga op reis.

Het is dinsdag en mooi weer, daar gaan we dan echt. Tot Muiderberg hebben we een voorspoedige wandeling en ergens langs een waterplas vinden we een slaapplek. De rugzakken wegen wel door en elk uur moeten we een rustpauze inlassen, maar dat is prima voor zoontjes' speelmomenten.
Die nacht regent en waait het heel hard, het is koud. Wat een geweldige slaapzakken. Ze kunnen van onderen open, voor als het warm is, en ons kind ligt daar lekker warm in zijn eigen hoekje bij onze zweetvoeten. Maar goed dat we geen van drieën woelmuizen zijn. In combinatie met de Therm-a-rest matjes slapen we uitstekend.

Met een kletsnatte tent vertrekken we, blij dat de tent er tegen kan nat opgevouwen te worden. Ook de verdere dag is het zwaar, met hagel en storm en we willen maar naar een camping. Die halen we niet en uiteindelijk zien we een redelijke plek in het bos. Het blijft maar regenen en door de natte tent en de kuilen onder het grondzeil komt er wat water naar binnen. Gelukkig maar in één hoek en met een luier blijft het draaglijk.
Als het in de ochtend nog steeds regent besluiten we het laatste stukje tot Amersfoort met de bus te gaan. Op de camping drogen we de spullen en komen een beetje bij.

Door het weer komt er veel minder van schrijven dan ik wil. Op één warme dag na –was dat dinsdag?- de hele week alleen maar kou en regen. De kou is niet het ergste, je loopt je wel warm en slapen doen we ook warm, maar die constante regen zorgt ervoor dat ons kind meer in de tent moet worden bezig gehouden terwijl wij alleen nog behoefte hebben in de slaapzak te kruipen.
Wat verder behalve nattigheid? Tot Deventer zijn de paden tegen gevallen. Veel verharde wegen, de omgeving was wel mooi. Na Deventer zijn we bij Holten in Gelderland het Pieterpad opgegaan. Weinig verharde wegen, kleine bospaadjes, heuvel op en af, prachtige vergezichten, vogels, modder, zand, dennennaalden en bijna geen mensen met uitzondering van wat medeloper*s.
Zelfs de regen hoort er gewoon bij en als die stompzinnige wetten die wild kamperen verbieden niet bestonden zou je verder kunnen zonder droogtrommel. Onze schuilhut is op zo'n twintig meter al niet meer te zien, maar een paar luiers die te drogen hangen zie je op een kilometer afstand. Wel lopen we vaak te denken hoe het beter en vooral lichter kan. Als we dit vaker willen, zullen we de komende winter meer ideeën moeten ontwikkelen.
De spijkerbroeken die we dragen blijven veel te lang nat, het kookgerei is nog veel te zwaar. Verder lukt niet erg goed om de juiste hoeveelheid voedsel mee te sjouwen. Vaak denken we misschien tekort te komen terwijl het teveel blijkt te zijn.
Ons kind wordt steeds bruiner (is hij aan het roesten?) en maakt overal vriendjes met zijn innemende lach en fratsen. Bos, boom en koe wordt aan zijn woordenschat toegevoegd. Eergisteren hing hij met open mond achterover in zijn rugzakzitje naar de in de wind wiebelende boomtoppen te kijken. Ik probeerde het ook en merkte dat er een soort hallucinatie ontstaat. Een vriend heeft eens opgemerkt dat kleine kinderen van nature in een geestverruimende toestand verkeren, ik begin er in te geloven. Hij maakte in ieder geval de indruk compleet uit zijn bol te gaan door die combinatie van schommelende voortbeweging en heen en weer zwiepende boomtoppen tegen een achtergrond van voorbij razende wolken. Het in slaap vallen in het zitje gaat prima, alleen is er s'avonds wat meer moeite. Hij wil alles meemaken, zijn ogen vallen bijna dicht, maar hij doet alle moeite om wakker te blijven. Tot onze grote verbazing begint hij alles te eten en zelfs water te drinken als het maar uit onze veldflessen is.

Vandaag, alweer zaterdag dus, wordt het bijna te erg. Het blijft maar druilerig, vochtig waardoor alles wat droog was nat wordt en wat nat is nog natter. De hele nacht heeft het geregend en nu we wakker zijn nog steeds. We gaan op pad vanuit ons slaapbosje over de Lemmelerberg met een tent die minstens twee kilo vocht in zich heeft opgezogen en verder is ook alles nat en zwaar.
Zo'n 10 km voor Ommen in Overijssel komen we een camping tegen met kantine, wasmachine én droogtrommel! Gered door de welvaart? Inmiddels wordt het ook droog en de verwachting is dat het na maandag beter wordt. We besluiten dan uitgerust, droog en gewassen verder te gaan. Het zal wel een duur weekend worden, maar goed. Snel gaan we naar de receptie/kampwinkel want die is vanmiddag dicht. We laten ons uitgebreid voorlichten over de technische voorzieningen. De centrifuge werkt op guldens, de droogtrommel op munten die we in ruime mate aanschaffen. We hebben heel wat te drogen.
Dan drinken we koffie in de kantine. Daar vallen ons een paar dingen op. Overal krantenknipsels over het Gereformeerd Politiek Verbond en aanvoerder Schutte. Om een uur of vijf een groep jongeren die in de kantine geestelijke liederen gaat zingen. Och, vrijheid blijheid, niet waar. Ze dwingen me niet mee te doen dus…
Dan horen we dat op zondag de kantine dicht is. Was te verwachten na deze belevenissen. Klote met dit weer en we hebben wel hetzelfde moeten betalen voor minder service. Nou ja, ik verheug me op eindelijk weer eens een bordje muesli morgenochtend.

Vlokken op een bord, fruit erover, zaden, rozijnen en noten toevoegen en hup melk erover. Verdomme, allemaal brokken drab uit het pak. Normaal ruik ik altijd eerst even, maar door het dagenlange verlangen moet ik dat net nú vergeten. Ik kijk naar de datum. Een week over tijd! Dat begint toch al wat aan mijn tolerantie te knagen.
Dan maar kleren wassen en in de centrifuge. Gulden in dat ding, niets. Morrelen en schudden, niets. Nog een gulden, niets. Dat heb je als je als ongelovige op zondag wil wassen. Ik zit nu toch erg dicht tegen het ter plaatse recyclen van een centrifuge tot oud ijzer.
Een tijdlang staan we al het druipnatte wasgoed –we hebben nog extra kleding toegevoegd, die kans kregen we maar één keer, nietwaar- met onze handen uit te wringen en in de droogtrommel te stoppen. Munt erin. Gelukkig die doet het. Wel een enorm gepiep en geknars, maar dat weerspiegeld onze stemming. We gooien de rest van de munten er ook in want dat ding zal wel een tijdje moeten draaien met dat natte goed.
Na een half uurtje gaan we kijken. Klaar, deur open. Hè ijskoud, zeiknat. Mijn ogen gaan naar de knoppen, stond toch op maximum? Ja, klopt. Gloeiendekelere dat ding heeft alleen maar een beetje rond staan draaien. Op zoek naar iemand van de camping, maar het is zondag en er wordt achter een raam met de vinger heen en weer gezwaaid in een 'nee, vandaag niet'.
Even denk ik aan een openbare bijbel verbranding, maar we vertrekken en een stukje verder belanden we op een kampeerboerderij met aardige mensen waar we binnen op hun centrale verwarming alles mogen drogen. Ik weet niet of deze mensen christelijk, sociaal of misschien wel beide waren.

De volgende dag terug naar de GPV camping en o zo vriendelijk, met een heb uw naasten lief glimlach, krijgen we ons geld terug. Dan gaan we onze spullen inpakken en zwemmen via het Overijsselsepad en Drentepad richting Appelscha.

Domela Nieuwenhuis.

We hadden onze voettocht zo 'gepland' dat we het Pinksterweekend op het kampeerterreintje 'Vrijheidsbezinning' zouden zijn. De drie dagen anarchistische bijeenkomst zijn voor mij niet echt een traditie, maar met onregelmatige tussenpozen vind ik het leuk om er te zijn.
Door de onophoudelijke regenval is het allemaal een sneller gegaan dan verwacht want we moesten steeds veel doorlopen op zoek naar goede slaapplekken, dus we komen al op donderdag aan. Alleen wat mensen van het Noordelijk Gewest van Vrije Socialisten zijn aanwezig. De honderden anderen komen meestal pas vrijdag of zaterdag, lekker rustig dus nog. We zetten koffie in de kantine en praten wat met de aanwezigen. Het portret van Domela Nieuwenhuis is nog steeds prominent aanwezig.

Het weekend is weer voorbij, dinsdag en het regent nog steeds. Ik hoopte een beetje op de ervaring van andere jaren dat het pinksterweekend altijd een grote modderpoel is, maar dan maandagmiddag als iedereen huiswaarts keert, het zonnetje doorbreekt (weer zo'n straf als je op zondag feest), maar dit keer blijft het grijs en nat. Maar hier is gewoon een warme douche aanwezig, kan je eventueel dag en nacht bij de kachel in de kantine gaan zitten, is iedereen hulpvaardig en echt vriendelijk. Het water stortte het hele weekend met bakken naar beneden en het terrein wat door honderden heen en weer lopende voeten eerst een soppende grasmat was, werd een soort moeras waar iedereen glijdend steeds verder in weg zakte. Een paar uitgelaten punkers maakten zelfs een modderglijbaan en het was één groot blubberfeest.
Emmers water werden de tenten uitgeschept en slaapzakken 's morgens uitgewrongen. De kantine werd één grote slaapzaal. Hier bleek de professionaliteit van onze selfmade bivakhut. Na al dat watergeweld was er alleen een straaltje water aan een zijkant en de slaapzakken waren aan de onderkant een beetje vochtig toen we vanmorgen wakker werden. We blijven vandaag nog maar hier hangen en helpen mee om alles op te ruimen.

Na een wederom natte tocht naar Drachten waar we vrienden bezoeken, willen we naar Stavoren lopen om het IJsselmeer over te steken. Er is nog geen beschreven route naar Stavoren, we komen door mooie gebieden en denken zelf maar een route te moeten uitstippelen. Ik maak aantekeningen, maar al snel blijkt dat het ontbreken van goede topografische kaarten funest is. Vaak lopen we vast en moeten een stuk terug.
Nadat we zo een paar keer verdwaald zijn, besluiten we verder met de bus te gaan. Maar het is weer zondag en de buurtbus rijdt niet. Op het buspaaltje zit een kaartje en we zien dat Balk, waar wel een zondaghalte is, niet zover ligt. Wel een stuk terug.
In Stavoren gaan we op de boot naar Enkhuizen en mijn zoon kijkt zijn ogen uit bij zoveel vogels, water en boten. We lopen naar Hoorn waar we weer een paar dagen bij vrienden logeren. Gelukkig is het even droog.

Ik reis heen en weer naar Rotterdam om de rekeningen gesorteerd op te stapelen en zie dat de geveltuin uit haar krachten is gegroeid. Van de regel dat een geveltuintje één stoeptegel breed mag zijn heb ik me nooit zoveel aangetrokken. Het trottoir is meters breed, dus daar mocht volgens mij wel een meter af voor een tuintje vond ik. Buren volgden dit voorbeeld en zo kreeg de straat langzaam een wat groener uitstraling.
De bessenstruiken (ja, de bessen werden gepikt door de buurtkinderen, nou en) blokkeren de voordeur, maar gelukkig heb ik mijn survivaljack aan en met kapmes en heggenschaar baan ik me een weg. Met dezelfde bus dagkaart reis ik terug naar Hoorn.

De volgende dag hangen we de rugzakken weer om en lopen naar het noorden. Wat een verschrikkelijke saaie en natuur onterende omgeving. Leve de ruilverkaveling. Kaarsrechte eindeloze landwegen met daarlangs wat boomtakjes die duidelijk achter een bureau op papier zijn gezet. De afstanden lijken op de centimeter nauwkeurig bepaald. Precies afgepaste vierkanten die landbouwgrond moeten voorstellen. Platgespoten en uitgeput, klaar voor de volgende gifbollenteelt.
De wind voert voortdurend zand mee wat onze lijven schuurt. Nergens een hindernis in de vorm van ongelijkheid, gevarieerd en begroeid landschap. Zo ontstaan woestijnen, maar iedereen gaat door met de nieuwe zakelijkheid, geld graaien en aarde verzieken.
In Opperdoes aangekomen besluiten we naar de camping te gaan, worden daartoe gedwongen omdat we nog nergens een slaapplekje hebben gezien. Het dorp zelf laat ons verlangen naar meer buiten wonen. Wat vriendelijk en liefelijk ziet dit dorp eruit.
De campinghouder vertelt later dat de buitenkant misschien wel leuk lijkt, maar de binnenkant is het Staphorst van Noord-Holland. Streng christelijke immoraliteit heeft al voor veel ellende gezorgd en ook hij wordt al jaren gepest omdat hij op zondag open is. We vertellen hem onze ervaring in Ommen.

Langs het IJsselmeer lopen we eerst een stuk over het Zuiderzeepad en daarna verder naar het noorden. Nog een stuk om nooit meer te doen, tenzij je van dijken en water houdt. Het hele eind over asfalt zodat er ook regelmatig een brullende kindervreter langs flitst.
Dan komen we bij het Robbenoordbos. Mooi, met stikdonker engebomenbos en grote oude loofbomen. Het geruis van het heilige koeienpad Amsterdam-Leeuwarden is echter overal hoorbaar en de betonnen erectie van de PTTzendmast is dominant aanwezig. Als we er langs lopen blijkt er een hoog hek omheen te staan met bordjes 'Verboden toegang – Natuurreservaat'. Ik snap er niets meer van. Volgens mij staat achter het hek een cilinder beton van duizenden kilo's en loop ík in het overgebleven stukje natuur.
Het was eigenlijk teveel vandaag en flink afgemat lopen we Den Oever binnen, doen wat boodschappen en dan de laatste hectometers naar Vatrop waar we een vriend bezoeken. Hij had het plan een paar dagen met zijn vriendin weg te gaan, maar we mogen het huis gebruiken zolang we willen.

Dat was niet zo lang want we willen lopen en beginnen aan de dertig kilometer lange Afsluitdijk. Met de bus. Want deze eindeloze betonbaan lokt ons in geen enkel opzicht. Bij de eerste halte na de dijk stappen we uit en volgen de LAW-5 langs de Waddenzee naar Pieterburen.
Dan komen we in het Lauwersmeer gebied. Het was ooit een mooi natuurgebied. Wat wij de hele dag zien zijn enorme zandvlakten voor leger tankoefeningen. Brede wegen voor aan- en afvoer. Schietbanen en weet ik wat al niet meer nodig is om ons te beschermen tegen het mij niet bekend gevaar. Sorry, ik laat me weer eens gaan en jullie zitten natuurlijk alleen op positieve reisverhalen te wachten.

Pieterburen dan maar, ook al zo'n zooitje.
Na een paar nachten, in de regen, wild kamperen hebben we wel weer behoefte aan een uitgebreide wasbeurt en zo. Camping dus. Het lijkt wel of we ze uitzoeken. Dit keer van één of andere wadloper*s vereniging en we zijn er natuurlijk weer net in het weekend. Dat is op zich niet zo wonderlijk omdat we dan de zaterdagse inkopen voor twee dagen op kunnen eten zonder ze mee te hoeven sjouwen. Ha, er is tenminste een biologische winkel. Lekker stevig zuurdesembrood, volle granen en gifvrije groenten om ons lichaam weer wat calorierijk te maken, maar dat was ook zo'n beetje het enige goede.
Hordes wadloper*s die de natuur komen beleven met de meest moeilijk uitspreekbare oosterse automerken. Zaterdag wordt gevuld met het volbouwen van de camping. Enorme tenten, grote houten banken, kampeerauto's (de zeer grote zijn favoriet) en alles wat er rond wadlopen blijkbaar bij hoort, zoals kratten bier. Als alles is geregeld verdwijnen ze in groepjes en is het een tijdje rustig. Wij gaan maar snel douchen want we zien dit alweer aankomen.
Ja hoor, met veel lawaai komen de beblubberde figuren opdagen en lange files vormen zich voor de washokken. Sommigen combineren het wachten met een eerste biertje. Wat een herrie maken deze natuurliefhebber*s zeg. Tot laat in de nacht wordt er gezopen.

Deze zondagochtend is het luxueus stil, alle katers en hun poezen slapen. Het regent weer en het terrein is behoorlijk modderig. Na ons middagmaal gaan we er dan ook eens goed voor zitten onder ons luifeltje als blijkt dat de boel opgebroken gaat worden. Gescheld en opgefokte handelingen bewijzen dat het niet meevalt om tenten af te breken in de stromende regen en blubber. Ook de kampeerauto's zakken in de modder, rijplaten, duwen en trekken en één voor één lukt het met moeite op de weg te komen.
Eén gezin is de instorting nabij. Kwaad loopt de man te schelden met een schop en rijplaten onder de wielen terwijl zijn vrouw krijst dat hij persé zo'n groot kloteding wilde hebben. Ik moet bekennen dat dit keer mijn hulpvaardigheid te kort schiet. Ze hebben sowieso niet veel aan me omdat ik regelmatig door de modder lig te rollen van het lachen.
Bij de Coentunnel zullen ze waarschijnlijk weer vastlopen, maar dan in een file. Wat een recreatie. Natuurlijk wordt er niets gecreëerd laat staan opnieuw (re) geschapen (creëren). Maar dit is nog niet alles. Pieterburen heeft ook naam gekregen door de befaamde zeehondencrèche. Omdat het vandaag bij uitzondering weer eens regent en we nieuwsgierig zijn gaan we daar kijken.
Een enorme parkeerplaats vol blik met achterop grote stikkers (Greenpeace, treurige zeehondjes) doen mijn wenkbrauwen alweer fronsen. Binnen propvol mensen in plastic parachutestoffen kleding van bedrijven die gif lozen waardoor de zeehonden in Pieterburen terechtkomen. Veel meeleven met de dieren in enge tegeltjes bakken waarin ze nauwelijks bewegingsruimte hebben. De mensen schuifelen voort op hun Nikes onder gemompel van 'wat zielig hè' en schieten rolletjes vol foto's die weer bergen zware metalen aan het afval toevoegt. Leuk voor later.
Welk later? De enkele zeehond die het pleisterwerk overleeft wordt weer terug gezet in het open riool om alsnog dood te gaan van het door landbouwgif verziekte water. Maar die biologische voeding is zo duur, hoor ik steeds weer. En jullie Nikes dan? En die lappen antibioticagroeihormonen vlees? En die luxe auto?
Over de sinaasappelen, druiven, appels, exotische vruchten uit racistisch Zuid-Afrika, de enorme plantages in Brazilië waar brandstof van graan wordt gemaakt, de Delmonte plantages waar mensen moeten doorwerken als het sproeivliegtuig overkomt (ze mogen wel schuilen onder de grote bladeren) en ze met dertig, vijfendertig jaar aan kanker dood gaan, de radioactief besmette mensen die mismaakte kinderen krijgen, zullen we het maar even niet hebben.
Een mooie botanische tuin hebben ze wel in Pieterburen.

We lopen maar weer snel door. Naar Groningen.
Na de aardige wandelroute die het Pieterpad (LAW-9) hier is, zien we op kilometers afstand de torenflats van Groningen opduiken. Omdat we niet de hele stad willen doorsjokken op zoek naar het adres van een vriendin pakken we de bus. Dat is een juiste keus want het blijkt dat we aan de andere kant van de stad moeten zijn.
Na een flinke rit rijden we één van de meest afschuwelijke wijken binnen die overal als paddenstoelen uit de grond schieten. Geen winkeltjes, om de paar kilometer een blok grootwinkelbedrijven die in elke stad hetzelfde is, geen kleine bedrijvigheid, geen activiteiten, geen cultuur. De menselijke bio-industrie.
De ene Haerd na de andere flitst voorbij. Later wordt me duidelijk dat hier allemaal boerderijen (haerd) hebben gestaan en als ode aan deze kapot gemaakte boeren hebben ze de straten naar hen vernoemd. Een wijk uit de grond gestampt voor PTTer*s die, in het kader van werkgelegenheidsspreiding naar Groningen zouden verhuizen. Grote, luxe huizen werd het lokkertje. Maar het ging allemaal niet door en daar zaten ze met de dure hokken.
Centraal wonen werd de oplossing. Je stopt een woongroep in zo'n huis en met elkaar is de veel te hoge huur net op te brengen. Op de plaats waar boer Rensuma dus zijn leven sleet met in de grond wroeten, staat het pand waar we willen zijn. Twee huizen doorgebroken tot één, bewoond door een groep vrouwen waar ze deel van uitmaakt. Eenmaal binnen of in de tuin is het samenzijn met haar en haar huisgenotes natuurlijk wel erg leuk.
Orian ontdekt in de keuken dat hij ook op twee voeten kan staan zonder zich vast te houden en loopt, eerst aarzelend dan met enorme snelheid, trots van aanrecht naar keukentafel, kijkt verwondert naar zijn voeten (dat die dingen dat kunnen) , draait zich om en oefent verbeten verder.
We hebben het geluk dat vlakbij een boerderij is 'vergeten' die gebruikt wordt door een groepje mensen die biologische groenten verbouwen en waar een kleine biowinkel is. Te gek, in ieder geval goed voedsel en een stuk opgewekter gaan we op weg naar de volgende beleving.

De tochten lopen over het algemeen voorspoedig al is er nog erg veel regen -volgens mij is dit de natste zomer sinds tijden- en moeite met het vinden van slaapplekken in dit ontboste landschap, maar het lukt.
Zo komen we in Oosterhesselen. We hebben het adres van een biologisch werkende boer waar je altijd welkom bent. Na wat onwennigheid (wat is toch die onzekerheid als je bij vreemde mensen langsgaat) voelen we ons snel thuis en er beginnen tien dagen waarin we heel wat leren over het biologisch veeteeltbedrijf.
Zoonlief moeten we regelmatig tussen de koeien uitplukken. Wat hij in die beesten ziet? Een enorme hoeveelheid indrukken doet hij deze reis op. De tactó (alles met grote wielen en een dieselmotor) is duidelijk favoriet. Ergens onderweg zei hij plotseling 'tactó' hoewel wij nog niets hoorden. Even later komt zo'n ding ook echt aanrijden. Hij herkent het geluid overal tussenuit. Zou ik hem met de naam Orian Kyra (landbouwer in de zon) 'toevallig' de juiste naam hebben gegeven?
Tien dagen op de knieën onkruid trekken tussen witlof, bessen plukken, een gebroken deur van de trekker lassen, stom, ik had geen lasbril en probeerde steeds mijn ogen dicht te doen voor de lasvlam dus lasogen, dokter en pijn, spelen met de kinderen, koken, kalfjes geboren zien worden, weer een rit heen en weer naar Rotterdam, wandelen in de omgeving, de dagen vliegen voorbij.
Over vliegen gesproken. Er is flink veel overlast van vliegen en overal in huis liggen meppers en dode vliegen. Ik breng hun mijn kennis over wat betreft vliegenbestrijding en raad hen aan vlierbesstruiken naast deuren en ramen te planten om de vliegen op een afstand te houden.
Verder heb ik thuis (ook weer toevallig) de keuken met lijnolieverf in de kleur Pruisisch blauw geverfd en heb nooit last van vliegen. Die kleur houdt vliegen op een afstand leerde ik later. Citroengeranium, afrikaantjes en notenbomen worden ook wel aangeraden, maar daarmee heb ik geen ervaring. In ieder geval zo min mogelijk dood maken omdat vliegen afval opruimen en omzetten in makkelijk verteerbaar spul.
Ik lees dat de hoofdwegen in Nederland 4% van het land beslaan. Als je daar de wat kleinere wegen bij optelt dan is het geasfalteerde oppervlak net zo groot als de provincie Groningen. Let wel, Asfalt! De nog kleinere wegen (bestraat), de ziekenhuizen, de auto-, rolstoel-, ledematen-, vangrail- en andere fabrieken zijn daar nog niet bij. Dus gaan we weer lopen.
We hebben een kinderkarretje gekregen omdat het rugzakzitje te klein werd. Hij alleen gaat wel, maar er moet ook nog allerlei bagage aan gehangen worden. Daar is dat ding niet op gemaakt. Ter hoogte van Arnhem merken we dat het karretje ook niets is, er komt steeds meer ruimte in de wielen en op modderige bospaadjes moet hij er steeds uit en draag ik die kar.
Hoe moet dat straks als we naar ruwere lange afstand paden gaan in Pyreneeën of zo? Wachten tot hij kan lopen met z'n eigen bagage? Dat zien we niet zitten. Dan zit hij ook op school te leren hoe hij zich dient te gedragen, met zes weken vakantie dus geen tijd meer om te leren wat leven is. Ik reis naar Arnhem heen en weer om een kinderzit te kopen die steviger is zodat er ook bagage aan en in kan. Dat gaat al weer beter.

We verwonderen ons over de vele mooie stukken waar we doorheen lopen, maar ook de aantasting daarvan door de 'welvaart' en platte lol ontspanning in zoiets als Slagharen. En we worden weer eens met onze neus op de vervreemding in deze samenleving gedrukt als we ergens verpletterend nat geregend aankomen bij een schuilhut midden in het bos.
Zo'n schuilhut bestaat uit een driehoekig dak met twee wanden en banken. We zetten de tent op, net even het bos in en beginnen alle doornatte kleding onder het dak te hangen om een klein beetje te drogen. Daarna maken we eten terwijl Orian zich in zijn blootje vermaakt onder de straaltjes water die van het dak lopen. Warm gewreven gaat hij de slaapzak in en wij zetten koffie onder het afdak. Een stuk verderop zien we een paar mensen in regenjassen een hond uitlaten. Ze zien ons niet, geloof ik. Helaas is Orian het er niet mee eens dat hij moet slapen en begint te huilen, we proberen net te doen of de mensen niet bestaan en troosten Orian in slaap.
Even later staat er politie voor ons. Het blijkt dat die mensen hadden doorgegeven dat er een kind ligt te huilen in een tentje. In plaats van zelf te komen kijken wat er aan de hand is en vragen of alles goed is, bellen ze de politie.
De twee agenten zijn dit keer vriendelijk. De stortregen en het slapende kind zullen daar wel aan meehelpen. De jongste van de twee moet nog wel even aan de oudere laten blijken dat hij de regels kent door ons te sommeren morgen voor zonsopgang vertrokken te zijn. We hebben heerlijk geslapen. Het was de enige vervelende ervaring met het 'wildslapen'.

De rest van de voettocht wordt gekenmerkt door onweersbuien, veel regen, af en toe zon, mooie natuur, rust en gedachten die al lopend verwerkt worden. We komen in Stokkum (vlakbij de Duitse grens) en gaan op een camping staan voor een paar dagen. Het is tijd voor overleg omdat het bijna half augustus is en ik weer naar Rotterdam moet. We zijn nu drie maanden onderweg en willen eigenlijk wel verder. Het liefst blijf ik doorgaan en bij Maastricht de GR-5 volgen naar Nice, maar dat is even niet reëel en we besluiten het deze keer voor gezien te houden. Door het slechte weer zijn we te vaak genoodzaakt geweest campings op te zoeken, cafés in te gaan om een beetje te drogen of warm te worden dus wordt er veel te veel geld uitgegeven. Ondanks dat de kalender aangeeft dat het hoog zomer is gaan we de wintergrot weer opzoeken.

Als we in Rotterdam zijn wordt het mooi weer en dat blijft het lange tijd. Ondanks (of dankzij) mijn gekanker zie ik het leven meer dan ooit zitten. Ik denk zelfs dat ik het leven heel erg zie zitten en daarom zo fel reageer op alles wat dat leven aan het vernietigen is.

[bewerken] Frankrijk/Pyreneeën/GR 10: Hendaye – St.Jean Pied de Port

De haven van Hendaye.

Het is 12 september 1988, negen uur in de avond als we midden in Hendaye staan en ik me realiseer dat het weer goed mis is.
De thuis uitgezochte camping vlakbij het station bestaat niet meer of kunnen we niet vinden en we lopen zweetbadend wegens de drukkende hitte in een enorme boog te zoeken. Onze zoon heeft in de trein geslapen dus die houdt het wel even vol.
Eindelijk na vele kilometers en een paar uur zoeken, alles is uitgestorven hier op wat hoteltoeristen na die niet veel verder hebben gekeken dan kamer, strand, bediening en bar en ons dus ook niet kunnen helpen, stopt een vrouw met kindje op de achterbank. Ze rijdt ons in een scheurend tempo in haar oude eend naar een camping. Een goede les voor de volgende keer? Misschien een stop in Parijs? Dan kan ik ook gelijk uitzoeken hoe het nou eigenlijk werkt met die metro want deze keer was er niet zo'n beste ervaring.
Van eerder reizen wist ik dat er geen treinen door Parijs rijden en dat je vanuit het noorden aankomt op station Du Nord en weer verder kan naar het zuiden via station Austerlitz. Het tussenliggende stuk moet je per bus of metro afleggen. Je hebt daar zo'n anderhalf uur de tijd voor. Dat lijkt genoeg en is het ook, als je weet hoe het werkt.
Ik stond voor een enorme wand met kaartautomaten. Geen loket te zien in de wirwar van ondergrondse gangen. Losse munten voor de automaat heb je natuurlijk niet, je weet niet eens hoe die krengen werken. Dan duikt een behulpzame man op die me, snel en handig wat knoppen indrukkend, laat zien hoe het werkt en wat de kosten zijn. Zonder dat ik het in de gaten heb heeft hij de verste en dus duurste route ingetoetst. Ik geef hem het bankbiljet en hij heeft 'toevallig' een heleboel klein geld bij zich wat hij in de gleuf stopt. De kaartjes komen tevoorschijn en nog eens haalt hij de truc uit om te laten zien dat het klopt zodat je niet op het idee komt naar de prijs op het kaartje te kijken. Met mijn ogen nog verblind door alle knipperende displays geef ik een fooi voor de moeite.
Dan verschijnt er, na wat gangen die zich zodanig kronkelen dat je alle gevoel voor richting kwijt bent, een soort ijzeren gordijn met stalen poorten en klaphekken. Kaartjes in de gleuf en zoevend worden ze tussen je vingers uit getrokken om zoevend uit een andere gleuf tevoorschijn te komen. Verder gebeurd er niets, tot je ziet dat anderen hun kaartje uit die gleuf trekken waarna het hek open klapt en je snel moet zijn om niet met rugzak en/of kind klem te zitten. Als ik in de overvolle, benauwende metro heen en weer sta te zwiepen realiseer ik me dat zo'n relatief korte rit wel erg duur is. Ik loer op het kaartje en zie dat ik vijfhonderd procent teveel heb betaald aan de hulpverlener. Volgende keer ga ik dus als een echte Parijse inwoner, zonder rugzak, maar met alpinopet en een oudbakken stokbrood kijken hoe het werkt. De eerste die aanbied te helpen geef ik een dreun op z'n kop met het keiharde brood.

Na een paar dagen camping in Hendaye om te klimatiseren, een wandeling langs de oceaan om de spieren los te maken, gaan we met nog steeds te zware rugzakken op pad. Wel loopt Orian inmiddels kleine stukjes en dan hebben we de luxe van twee rugzakken die net boven de twintig kilo uitkomen, maar als hij op mijn rug moet is het sjouwen geblazen. Gelukkig hebben we zoals altijd geen haast.
Het gaat in een flinke klim naar boven. De ijle lucht (of zijn het de vele sjekkies) doet ons iedere vijfentwintig passen hijgend stilstaan. Na honderden meters klimmen dwingen dreigend donkere onweerswolken en een eerste druppel tot stoppen. Eerst denken we nog, gehuld in de regencape, verder te gaan, maar een redelijk vlakke paar vierkante meter en steeds grotere druppels zijn tenslotte niet te verwaarlozen en in recordtijd is ons bivak opgebouwd.

Mooi weer.

Nog maar net zitten we in de piramidetent (de bivakhut was helaas verloren gegaan) of een vliegende storm met hele harde windstoten steekt op. De enige tentstok in het midden buigt zijn rug naar de wind. Overal om ons heen boren vuurschichten zich in bomen en bergwanden, hagelstenen ter grote van knikkers teisteren het tentdoek. Een eenzaam tentje in een inferno van natuurgeweld.
Mijn vriendin is bang dat de tent de lucht in vliegt of de stok knapt. Dat eerste lijkt me wel wat want dat betekent dat we meevliegen en het tweede maakt me niet uit, dan zoek ik wel een boomtak. Ik kan haar nauwelijks overtuigen dat een tent met zo'n honderdvijftig kilo erin niet zomaar wegvliegt en dat ik de boel platgooi als het te erg wordt. We zullen dan weliswaar wat natter slapen.
Orian en ik liggen op onze buik in de slaapzakken te genieten, hij klapt in zijn handen voor de grootste flitsen en roept 'boem-boem' bij elke donderslag. Hoewel het natuurlijk wel een beetje gevaarlijk is denk ik dat hij in de stad meer risico loopt in een rolstoel terecht te komen. Hier kun je hooguit dood gaan als de bliksem in de tentstok slaat. Zelfs zijn moeder ziet dat uiteindelijk in.
De hele nacht gaat het door, we zullen een paar keer wakker worden van het klapperend tentzeil, aankondiging dat de depressie, door de bergtoppen terug gedreven, weer overkomt.

De volgende morgen is het droog, heet en superblauw. Steeds verder klimmen en soms een stukje dalen. Het uitzicht is overweldigend. Dan lopen we een dorp binnen in de verwachting iets te eten te vinden. Antiekwinkels, een school, een restaurant en wat huizen, maar geen voedselwinkel. Hierna komen we een aantal dagen niets meer tegen dus daar gaat onze kostbare, in Nederland ingeslagen droogvoer noodvoorraad.
We gaan het hotel-restaurant binnen en stoppen ons 'vol' geroosterd stokbrood met boter en koffie, weten nog twee stokbroden over te kopen met zielig kijken en met twee volle waterzakken begeven we ons weer op weg om te zien wat het lot ons brengt. Naar verwachting is er tot Sare geen bevoorrading meer en ik heb optimistisch uitgerekend dat we daar drie dagen over lopen. Gelukkig zijn er onderweg bergbeken genoeg, dus water is geen probleem en het droogvoer gaat op rantsoen.
Later blijkt dat we er zes dagen over gaan doen om Sare te bereiken. Onze bagage weegt nu, Ukkie meegerekend, vijfentwintig en dertig kilo en het pad wordt steeds steiler. Er is zelfs een stuk bij waarvan ik me later zal afvragen waarom we niet zijn terug gegaan. Waarschijnlijk een stuk van de gemarkeerde route afgedwaald en we komen op een schapenspoor met ernaast een honderd meter diepe afgrond. Het pad bestaat uit wat grote keien die een opstap hebben van 30-40 cm, dat boven je macht is met dit gewicht. Al snel raken we moe wat bloedlink is omdat je dan makkelijk uit balans raakt. Met maximaal vijftien kilo op je rug zou dit te doen zijn, maar in onze situatie, met een af en toe bewegende Orian op mijn rug is waanzin.
Ik bind een touw om zijn middel en laat hem zelf klauteren. Stukje bij beetje vorderen we tot we de markeringen weer tegenkomen. Die nacht bivakkeren we doodmoe aan een klein meer waar we ons tegen beter weten in de luxe veroorloven een dag te blijven staan. We kunnen gewoon even niet verder. Dan komen er andere wandelaars langs die vertellen dat er winkels zijn op de Col 'de Ibardin.

Als we weer op weg gaan is de stijging een stuk minder zwaar met de wetenschap dat voedsel op ons wacht.
Boven op de Col blijken er een stuk of twintig restaurants, bars en winkels te zijn. Wat een kermis. Dit ligt op de Spaans-Franse grens en vooral massa's Fransen komen hier goedkoop drank en sigaretten inslaan. In de Franse bedrijven werken dik onderbetaalde Spaanse mensen en er rijden auto's af en aan. Ook zijn er nog een draaimolen en wat broodjestenten. Nergens vinden we luiers, behalve hele kleine dus dat wordt weer de twee katoenen die we mee hebben uitspoelen, maar wel wat brood en een paar pakjes soep. We gaan maar uit eten.
De vriendelijke Spaanse bediening begrijpt onmiddellijk onze vegetarische behoefte en buiten de menukaart om krijgen we een enorme berg patat, rijst en salade. Zoveel dat we het ondanks ons uitgehongerd gevoel niet op krijgen. Met een flesje wijn, koffie en ijs krijgen we de rekening. Totaal twintig gulden. Verwonderd kijken we op de kaart naar de menu's die allemaal boven de twintig gulden per stuk liggen, maar die gaat ook uit van een lap vlees met wat toebehoren. Toch heb ik het gevoel dat we een beetje gematst worden als het dienstertje naar me knipoogt en Orian over zijn krullen aait.
Een stukje verder in een rustiger omgeving laten we de calorieën even hun weg in onze lichamen vinden. Er komt nu zo'n steil stuk dat ik eerst met de rugzak van Marja naar boven klim en dan weer naar beneden ga om de mijne op te halen. Orian klimt vastgebonden aan de twee meter touw zelf naar boven. Er komen verder geen enge, maar wel nog een paar zware stukken.

Na een overnachting langs een hek bij de grens en een beekje, gaat de route via een piepklein stukje Spanje. Even rust op een mooie bergweide met uitzicht naar alle kanten, zodat je weet waarom je dit doet en eindelijk eens een stuk omlaag.
Bijna lopen we verkeerd, maar komen toch op een plek waar we een paar dagen willen blijven. Kampvuur mogelijkheid, beek en een dorp vijf kilometer naar het noorden. Wel een eind lopen, maar terwijl Marja alle was doet en Orian zich in de beek vermaakt, ben ik een dag bezig met heen en weer lopen, kom terug met een rugzak vol eten en drinken en we zitten bij het vuur nog lang te genieten. Het zijn deze tegengestelde extremen die je laten voelen dat je leeft.

Uitgerust verder. Helemaal fit voelen we ons nog niet want door de grote temperatuurschommelingen zijn we een beetje hoesterig en verkouden, maar overal groeit braamblad, weegbree, pepermunt en citroenmelisse voor T-tjes.
We stijgen weer flink en hebben, op zo'n zevenhonderd meter hoogte, jammer genoeg niet veel lol van het uitzicht door een dikke mistdeken. Alleen aan onze linkerkant een steil oprijzende rotswand en vaag vooruit door de slierten mist heen zien we de meer dan negenhonderd meter hoge top van de La Rhune.

La Rhune.

Het wordt nu snel donker en even vrees ik dat we hier op dit smalle bergpad waar de tent niet kan worden opgezet zullen wegspoelen, maar het blijft droog tot we in een, door zure regen aangevreten, bos komen een kilometer of zes voor Sare. Nauwelijks staat de tent of er komt weer een heftige storm opsteken begeleid door onweer. Het ziet er allemaal spookachtig uit. De kale boomstammen, de vele omgevallen bomen, rotte takken, de zwiepende wind, de fundering van wat ooit een huis moet zijn geweest, de bellen van overal rondzwervende paarden die beschutting zoeken, de regenvlagen die kletterend op het tentdak neerplenzen. Dat is natuurlijk ook best spookachtig, maar eenmaal vroeg in de warme slaapzakken klinkt het allemaal als een prachtig gecomponeerd slaaplied.

De volgende morgen is het weer droog alleen de tent niet, dus die weegt weer wat zwaarder. Op naar Sare, er blijken grotten in de buurt dus…
Busladingen mensen, de tafels in de reisorganisatie bevriende restaurants staan al klaar. Uitstappen, koffie, maaltijd, kaartje kopen en een snelwandeling langs de prehistorische grotten met zoemende en klikkende camera's en thuis vertellen dat de reis 'zo keurig verzorgd was' waarbij je hoopt dat je toehoorder niet in de ploeg van kwart over twaalf zat want dan kennen ze je dia's al. Nou ja, het is weer eens wat anders dan met z'n allen naar dezelfde TV-omroep kijken die je het gevoel geeft deel uit te maken van de grootste familie van Nederland. Wij hebben behoefte aan een warme douche en gaan naar een camping, twee kilometer zuidelijker. Die avond staat er één caravan en één kampeerauto. De volgende dag gaan ze weg en is de camping van ons.
In het hotel in de buurt, waar een bordje ons naar verwijst, vertellen ze dat we maar langs moeten komen als we weg gaan. Eigenlijk is de camping gesloten, maar 'no problem'. Voor een klein bedrag wordt er een douche en wc voor ons schoon gehouden, er is warm water en uiteindelijk staan we hier vijf nachten. We wandelen in de omgeving, koffie in dorp of het hotel, lekker uitrusten. Bestudering van de kaart laat ons besluiten om tot Ainhoa de GR-10 te volgen om daarna een alternatief te kiezen via Itxassou, Bidarray, St.Etienne, Irouléguy naar St.Jean Pied de Port waar we een trein terug kunnen nemen naar Nederland.
De GR10 wordt daarna te zwaar met toppen van meer van 1000 meter en grote afstanden zonder kans op eten. Dan moet Orian eerst zelf meer kunnen lopen (hij gaat met 'sprongen' vooruit) zodat we voor meer dagen voedsel mee kunnen sjouwen. Het water lijkt in de Pyreneeën geen probleem, overal zijn stromen en beken en tot op heden nemen we alleen (kraan)water mee voor Orian.

Zoals altijd weer te laat op weg gegaan. Voordat alles is ingepakt, we zijn gewassen en hebben ontbeten is het alweer negen uur en wordt de hitte merkbaar. Het is inmiddels 28 september maar dat neemt niet weg dat het, als de zon schijnt, 25-30 graden wordt. Wel is de temperatuur als het bewolkt is of regent een flink stuk lager en komt met moeite boven de 10°C, vandaar die verkoudheden.
Snel een kop koffie in Sare en boodschappen doen voor onderweg. Het wordt inderdaad tegen de 30°C en menig zweetdruppel verdampt op weg van lichaam naar aarde. Wel schieten we flink op en tegen een uur of zes bereiken we een bos met riviertje vlak voor Ainhoa. Ik zet de tent op en Marja gaat op jacht naar eten. Dan valt de eerste druppel alweer en het wordt niet meer droog voor de volgende ochtend.

Wakker worden in een dampende tent, de zon staat al te branden en het is twintig graden. De natte spullen stomen droog, we hebben genoeg eten, dus morgen verder al zal het dan wel weer regenen (zei de optimist). Orian gebruikt me als trampoline bij gebrek aan de huiskamerbank. Zijn twee meegenomen Playmobile poppetjes John en Alex (ik en zijn halfbroer dus) slapen in een bedje van een leeg Gitanes sigarettendoosje, hij legt de meest ingewikkelde knopen in veters en scheerlijnen, speelt met stenen en water en in elk gaatje woont een muis. Als ik vraag of hij er al een heeft gezien krijg ik als antwoord dat je ze niet ziet omdat ze slapen of eten aan het zoeken zijn. Hij vertelt ons elke avond voor het slapen gaan een verhaaltje en vindt Frankrijk maar niks omdat ze geen appeldiksap hebben.

In Ainhoa hebben we de gebruikelijke koffie/boodschappen pauze en dan vinden we de regionale route in noordelijke richting. Als snel beginnen we te twijfelen omdat de route ontzettend slecht is gemarkeerd en onze kaart van 1:50.000 aardig nauwkeurig is maar niet goed genoeg om precies te bepalen waar je bent.
Een kilometer of vier na Ainhoa slaan we voor de eerste keer een verkeerd pad in. Na twee kilometer zegt mijn gevoel 'nee' en wat oriëntatie met bergtoppen en kompas bewijst inderdaad dat we fout zitten. Terug!
Hierna gaat het wat beter al komt dat door nauwgezet met je neus op de kaart lopen, de markeringen zijn minimaal. We hadden geschat een uur of vier bij een stuk bos aan te komen voor het bivak. Om halfzes blijkt dat we alweer een kilometer op de verkeerde weg zitten.
Dat is niet zo erg maar nergens een klein vlak stukje voor de tent behalve op deze geasfalteerde weg, dat kan niet zonder gevarendriehoek. Een kilometer terug dan maar. Ja hoor, dit weggetje en dan… Tot onze verbazing staan we weer op de autoweg. Dan die maar volgen, rechts en links prikkeldraad, nergens een afslag. Om halfzeven komen we in Espelette en weten dus waar we zijn. Over een uur is het donker. In een café waar we bijna besluiten een hotelkamer te nemen horen we dat drie kilometer verderop in Souraide een camping is en acht uur zijn we daar. In het halfdonker de tent opzetten lukt ons inmiddels wel en al zijn we kilometers uit de koers, we slapen heerlijk.

Een paar honderd meter vanaf de camping gaan we koffie drinken in het dorp. Een big mamma met brede glimlach vraagt of we grote of kleine koppen koffie willen. Na gisteren hebben we wel trek in grote. Twee enorme soepkommen uit haar privé voorraad (hoewel haar huiskamer en keuken gewoon deel uitmaken van de uitspanning) zijn het gevolg en (het smaakt wel erg lekker) we zijn zo dom om er nog twee te bestellen op onze nuchtere magen.
We vragen of we bij haar vegetarisch kunnen eten. Raar toch, ik heb in vele eetgelegenheden die een nette menukaart en ober hebben vaak problemen met het feit dat ik geen dode beesten wil eten. Ofwel ze begrijpen het nooit, vragen of kip wel 'mag' of het 'kan niet omdat het niet op de menukaart staat' maar ook deze topkokkin vraagt of we patat lusten en boontjes, ze kan er ook wel salade bijmaken en eten we wel eieren?
Zo wordt gezamenlijk een maaltijd samengesteld en krijgen te horen dat om halféén haar keuken opengaat. Misschien kost het wel al onze spaarcenten, maar daar maken we ons op dit moment niet druk meer om. We gaan een wandeling maken en een beetje misselijk van de plas koffie (die we straks maar gelijk moeten betalen, hè, misschien komen we niet meer terug, gratis koffie toch Hollanders, natuurlijk komen we straks terug!) staan we op. De laatste tijd drinken we hooguit twee kleine kopjes en niet eens elke dag.
Om halfeen staan we uitgehongerd voor de deur. Ze heeft de tafel zo leuk voor ons gedekt alsof we worden onthaald als lang weggebleven reiziger*s. Eigenlijk is dat natuurlijk ook zo en ik bedenk me dat ik dit soort gastvrijheid elke keer weer tegenkom in Baskenland, Sicilië en de Griekse eilanden.
Er staat een fles wijn, broodjes met boter. Het wordt niet opgedrongen, maar als je wilt, ga je gang. Al snel komt er een berg friet, een schaal boontjes, erwtjes, peentjes, salade en een enorme omelet bij te staan. We schransen er op los tot we ploffen en na een kopje koffie (nee, geen grote dit keer) en een stuk van de plaatselijke Baskiese koek kunnen we bijna niet meer bewegen. We herinneren haar aan de koffie en limonade in de ochtend en ze knikt dat ze dat wel weet. Bijna voorzichtig vraagt ze of we tien gulden per persoon kunnen betalen!
De rest van de dag brengen we door met luieren en een beetje rondwandelen, tot meer zijn we niet in staat en dat hoeft ook niet. Eigenlijk waren we van plan morgen weer verder te gaan, maar we blijven nog maar een dag.

Twee dagen later om halfvier zitten we weer aan het tafeltje van hetzelfde café. Zelfverzekerd hebben we vanmorgen de veters strak aangetrokken om via dit dorp en een stukje weg richting Itxassou de route weer terug te vinden en bij een klein schooltje linksaf de bergen in te gaan.
Volgens de kaart was enkele kilometers verder een bos en water dus werd dat het doel. Orian wilde zelf lopen en we daalden het paadje naast de school af dat bestrooid was met steengruis. Hij gleed onderuit met zijn achterhoofd over het gruis. We schrokken ons rot. Het zag er erg eng uit, een gapende spleet vol steengruis. Met hem in mijn armen renden we terug naar het schooltje en er werd een arts gebeld. Orian stond met zijn wond in het middelpunt van de belangstelling bij de schoolkinderen en hij onderging alles heel rustig. Of dat een fout of een goed teken was durfde ik op dat moment niet te zeggen, zijn wond bleef maar bloeden.
Er was maar één lokaal met een juf die alle kinderen van een jaar of vijf tot twaalf begeleide, hoewel ze elkaar ook hielpen. Het kwam op me over als een gezellige boel met overal tekeningen en speelgoed en een juf die alle vragen op het juiste niveau beantwoorde over wat er was gebeurd.
Als de arts er is en de wond schoonmaakt stelt hij hechtingen voor omdat het een grote barst is. Kijk dat is praktijkonderwijs, de dokter vertelt aan de kinderen van groot tot klein wat hij gaat doen en waarom. We rijden met hem mee en tot onze opluchting eens een keer een huisarts die niet in lachen uitbarst bij het woord 'klassieke homeopathie', maar zegt dat hij een verdoving ook niet aan zal raden, omdat de prikken daarvan net zo pijnlijk zijn als de hechting zelf en geen chemische stoffen gaat inspuiten als dat niet strikt noodzakelijk is.
Dan durven we te vragen of Orian zo rustig is vanwege de schok of door het homeopathisch middel wat we hem direct na het vallen hebben gegeven. Hij bekijkt het buisje en mompelt goedkeurend. Het blijkt dat er hier heel normaal over de, in Nederland volgens velen, 'kwakzalverij' wordt gedacht.
De hechtingen gaan erin en Orian zegt 'au, dat prikt'. We moeten erom lachen omdat hij tot nu toe nog niets heeft gezegd. De arts zegt dat hij door het middel van ons straks wel in slaap zal vallen, wat prompt gebeurt en we zitten nu weer bij big mamma die ons in een paar makkelijke fauteuils heeft gedirigeerd te wachten tot hij wakker wordt.
Wel een beetje eng, hij ademt heel stilletjes en is duidelijk ver weg. Als hij nog maar wakker wordt, flitst dan door je heen. Een uur later is het zover en hij kletst gelijk honderduit over zijn belevenis. Alles goed dus en we gaan terug naar de camping. In principe voor één nacht als er geen rottige dingen gebeuren met hem. Als vergoeding voor de schrik gaan we maar weer uit eten en met het grote witte verband rond zijn hoofd trekt hij alle aandacht.
Als hij bij een ijsje toe zegt dat het lekker is, vraag ik of hij dan morgen weer gaat vallen. Met een verontwaardigd gezicht zegt hij 'ikke ben al evalle' en even later trekt hij met zijn vinger een spoor in het ijsje en zegt 'paadje, kan je afglije'. Dát heeft hij weer geleerd, en ik ook trouwens.

Zonder problemen lopen we het eerste stuk weer en leggen een brok steen naast het paadje als dank aan de berggoden dat het goed is afgelopen. Weer komen we er met onze te grove kaart en de ontbrekende markeringen niet uit. In Espelette wilden we een 1:25.000 kaart kopen, maar die waren uitverkocht.
Om een uur of vier zetten we de tent op, na de grond vrij gemaakt te hebben van overal rondslingerende kastanjes. Bij een vuurtje proberen we de natte kleding te drogen en poffen de kastanjes. Volgens Orian heten die dingen sjittepitte en dat ben ik volledig met hem eens als later blijkt dat het grondzeil is geperforeerd door een paar van die, tussen het gras verborgen krengen die ik ook nog naar bedorven marsepein vind smaken.

De volgende dag is er geen spoor van de route te bekennen. Een paar keer fout lopen, van aardige Basken druiven krijgen, weer fout lopen. We besluiten af te wijken en een stukje grote weg te nemen naar Ixtassan.
De enige winkel daar is gesloten wegens vakantie en dus door naar Kambo, een paar kilometer verder naar het noorden. We willen een week eerder terug dan gepland. Inmiddels zijn we zover van de GR10 en Kambo is een plaats die op onze treinroute ligt, dus verder gaan is niet zinvol. Verder moeten de hechtingen van Orian er over een week uit en dat is ook praktischer in Nederland. En, ook niet onbelangrijk is dat het ons weer eens gelukt is ruim boven het begrote geld uit te stijgen, zodat er eigenlijk niet nog een week vanaf kan.

Cambo les Bains Panneau bilingue.jpg

Dan komen we toevallig(?) op de goede plek terecht. Camping 'Ur Hegia', ongeveer één kilometer ten noorden van het station in de wijk Bas-Kambo. Als we de receptie/winkeltje/kantine (wie weet waar deze ruimte nog meer voor dient) binnengaan blijkt er niemand te zijn en we gaan een plekje zoeken voor de tent. Leuke, rommelige camping, een beek, verschillende vuurplekken, veel begroeiing en vooral lekker rustig.>br/> Als we later naar de receptie gaan en aan een tafeltje gaan zitten om wat te drinken gebeurd er lange tijd niets. We kletsen de tijd voorbij en een half uur later komt een man binnen, die hallo zegt en zich verontschuldigd omdat hij boodschappen moest halen. Het vertrouwen dat niemand tussentijds de kas of winkel plundert is dus groot en dat bevalt me wel.
Na een praatje, waarbij we ons steeds meer op ons gemak voelen, ook al omdat hij vraagt waarom we nog niets te drinken hebben gepakt (zo werkt dat hier, je schrijft op wat je pakt en het betalen komt wel goed) vertelt hij over een gezamenlijk maaltijd op zaterdagavond als afsluiting van dit seizoen. Iedereen die mee wil doen lapt twintig gulden (Orian eet gratis mee) en daarvoor wordt eten en drinken gekocht voor een feestelijke avond. Het lijkt ons een leuk idee, maar als ik alles op een rijtje zet zie ik dat we echt nog maar voor drie dagen geld hebben en ook de camping nog moeten betalen. Hij accepteert dit gegeven direct en vindt het wel jammer.

In de middag staat Marja met Orian in de wasruimte als hij aan komt lopen met een in Frankrijk getrouwde Nederlander, die ook op deze camping staat. Die vertelt ons dat wij zijn uitgenodigd op kosten van de andere kampeerder*s. Soms geloof je echt niet dat zulke dingen nog bestaan.
De avond zelf is moeilijk te beschrijven voor een inwoner van calvinistisch Nederland, de warme gezelligheid druipt er vanaf. Als ik in de saus voor de couscous halve kippen zie drijven, bedank ik hiervoor en vertel dat ik vegetariër ben. De kip wordt er onmiddellijk uit gevist met de mededeling dat de hond me daar dankbaar voor is, no problem. Dat de saus nog wel naar kip smaakt, neem ik deze keer maar voor lief.
Zijn vrouw is er niet bij omdat ze zich niet lekker voelt en die is volgens hem de enige ingewijde van de plaats van het slabestek, dus sorry en hij begint met zijn grote kolenschophanden de salade te mixen en verdelen. We moeten goed opletten dat onze glazen niet te leeg worden want naar goed Baskisch gebruik wordt er meteen bijgevuld.
Een beetje aangeschoten en propvol heerlijk eten kruipen we naast de slapende Orian die we eerder al in de tent hebben gelegd onder het wakend oog van een paar mensen die wel mee gegeten hebben maar daarna naar hun tent zijn gegaan.

De laatste dag gebruiken we om uit te slapen, een beetje te wandelen en alles voor te bereiden voor de terugreis. Om zeven uur staat er alweer iemand bij de tent te vragen of we meegaan naar het wekelijks en deze keer laatste aperitief. Officieel een gratis glaasje om het sociale contact te vergroten, maar het glaasje betekent eigenlijk een onbestemde hoeveelheid.
Van de Nederlander horen we dat dit allemaal gebeurt omdat de eigenaar geen gewone camping wil zijn. Hij ziet graag dat zijn gasten betrokken bij elkaar en het terrein zijn en niet als van elkaar vervreemde wezens, waar nauwelijks een schuchter good morning vanaf kan, langs elkaar heen leven. Niet opdringerig, vrijheid blijheid, maar hij zorgde voor de gelegenheid waar je gebruik van kon maken als je dat wilde.
Dat had tot gevolg dat veel mensen elke keer terugkwamen, de camping goedkoop was omdat alles werd opgeruimd door de kampeerder*s zelf en dat wij bijvoorbeeld van mensen die weg gingen en spullen over hadden van alles kregen. Vandaag nog een zak vol eten en een ander zegt dat hij ons wel met de auto naar het station zal brengen. Zes uur opstaan? No problem, mijn vrouw houdt het bed wel warm, zegt hij lachend.

Om kwart voor zeven staan we klaar op het station van Kambo voor een reis die volgens het schema tot vannacht een uur of twaalf gaat duren. Iets over zevenen komt de elektrische trein die via St.Jean Pied de Port (waar we gedacht hadden naar toe te lopen) naar Baritz gaat.

Saint Jean Pied de Port.

Een wat latere trein was er niet zodat we nu van acht tot halftien moeten wachten op de trein naar Parijs. De reis verloopt spoedig en door ons één uur wisselsysteem als oppas voor Orian kunnen we door tukjes iets van ons slaaptekort inhalen. Hij vermaakt zich met een paar boekjes, de poppetjes, lege koffiebekertjes en een dosis fantasie.
Een uur of drie zijn we in Parijs en we bedenken wat we moeten doen in de vier uur die we nu moeten wachten. Eerst maar met de metro, bij de ingang staan weer de kaartjes verkopende afleggers (het valt me op dat er nu veel meer actief zijn) maar mijn onheilspellende blik is dit keer waarschijnlijk veelzeggend. We kopen zelf kaartjes, nadat we toch loketten vinden in een van de ondergrondse gangen en zijn nu in totaal nog geen vijf gulden kwijt. Weer de enge hekjes door, we weten nu de weg.
Gelukkig zijn we zo slim om op Du Nord te kijken naar de treintijden en zien dat, behalve de aan ons aangegeven trein om zeven uur, nu ook een trein gaat. Over een paar minuten! Rennen! We halen het en zo lopen we al om halfelf door Den Haag naar huis. Orian heeft nog steeds geen slaap, zegt hij. Alles is natuurlijk veel te spannend, maar eenmaal in zijn eigen bed vallen zijn ogen dicht. Wij zitten nog een tijd na te kletsen en plannen te maken voor de volgende reis.

[bewerken] Nederland: Overpeinzingen in een stacaravan

De vrije tijd voor het maken van reizen is veel te weinig voor zo'n zwaar onderbetaalde staatspuinhopenopruimer als ik. Het is alweer januari en eigenlijk waren we van plan toch echt volgende maand weg te gaan, maar eerst moet er nu maar een goede houtkachel worden aangeschaft omdat het aan alle kanten lekkende kookkeukenkacheltje meer warmte verliest dan afgeeft.
Verder was het rood opgezette oor van onze zoon geen muggensteek zoals we in de Pyreneeën dachten, maar liep uit op een vrij ernstige oorontsteking. De huisarts –met bijscholing op Dr.Vogel homeopathie, het was niet meegevallen er een te vinden die niet een dogmatische allopathie hanteerde- wilde hem volproppen met een spuit antibiotica zonder overleg met ons en we kregen ruzie toen ik hem vroeg wat hij ging doen.
Na overleg met onze klassiek homeopaat gaven we hem Pulsatilla. Een paar uur later zag ik al verandering. Drukker, levendiger en hij wilde weer drinken dat hij nauwelijks meer deed. De koorts liep op om te knokken tegen de stoute beestjes en de volgende dag was hij een stuk beter. Enkele dagen later gingen we voor controle naar de huisarts. Vol ongeloof (ja ik weet het, allemaal kwakzalverij) constateerde hij dat het over was en wij vertelden dat we op zoek gingen naar een andere arts.
Al met al, het leven gaat door.
'Overpeinzingen in een stacaravan', het zou een titel van een boek kunnen zijn. Nu eens niet met een lekkende pen en een bloknootje op mijn knieën, maar schrijven op een echte draagbare schrijfmachine met naast me achttien grenenhouten keukenkastdeurtjes en weermannen op de televisie die er weer volledig naast zitten. Die achttien deurtjes zijn onderdeel van de inrichting in de keuken van een, voor twee weken gehuurde enorme stacaravan in Boekel, Noord-Brabant en ik vraag me telkens verbaasd af hoe het komt dat we hier zitten. Het is maart, dus nog te vroeg voor lentekriebels. Waarschijnlijk moesten we gewoon even weg, al zijn de Pyreneeën nog een heel stuk verder. Maar waarom dan niet in een beetje leuke motorhome?

Huis op wielen.

Die verdomde kastdeurtjes zien er allemaal gelijk uit zodat ik steeds in het verkeerde kastje de muesli zoek, vooral omdat ik vóór een stevig muesli ontbijt en een halve liter koffie mijn hersencellen niet op een rijtje kan krijgen, denk ik te weten dat, dankzij repeteeroefeningen tot laat in de avond, het linksonder het derde deurtje van rechts is. Mis. In mijn nachtelijke droomavonturen –verwerkingsproces van de stress- pletter ik alles weer door elkaar omdat ik deurtjes tel om in slaap te komen en me wanhopig lig af te vragen hoe een schaap er uitziet.
Dan maar naar buiten kijken of de weerman gelijk heeft. Afhankelijk van mijn stemming vind ik het leuk als het regent, droog is, hagelt, sneeuwt, heet is, stormt of de zon schijnt. Wel vind ik het laatste meestal iets leuker. Misschien doen een heleboel vrouwen het ook wel op deze manier, naar buiten kijken bedoel ik, want het is nu 1989 en ik zie nog steeds geen weervrouw op TV.
Mijn gedachten gaan naar die vele mensen die hun leven laten bepalen door weermannen die, handenwrijvend (let maar op) staan te verkondigen dat moeder natuur zich alweer niet aan hun voorspellingen heeft gehouden. Hele volksstammen zitten tandenknarsend te zuchten omdat 'het morgen jammer genoeg geen mooi weer wordt', vooral als ze 'morgen' niet moeten werken.
Mooi vind ik als ik door een vlakte loop en een koud striemende ijsregen pegels in m'n haren maakt.
Mooi vind ik in storm en neerstortende regen een tent proberen op te zetten en ik mijn krachten moet meten met het natuurgeweld.
Mooi vind ik de inktzwarte wolken die in de bergen samenkleven en de toppen die door de mist worden ingepakt.
Mooi vind ik de keiharde zonnestralen die een gevecht aangaan met de onweersgoden en een twee/drievoudige regenboog ontstaat.

Dreigende schoonheid.

Het zal mij een rotzorg zijn waar die of die depressie of dat of dat hogedrukgebied vandaan komt, het is er voor, met en bij mij. Nog minder belang hecht ik aan het weten wat voor weer het aan de Costa Brava is als ik aan de andere kant van Europa loop te genieten.
Dat het voor KNMI aanbidder*s anders werkt bleek afgelopen week. Net voor Pasen werd vanaf de beeldbuiskansel de minder blijde boodschap verkondigd dat de bedevaart naar de verschillende lolparadijzen dit weekend wel eens in het water kon vallen. Het zou niet al te 'mooi' weer worden. Natuurlijk in voorzichtige bewoordingen anders staat gelijk het hele consumeerkapitalisme in de amusementssector stil omdat iedereen het ganzenbord herontdekt. En als er geen benzine wordt getankt voor het in file voortbewegen naar hemelse oorden kan Shell zijn ontwikkelingswerk in arme landen niet voortzetten. De alternatieven zijn beperkt voor een 'minder mooi' weekend, maar je moet wel wat, naar Rotterdamse beestenstrafkamp Blijdorp (alleen de naam al) dan maar.

[bewerken] Engeland/Cornwall Coast Path: Penzance – Perranuthnoe

Met lekkende balpen en een bloknootje op mijn knieën schrijf ik bij 28°C uitkijkend over de Atlantische Oceaan ergens op een zuidelijk puntje in Cornwall en als rechtgeaard salonanarchist met verantwoordelijkheidsgevoel ga ik gewoon door met mijn verhaal.
...Dus trok de hele horde massaal naar Blijdorp. Een paar uur later hoorde ik op de radio een oproep van de verkeerspolitie om toch vooral niet meer te proberen naar Blijdorp te gaan. Het bleek dat hele families radeloos rondreden op zoek naar een parkeerplek. Rotterdam stond vol files en volgens de politie was het zo dat de auto's die vaststonden in de Maastunnel de dierentuin waarschijnlijk niet meer voor sluitingstijd bereikten.
Ongeveer de helft van de Nederlandse bevolking was blijkbaar nog wel gewoon thuis gebleven, want tot overmaat van ramp werd het net na de middag ineens bloedheet, droog weer. Hup, vlug de strandstoelen, koelboxen, jengelende kinderen die liever blijven ganzenborden, windschermen, ambresolaires, uit bejaardenkooien opgehaalde oma en/of opa op de achterbank richting goorgele strand.
Het gevolg? Overvolle stranden vol cocaïne cola blikken, tegen de avond alweer honderden kilometers file in Nederland die de blanke top der duinen bedekten met een laag uitlaatgassenroet en wanhopige radioberichten die verzochten een poosje te wachten met naar huis gaan omdat de randstad vast stond.
Ik telde de achttien grenenhouten keukenkastdeurtjes nog maar eens en keek naar de eekhoorn die van tak naar tak sjeesde. Jammer dat ik niet van ganzenborden hield, maar ook die liepen buiten levend in hun etensbord te gakken.
De volgende dag vertelde de weerman wat witjes dat 'de computer er soms flink naast kan zitten' en ging omslachtig uitleggen hoe dat kwam. 'Onberekenbare factoren' hete natuurgedrag ineens...
Natuurlijk komt het niet in de knappe koppen op dat de enige onberekenbare factoren hun satellieten en ander overbodig energievretend tuig zijn. Foto's en kettingformulieren en geen tijd om naar buiten te kijken. Wat nou genotmiddelen verslaving. De grootste verslaving heet Techniek. Overal wordt het ontkend (kenmerk van de verslaafde) en als ik opwerp dat ik een met oranjerode wolkenslierten getooide hemel in het echt mooier vind dan op de beeldbuis ben ik een natuurfreak. Ik ga er maar even naar kijken en er over nadenken hoe ik kan afkicken van mijn techniekverslaving. Want dit verhaal later uittikken op een tekstverwerker is toch wel eindeloos, al schijnt een stuk houtskool op een grotwand ook te werken.

Baltic Sea June 2008.jpg

Het was een geweldige zonsondergang, een goede nachtrust en een leuke wandeling langs een stuk kust. Sinds we in Cornwall zijn is het tussen 24 en 28°C en we hebben nog maar één keer heel vroeg in de ochtend wat regen op het tentdak gehad. De kaas gebruiken we als smeerkaas. We zijn nu ergens halverwege Penzance en Lands End, maar laat ik eerst nog even wat reisverslag inhalen.
Na die caravan ervaring begon ik in mei na te denken over deze Cornwall Coast Path voettocht met de opgedane ervaringen van de Pyreneeën. Ik had al eens in Op Lemen Voeten[2] gelezen over een echtpaar met kind van drie op voettocht door Griekenland. Vergelijkbaar met onze situatie dus. Ze schreven dat ze een heel licht opvouwbare buggy hadden gekocht en elke keer als het pad dat toe liet ging het kind de kar in en bij klauteren eruit en buggy aan de rugzak.
Toen ik hier en daar ging kijken bleek zo'n ding minstens 150 gulden te kosten, een beetje veel boven onze draagkracht. Toch ging het niet langer op mijn rug met nog eens twaalf kilo bagage en mijn wandelmaatje ook met een veel te zware rugzak. Vooral bij wat ruigere streken komen we al gauw met water, eten en minimale spullen op zo'n 40 kilo. Met mijn technische verslaving dacht ik daar wel wat op te kunnen vinden.
Uitgaande van een oude rugzak (dat nylon onding lag er nog steeds) met aluminium frame en een paar koordjes als heup en schouderbanden, een gevonden as en twee autopedwielen en nog wat onderdelen uit mijn knutsellaboratorium ging ik aan het werk.
De wielpartij kwam inklapbaar onder aan het frame en ik monteerde goede draagbanden. De zak zelf werd zo gevormd dat Orian er in eenvoudig terrein op kon zitten en ik het geval achter me aan trekken. In ruw gebied moest hij dan lopen en ging de hele constructie op mijn rug. Het bleef een ongemakkelijk dragend geheel en doordat de as en wielen van staal waren, te zwaar maar het leek te gaan. Mijn bepakking werd daardoor vijfentwintig kilo.
Zo stappen we op 10 juni 1989 op de boottrein en komen aan in Londen, Liverpool station. Volgens de dienstregelingen zouden we daar een uur of acht zijn, dus tijd genoeg om een camping te zoeken voordat Orian in slaap valt. Dan zien we op een klok dat het negen uur is, stomme zomertijd. Verder is er nergens informatie te bekennen, maar gelukkig heb ik een oud plattegrondje van Londen meegenomen waar ik ooit een camping op heb aangetekend. Dus Orian in de zelf ontworpen kar, het is nog steeds benauwd heet en zwoegzwetend komen we om tien uur op de plaats van bestemming. Een groot kaal veld, de camping bestaat niet meer.
Er lopen zoveel honden met mensen aan de riem dat we het niet geslaagd vinden gewoon daar de tent op te zetten. Na een uur rondzeulen vinden we een prima, verstopt plekje en ik ben er inmiddels achter gekomen dat mijn uitvinding niet werkt. Het idee uitgevoerd in sterk, superlicht materiaal zou prima gaan, maar dit is te zwaar en niet stabiel genoeg. Ik moet veel moeite en kracht verspillen om de kar niet bij elk hobbeltje te laten kapseizen. Wat nu?
Eerst water. Aan de overkant van de weg zie ik een neonreclame van een benzinestation. De man, achter een getralied loket -zijn die pompbediendes zo gevaarlijk?- zit argwanend naar me te kijken en valt bijna flauw als ik geen benzine vraag maar water. 'No water' is de mededeling. Met de pest en een paar dure blikjes limonade onder mijn arm ga ik terug. Nooit meer Londen!

Victoria station.

De volgende ochtend zoeken we een bus die ons naar Victoria station kan brengen. Daar wat gegeten en uitzoeken hoe we snel weg kunnen komen. We wisten al dat treinen in Engeland verschrikkelijk duur zijn en de bus niet, maar zien een beetje op tegen nog een lange busreis. We besluiten toch maar met de trein naar Penzance te gaan. Enkele reis zo'n honderdvijfenzestig gulden en retour een paar gulden duurder. Nou ja, een paar ijsjes minder en met de metro gaan we naar Paddington. Wat me wel als heel positief opvalt is dat je jezelf voor 36 cent compleet kan wassen met warm water. Zelfs een douche is mogelijk. Daar kunnen heel wat Europese stations een voorbeeld aan nemen. Laat in de avond komen we in Penzance aan en laten ons, met de Londense ervaring decadent met een taxi naar de camping rijden.

We gaan een dagje Penzance bekijken en vinden een winkeltje helemaal afgeladen met los droogvoer. Soep per gewicht te koop, grote tonnen met gevriesdroogd van alles en nog meer. Noten, granen, een paradijs voor de rugzaksjouwer*. Met een scheef oog kijken we nog naar lichte, kleine, opvouwbare karretjes en zijn verloren als er één bij staat met vaste wielen, want draaiwielen werkt niet in wat ruwer terrein. Alweer een uitgave boven de begroting, dat moet maar. Ik overval wel een bank als we terug zijn.
Nadat ik de wielen van de rugzak heb gesloopt en het zoontje van de campingbeheerster zichzelf al ziet rondtoeren op een zelfgemaakte kistkar, gaan we met de nieuwe op pad. Het gaat prima al ben ik nog wel sceptisch over hoe dat ding zich houdt in ruwer gebied. Door de hitte lopen we niet zoveel en vinden een leuke plek langs het water. Als ik aan de jongen, die er al staat vraag of hij bezwaar heeft dat we vlakbij hem staan, is het antwoord dat zelfs het plekje waar hij staat niet van hem is en of hij thee zal maken terwijl wij de tent opzetten. We praten wat en door het geruis van de zee, de warme thee en moe van de hete dag vallen we vroeg in slaap.

Cape Cornwall in zicht.

De volgende dag klimt zoonlief er flink op los, steeds roepend dat hij een bergbeklimmer is. Dat moet ook wel zo op hem overkomen, zelfs wij hebben moeite de grote rotsblokken op te klauteren. De kar houdt zich ook goed ondanks de met grote stenen bezaaide paden en soms is het pad zo smal dat we op twee wielen rijden. Orian is reuze trots op zijn 'crossautokar', hij heeft er zelfs al een handrem en claxon op verzonnen.
Is er nou echt zo'n verschil met de Pyreneeën? Het lijkt lang zo zwaar niet. Natuurlijk een ander tijdvak –toen september nu juni-, dorpen liggen dichter bij elkaar zodat we minder eten sjouwen, onze uitrusting is weer wat verbetert en, niet onbelangrijk, Orian loopt veel meer zelf en wil dan een kilo of twee in zijn eigen rugzakje. We komen langs leuke vissersdorpen, af en toe een strandje, imposante rotsformaties en een uitstekend gemarkeerd pad wat bijna zonder kaart te volgen is. De kaarten gebruiken we alleen om te weten waar we zijn en in de omgeving water en voedsel kunnen halen.
Alweer te donker om verder te schrijven, maar ik ben met dit verhaal aangekomen waar we nu al een paar dagen zijn.

Mills Bay, een paradijselijk strandje dat bij vloed helemaal verdwijnt –niet op het strand slapen dus- en bij eb kun je zo de grotten en spelonken inlopen, al moet je er wel weer uit wegwezen als het vloed wordt. Je kan er alleen maar lopend komen en een beekje ruist lieflijk de zee in. Anderhalve kilometer lopen naar Polgiggi is een openbaar toilet met (warm!) water. Nog zo'n pré in Cornwall, overal staat dit soort stenen huisjes die worden onderhouden door de staat. Nog een kilometer verder aan de weg naar Porthcurno is een post/winkeltje. Alles bij de hand dus voor een lange pauze. Als je de weg verder afloopt (nog een kilometer) is er nog een prachtige baai, alleen een tentplek kon ik daar niet vinden.

Nadat we verschillende zandkastelen hebben zien wegspoelen en het weer omslaat naar mist, motregen en storm wordt het tijd om verder te trekken. De hele ochtend lopen we door een heftige storm, we hebben het koud en trek in koffie of soep. Dan komen we aan op Cape Cornwall, het meest westelijke puntje van Engeland, Lands End.

Cornwall, Lands End.

Het kustpad loopt gewoon door langs een hek, maar in de verte liggen wat gebouwen die er als restaurant uitzien. Dus klimmen we over het hekje. Steeds meer gaan onze wenkbrauwen omhoog. We komen in een soort overdekt toeristisch winkelcentrum. Het blijkt dat je moet betalen om dit pretpark in te mogen, wij hebben de gratis ingang genomen. De vertrouwde busladingen verdringen zich bij de kassa. Centraal op het terrein staat een hotel met daar omheen winkels met heel veel prullaria. Mensen lopen jachtig heen en weer om het hebbekopen van zooi die ik in Londen voor een derde van de prijs heb gezien, maar daar stond geen 'Lands End' op.
Verder een kinderspeelplaats, een 'Last Labyrinth', een toilet met een enorme rij wachtenden voor u en een aantal ruimtes met het motto 'neem elke vijf minuten een consumptie tot u of we gooien u naar buiten'. Constant lopen diensters, die de lege kopjes ophalen mensen die aan de tafels staan te verzoeken hun plaats vrij te maken voor de volgende. Je kan in één uur je volgeschoten filmpje laten afdrukken, dat haal je net tussen pleebezoek en busvertrek en hup daar gaan ze weer. De lege plek wordt onmiddellijk ingenomen door de volgende bus. We doen ons best om niet sacherijnig te worden –eigenlijk moeten we hier erg hard om lachen-, drinken in de ons toegestane vijf minuten de veel te dure koffie en gaan er snel vandoor. We klimmen nooit meer over een hekje.
Iets voorbij deze kermis komen we op een piepkleine, redelijk vlakke inham van het pad, uitkijkend over de Atlantische Oceaan met schuimkoppen en klapperend tentdoek. De zwerfsport maaltijd (rijst met kerriesaus) smaakt lekker en moe na tien kilometer rots op rots af vallen we snel in slaap.

Afgelopen donderdag zijn we na een fikse wandeling door een oud tinmijn gebied terechtgekomen op een leuke, rommelige camping met paard en geiten, vlakbij Pendeen. We hadden behoefte aan een warme douche, vandaar. En gisteren wilden we verder, maar was het luiheid, nog steeds storm, het gegeven dat er een nog werkende tinmijn met museum is, dus goed voor de algemene ontwikkeling van Orian (en onszelf)? Misschien alles bij elkaar en ook omdat we niet zo goed weten wat verder. Het kustpad verder volgen, zover als het gaat en de tijd rest om in Hayle de trein terug te nemen, is gezien het stormachtige weer en nog meer en hogere rotswanden wel spannend en waarschijnlijk mooi, maar een kind heeft ook speelruimte nodig. We denken eraan 'binnendoor' terug te lopen naar Penzance en dan zuid-oostwaarts nog een stuk van het kustpad te lopen tot volgende week. Het schijnt dat daar ook nog een paar mooie stukken zijn en we zijn dan steeds dicht bij de trein terug. Nog maar een dag over nadenken.

Toch binnendoor dus. Vanaf Pendeen gaan we 'crosscountry' (dwars door weilanden enzo) naar Newbridge. Het is weer flink heet onder een strakblauwe hemel. Het is niet meer zover naar Penzance. Vandaag hebben we eerst maar weer eens een berg van die handige poeders en droogwaren ingeslagen in Penzance. Daarna een enorme sorbet omdat ik vandaag 2x23 –dat klinkt niet zo oud- ben geworden. We lopen een stukje verder langs de kust en we houden halt op een klein strookje tussen de spoorlijn Penzance-Londen en het strand. Het waait weer flink en er komt mist opzetten.

Orian heeft met zijn moeder een bezoek gebracht aan het kasteel op het eiland St.Michaelhount. Bij eb kun je ernaar toe lopen of kiezen voor het bootje bij vloed. Een stuk verder mogen we van de rondlopende boer best in het weiland staan, hij zal er morgen met jagen rekening mee houden en ik vraag me af hoe hij dat bedoelt. Na het eten ga ik water halen in Perranuthnoe (hoe?) wat uiteindelijk nog een flink eind lopen blijkt te zijn, maar onderweg zie ik een ideaal plekje op een vlak stuk rotsen, uitkijkend over de zee en met een strandje voor de deur. Vlakbij water en eten in het dorp en ik weet dat dit de plaats is waar we de laatste dagen zullen doorbrengen. De trein in Penzance moeten we met een dag lopen kunnen halen en Orian kan spelen zoveel hij wil.

De volgende dag breken we dus op en verhuizen naar ons paradijsje. In de middag begint het echter al, mist, regenvlagen, storm en koud. In de nacht worden we wakker op een ijskoud waterbed onder de tent, het water kan niet weg door de rotsen.

Het regent nog steeds en de tent dobbert heen en weer op het water, onze droge kleding raakt op. Verder horen we van een wandelaar dat er openbaar vervoerstakingen dreigen op maandag en dinsdag. Tijd voor actie dus, we nemen de bus naar Penzance. Ons treinkaartje blijkt niet geldig voor vrijdag en zaterdag – er zijn verschillende soorten retour, bepaalde dagen, weekend en nog veel meer, wisten wij veel- en we moeten 80 gulden bijbetalen. Veel keus hebben we niet. De trein vertrekt pas om 20:45 uur en hangen maar een beetje rond. Wat doen al die mensen die hun hele vakantie op één plek doorbrengen toch de hele dag?
Orian valt om halftien in de trein in slaap en wij dommelen ook wat in. Om vier uur is hij klaarwakker en wij dus ook. Een half uur later zijn we in Londen en tot mijn verbazing (alweer zo'n service) kunnen we in de trein blijven zitten tot de rest van het openbaar vervoer zich in beweging zet. Bijna overal ben ik in gelijksoortige situaties nog op straat gezet, al was het midden in de nacht. Nu kiezen we er zelf voor om op ons gemak door de nog slapende stad naar het andere station te lopen omdat we al zo wakker zijn.
Nu is het wel leuk in de stad. Nog schemerig en stil, uitgestorven straten als we door een beruchte misdaadwijk, via een rondje hippie mekka van de jaren zestig –Carnabystreet (met peperdure boetieks) en Hyde Park (zowaar, er staat iemand op een kist en er staat ook nog een toehoorster, waarschijnlijk zijn vriendin)- zijn we om negen uur op het station Liverpoolstreet en een half uur later op weg naar Harwich.
Op het station is Orian al in slaap gevallen ondanks een verbouwing met oorverdovend lawaai makende betonhamers, hij slaapt er gewoon doorheen en door tot we bijna in Harwich zijn. Aan alles is te merken dat de reguliere vakantietijd aanbreekt, het wordt vervelend druk overal. Op de boot ontbreekt de spanning van de heenreis, je weet dat het weer even voorbij is, maar ook omdat we weinig hebben geslapen. We zijn wel blij weer thuis te zijn. Even!

[bewerken] Engeland/West Highland Way: Milngavie – Fort William

Westhighlandway.jpg

In paar vorige jaren is er niet veel gekomen van lange afstandswandelingen. Een verslechterende relatie en andere persoonlijke omstandigheden veroorzaken zelfs een crisis in mijn leven in de jaren 1991-1992 die ik maar met moeite te boven kwam. Toen kreeg ik een samenleefrelatie met een vriendin van vroeger die ook twee kinderen had en we besloten te ondervinden of die lange afstand wandelen ook leuk vonden. Orian is zeven geworden en de meiden een jaar jonger en een paar jaar ouder, dus kunnen ze al behoorlijk wat dragen, maar alles bij elkaar was een berg bagage te verwachten. Ik kocht een Bergans rugzak met een enorme ruimte van 90 liter, met binnenframe voor de lichtere(?) tochten en (verwijderbaar) buitenframe voor het echte sjouwwerk.
Met regenjassen en extra sokken lopen we dan op 11 augustus 1993 om zes uur in de avond naar het Centraal Station in Den Haag. Deze keer weer eens een busreis, dat is sinds Griekenland niet meer voorgekomen. De bus die om kwart over zeven vertrekt komt om kwart voor acht, het mag dan misschien geen Magic Bus meer heten maar Eurolines, de organisatie is er niet beter op geworden en de prijzen ook niet. Er volgt een vlotte reis naar Oostende. De kinderen gaan slaapdronken de boot op, net uit het begin van opkomend geeuwen. Op de boot vinden ze in een zaal met lange banken al gauw een plekje tussen wat anderen en Orian slaapt meteen. Rosan en Iris vinden het allemaal nog te spannend. Ik ga op de grond in de slaapzak en de anderen na een tijdje ook.

Zo dommelen we stukjes verder, maar uitgeslapen zijn we niet echt als we vijf uur later aanleggen in Dover. De Engelse grens doet me denken aan de Duitse van een paar jaar terug. Botte lui, camera's, doorkijkspiegels, wat een machtsterreur. Wij mogen weliswaar doorlopen, maar velen niet. Stille boevenzoekers schuifelen ongedwongen tussen de toeristen (ik snap niet dat ze nog steeds niet door hebben dat uitstraling net zoiets is als een uniform, ik haal ze er tenminste feilloos tussenuit) en stralen als James Bond zelf als ze weer een langharige gevonden hebben. Die komt van de Dam en heeft vast verboden kruid bij zich. De echte boeven lopen op glimmend gepoetste schoenen en in krijtpak gewoon door en ook onze drie boefjes mogen verder ondanks hun lange haar. Gelukkig komen ze nog niet op het idee dat er wel eens iets zeer verslavends zou kunnen zijn aan het in bezit hebben van een knuffelbeest.
Om zes uur zijn we (toch weer) in Londen en moeten drie uur wachten op de bus naar Glasgow. Ook hier worden we een half uur zoet gehouden met mededelingen dat de bus over 'ten minutes' komt.

Tekort zorgt ervoor dat we alle vijf steeds in slaap sukkelen, maar erg interessant is dit stuk toch niet merk ik in de momenten dat het me lukt om naar buiten te gluren.
Kwart over zes zijn we in Glasgow, een half uur later zitten we in de bus voor het laatste stukje naar Milngavie waar de West Highland Way begint en moe maar blij dat het nu gaat gebeuren starten we de honderd tweeënvijftig kilometer lange voettocht.

Gelukkig vinden we snel een plekje en tegelijkertijd wordt het windstil, vochtig benauwd. Kortom Midge Time! Ik had er over gelezen in Op Lemen Voeten, maar je weet hoe dat gaat, je denkt dat die paniekberichten wel mee zullen vallen. Het valt dus niet mee!

BitingMidge.jpg

Midges zijn zeer kleine mugjes die je in zeer korte tijd van boven tot onder lek steken. De anderen met al veel te veel steken snel achter het knuttengaas van de tent en ik ga als een schoorsteen sjekkies rokend en een gelukkig meegenomen muskietennet over mijn kop, handschoenen aan, broek in mijn sokken en jas tot boven dichtgeknoopt proberen een warm hapje te maken. Het lukt, alleen zit ik toch nog op de meest onwaarschijnlijke plaatsen onder de bulten en die minibeesten maken maxibulten. De rijst met linzen, gedroogde groenten en wat kruiden smaakt prima en we slapen redelijk door de jeuk heen nadat elke kier van de tent is gecontroleerd.

Vanmorgen weer vroeg op weg, het is al aardig warm, bijna 25°C en droog. We moeten nog inlopen, het gaat wat moeizaam. Na een paar uur lopen komen we bij het Graigallian Loch op vier kilometer afstand van Strathblane. Daar ga ik inkopen doen en laat de opbouw van het bivak aan de anderen over.
Een klein winkeltje heeft alleen wat blikvoer, maar als ik terugkom met sinassap en Hobnobs is het feest. Ik heb eten voor twee dagen meegenomen dus even lekker acclimatiseren op dit mooie stille plekje. De kinderen spelen in het water en slijpen alvast hun zakmessen op een steen, klaar voor het 'grote avontuur'.

Het gaat nu duidelijk veel beter na zo'n dagje rust. Vannacht is het trouwens gaan regenen. Ik begon al te wanhopen, want ze zeggen hier dat als je de top van de Ben Nevis niet kan zien dat het dan regent en als je hem wel kan zien gaat het regenen. Wel is het nog steeds warm. Aan Orian is te merken dat hij letterlijk en figuurlijk op de voetpaden is groot geworden, maar ook de meiden beginnen te wennen. Om halfvijf stoppen we, er is een plekje vlak langs het pad.
Het is al een tijdje droog, maar lang duurt dat niet meer denk ik en ik wil van de gelegenheid gebruik maken. Als ik bioburgers met brood ga maken komen de hordes weer in de aanval, maar ik heb toch wat geleerd van de vorige keer. Beter ingepakt, een rokerig vuurtje (dan hoef ik ook zelf niet zoveel te roken) en iedereen helemaal afkloppen voordat de tent opengaat. Er slippen er natuurlijk nog steeds wel mee, maar die worden onmiddellijk uitgeroeid, verder ben ik wel diervriendelijk hoor, maar er zijn grenzen. Als een enorm roofdier me wil opvreten, verdedig ik mezelf en daarmee kun je een zwerm midges vergelijken.
In ieder geval kan ik vrij ongestoord het eten maken. Dan gaat het regenen (goed gepland, John) en we doen maar wat spelletjes. Het is wel krap, maar ook knus in de vierpersoons piramide en het scheelt natuurlijk kilo's voor een tweede tent. Volgend jaar lukt het zo niet meer, nou ja zien we wel weer.

Het is droog als we de natte tent inpakken, maar als we lopen begint het weer te regenen. Als het pad een beetje onderlangs Killearn loopt pas ik op de spullen onder een zeiltje en de rest gaat inkopen doen. Als ze terugkomen, wat vrij lang duurt omdat het toch een hele klim bleek te zijn, probeer ik te koken op het natte houtvuurtje en het bedoelde middageten wordt daardoor avondeten. Uiteindelijk hebben we rijst met rauwe bloemkool, koffie en thee. Het is al laat maar we hebben nog geen plek voor de tent.
We lopen een stuk door een 'regenwoud' volgens de kinderen, een hoog begroeid smal paadje en in de stromende regen lopen ze te lachen. Dan klimmen we ergens over een hek en zetten de tent op, we kunnen even niet verder. Het wordt spontaan droog tot we in de slaapzak liggen, daarna de hele nacht niet meer.

Alles wordt steeds natter, maar het regent niet als we inpakken. Orian vindt het prachtig om de diepste modderpoelen te doorwaden en is aan zijn laatste paar sokken bezig. Anna's schoenen vallen uit elkaar omdat ze na drie jaar rusthuis nu constant doorweekt zijn. De doornatte kledinghoop groeit en de rugzakken wegen als lood door al dat opgezogen water.
Dank zij de vuilniszakken zijn ook de slaapzakken nog steeds droog. Een van de meiden loopt inmiddels in een noodregenjas van een vuilniszak omdat haar jas doorlaat en als je die drie vuilnisukkies zo zingend (drieënveertigste couplet, een potje met vet) voor je ziet in de stromende regen, kan je natuurlijk niet zelf de moed verliezen en luidkeels brullen we mee.
Vlakbij Drymen vinden we een droomplekje. Beekjes, veel ruimte ÉN de zon breekt door. Terwijl ik de tent opzet gaat Anna op jacht naar lijm voor haar schoenen. Die vindt ze ook, maar de verkoper zegt, met een uitgestreken gezicht dat de schoenen wel droog moeten zijn, tja.
Tegen de avond is bijna alles droog wat nat was (behalve de schoenen natuurlijk), hebben we lekker gegeten en zelfs het risico genomen wat dingen uit te wassen. We blijven een dag.

Vanmorgen voor eten naar het dorp geweest en een grote pan havervlokkenpap gemaakt. Net is de laatste hap naar binnen als een heel vriendelijke man in groen uniform naast ons staat die ons (sorry, sorry) vertelt dat we daar niet mogen bivakkeren. Privé-terrein van iemand die dat niet goed vindt. Laat aankomen en weer vroeg vertrekken, daar zegt niemand wat van, maar de hele dag blijven kamperen gaat (sorry, sorry) echt niet.
Al met al om halftwee zijn we gepakt weer op weg. Voor ons ligt een lang stuk Forestry Commission gebied waar je sowieso niet mag overnachten, maar na een paar korte stopjes slaan we een zijweggetje in en vouwen de tent weer uit. Het is al vrij laat en de kinderen zijn moe, wij trouwens ook door het gesjouw met de extra kilo's ingeslagen voedsel en drank voor twee dagen. Reden genoeg om de wet even te overtreden. We eten of ons leven ervan afhangt, met uitzicht op Conic Hill, met een prachtige wolkentunnel, met aan het eind daarvan een ondergaande zon en met miljoenen midges waarvan er elke keer honderden de tent mee weten in te glippen ondanks de voorzorgsmaatregelen.
Er is één voordeel in vergelijking met 'onze' muggen. Deze zijn erg traag en laten zich makkelijk wegvegen. Ze beweren hier dat het goed is tegen de reuma, ik zie inderdaad weinig kromme Schotten, maar dat kan ook de Scotch zijn.

Nadat we in het open veld (midges kunnen geen wind verdragen) en al heen en weer lopend (ze vliegen langzaam en kunnen je zo niet inhalen) ons ontbijt hebben gehad komen we de West Highland Way oppasser weer tegen op de Conic Hill en hij vraagt hoe het gaat. Als ik zeg dat we net zo langzaam, maar ook net zo vasthoudend als een turtle doorgaan, legt hij mij geduldig het verschil uit tussen een turtle (zeeschildpad) en tortoise (landschildpad). Dus zijn wij tortoises. Ik zeg dat ik de vergelijking met turtles in Schotland toch passender blijf vinden en hij begint te lachen.

Hawaii turtle 2.JPG

Dan vertelt hij van de voorgenomen reis naar de Galapos eilanden (daar heten de schildpadden dan weer tortuga, maar dat komt omdat de Engelsen dat stukje Spaans sprekend gebied hebben ingepikt en dat komt weer omdat Spanje de oorspronkelijke bevolking heeft uitgemoord en die zaten daar weer omdat ze achtergebleven waren tijdens een bezoek vanuit de kosmos) en zijn gezicht straalt omdat een 'good friend' hem heeft uitgenodigd.
Welgemoed gaat hij verder met het oprapen van het toeristenafval om 'zijn' stukje pad een beetje natuur te laten blijven na ons een blik te gunnen in de vuilniszak. Propvol blikjes, kauwgum, plastic tassen en andere zooi. Een zak verrotte appels zijn niet eens ontdaan van de plastic zak zodat de beesten het zouden kunnen opeten.
We sjouwen verder. Het gaat behoorlijk steil omhoog en Anna heeft het zwaar met haar slechte longen, maar als we op driehonderdvijftig meter staan is het uitzicht weer magnifiek. Na een kleine pauze (het middageten hadden we al bij een klaterende watervalletjesbeek waar we poedelnaakt 'in bad' sprongen, ijskoud) gaat het bijna nog steiler naar beneden.

View of loch lomond.JPG

Met uitzicht op een prachtig Loch Lomond zien we, nadat het de hele dag helder blauw is geweest, de lucht betrekken. Als we een plekje zoeken begint het te druppelen, maar door de week ervaring en samenwerking staat het complete bivak voor vijf personen met slaapgelegenheid en alles regenvrij in nog geen tien minuten. Alle kleding is weer droog door het dagje zon en de slaapzakdroogtrommel methode. Je stopt dan vochtige sokken in je slaapzak en door je eigen warmte drogen ze verder.
We zijn vlakbij Balmaha, dertig kilometer vanaf het vertrekpunt dat een gemiddelde oplevert van vijf kilometer. Nee niet per uur, per dag, maar volgens mij haalt een tortoise dat niet.

De midges worden min of meer geaccepteerd, het is nou eenmaal zo en we hebben geen zin dit grote avontuur te laten vergallen. Vooral Orian ziet eruit als een wrattenzwijn, al lijkt hij er verder weinig last van te hebben. Hij reageert altijd fel op dit soort dingen. Ik ben een goede tweede, elke steek wordt een knalrode puist. Op mijn hiel een hele lastige bult van 2 cm.
Dat is niet de reden dat we vandaag maar tot Arrochymore Point komen. In Balmaha drink ik een reuzenbeker koffie en de kinderen eten ijs terwijl Anna een winkel wil zoeken. Wij zitten voor het grote raam de winkelstraat af te turen tot we haar niet meer zien. Even later komt ze weer voorbij, ze kan niets vinden en schiet in de lach. Aan de andere kant vlak naast waar wij zitten is een grote winkel.
Veel mensen vragen of we de WHW lopen met de kinderen en we krijgen complimentjes. Er is ook een man die vraagt of hij een foto mag maken voor een schilderij als Anna en de kinderen ergens op hun rugzakken zittend op mij wachten.
Na een stevige klim en daling bij Balmaha lopen we een tijdlang langs het Loch Lomond. De zon schijnt, het water en zand lokken verleidelijk naar de kinderen, dus wat doe je. Stoppen.
En dat hadden we misschien niet moeten doen, de eerste druppels druppelen, maar ze trekken hun kleren uit. Orian begint een twee meter hoge zandtoren die morgenvroeg door de anderen moet worden afgemaakt, tenminste dat is na overleg de afspraak. Naar het lijkt lopen we dus niet de hele WHW, maar het gaat om de lol. Al vragen de kinderen elke keer een beetje angstig of we het wel halen.

Het waait hard dus de midges zijn weer op de vlucht. Dat samen met het plekje en toch weer een beetje zon laat ons besluiten nog een dag te blijven. Eerst ga ik terug naar Balmaha om inkopen te doen. Dit keer over de 'snelweg', een weg waar twee auto's elkaar net kunnen passeren. In tien minuten ben ik daar waar we gisteren uren over hebben gedaan.
Als je nu nog steeds niet begrijpt waarom loper*s dat moeilijke pad nemen om te komen waar ze willen zijn moet je daar zelf maar achter zien te komen. Even wilde ik weer beginnen over dikke limousinereten die in drie weken half Europa 'doen', maar dat doe ik niet meer. Mijn moralistisch gezeur helpt toch niet.
Er zijn mensen die het 'weten' en proberen de zuilen omver te trekken, de trossen los te gooien en op de woelige baren des levens tegen de klippen op varen.
Er zijn mensen die het 'weten' en hebben opgegeven daar over na te denken. De tros is voor hen de navelstreng geworden waardoor ze veilig en doorvoed en vooral heel saai zo snel mogelijk oud worden.
Er zijn mensen die het 'weten' en weigeren daar iets mee te doen omdat het hun Yuppen tijd wel zal duren.
Er zijn mensen die het 'niet weten', ook nooit te weten zullen komen en die ik gerust te stom durf te noemen om wat verder te kijken dan de mediaverslaving en dus dit nooit zullen lezen.
Houd het er maar op dat Ik deze manier van natuurbeleving het einde vind en ook de kinderen zie ik met volle teugen genieten van de velden vol paars vingerhoedskruid, de gele tormentil, de zwanen die op bezoek komen, de avonturen die ze beleven als we door het 'tropisch regenwoud' worstelen, beken die we oversteken zitten vol krokodillen, piranha's en boa's en waag het niet te zeggen dat die hier niet leven.
Op dit moment hebben ze wilde avonturen bij het meer, er is een knapperend houtvuur, de donkere stapelwolken die het zonlicht laten uitwaaieren en de midges blijven weg, kortom een te gekke avond.

Die wittebroodsweken gaan ons nekken. Met z'n vijven 'vreten' we makkelijk anderhalf brood per keer op en hebben nog steeds trek als we ons voornemen vandaag een flink stuk te lopen. Daarbij ontmoeten we ook nog wat stevige klauterpartijen en al snel maken we maar weer een vuurtje voor een warme maaltijd.
We zijn nu vlakbij Rowardennan en hebben dus iets meer dan een kwart van de route achter ons. De tegemoet komende loper*s beloven ons steeds dat het mooiste nog moet komen, we weten niet of dat echt zo is of cynisch bedoeld. In ieder geval is het nog steeds droog en vaak zelfs zonnig, zoals vandaag. Naast de tent liggen een paar enorme rotsblokken en de kinderen spelen zeerovertje (Momo en de tijdspaarders, live). Er blijken hier wel echte schatten te liggen. Tussen de rotsen vind ik een aansteker met Grieks opschrift en Anna een paar Engelse munten.
Als we een kop warme koffie/thee zitten te drinken horen we een bromgeluid. Anna zegt 'het lijkt wel een beer, maar gelukkig zijn beren bang voor vuur' en de kinderen kijken, het half gelovend wat griezelend rond. Als het donker is horen we vlakbij uilen, wat een lawaai kunnen die beesten maken, heerlijk zo warm in je slaapzak met die bosgeluiden om je heen.

Onderweg wil een van de meiden een 'touwtje' oppakken als we zien dat het touwtje een flitsend tongetje heeft en een slangetje blijkt te zijn. Gebiologeerd bestudeert zij lange tijd het beest.
Naast het pad staan vier berggeiten waarvan er één op haar achterpoten balanceert om bij de malse blaadjes te komen. Het pad is soms moeilijk, glibberig en smal, maar als we voor de keus staan om de 'boven' of 'beneden' route wordt unaniem gekozen voor 'beneden'. Daar loopt het pad langs het water, het is een blubberzooi met grote rotsblokken, maar veel mooier dan het eenvoudiger pad bovenlangs. Wel komen we zo maar moeizaam vooruit en lopen bijna twee dagen over dit stuk. We hebben nu al een paar dagen op droogvoer geleefd, zijn uitgehongerd en moe. Morgen komen we gelukkig aan in Inversnaid. Volgens de routebeschrijving moet daar iets van voedsel te krijgen zijn. We weten nog niet dat het zo'n dag wordt waarop alles fout schijnt te moeten gaan.

Het waait hard en het is snijdend koud. Over het plein, bestraat met nat glimmende kinderkopjes wappert afval. Een colablikje tinkelt, een oude krant vouwt zichzelf dubbel om de poten van een van de drie bankjes die samen met de verweerde houten tafels de aankleding vormen.
De westkant van het plein ziet uit over het Loch Lomond, voor zover de mistflarden die over onzichtbare bergen worden aangevoerd het zicht toelaten tenminste. Als vingers in een bord babypap steken pieren het Loch in, wachtend op boten die waarschijnlijk lang geleden deze plek bezochten. Een onrustig gevoel draait naar de noordkant. Het vervallen gebouwtje wat eens een druk bezet publiek toilet moet zijn geweest, je kan er nog steeds en het heeft heet(!) drinkwater.
Weer draait de waarneming een kwart slag en komt tot rust in het oosten. Het hotel! Dat is het! Dat is wat niet is thuis te brengen in deze omgeving, het hoort hier niet. Groot! Luxueus! Duur!

Rowardennan Lodge, Loch Lomond.jpg

Met de hoed diep over het denken getrokken weet de beschouwende geest op het plein dat daar de oplossing van het geheim moet worden gezocht. Wat doet zo'n hotel op dit plein, ofwel wat doet dit plein om zo'n hotel?
Plotseling verstoort een lichte trilling deze filosofische gedachte. Vanuit het zuiden, waar een modderig rotspad het dichte bos in tweeën tracht te splijten en weinig mensen zich wagen, verschijnen vijf wezens. De lengte en vorm valt moeilijk te onderscheiden. Diep gebogen tegen wind en regen, zwoegend en glibberend in een poging op twee poten te moeten en zullen voortgaan, met wapperende flarden om zich geslagen die tegen elkaar kletsen als een vaatdoek tegen een natte badkamermuur. Dat kunnen alleen maar mensen zijn!
Wankelend van uitputting en honger glijden ze over de beijzelde keien naar het hotel. De twee grootsten gaan naar binnen terwijl de anderen verkleumd en stijf hun beentjes tussen de bank en de tafel wringen, verheugd naar het moment dat pappa en mamma misschien met iets eetbaars naar buiten komen. Een moment later is het zover en begerig worden de plastic ingegoten, platgeslagen meelballen uitgepakt. Een gelig flintertje kaas bedekt nauwelijks de onderlaag en ze weten van tevoren dat het veel te weinig is.
'Vijftien zilverstukken', fluistert de moeder bleek weggetrokken. De anderen weten dat het hierbij moet blijven en huilen zachtjes om de machteloosheid deze uitbuiting te bestrijden.
Dan klinkt vanuit de dichte mist een lang vergeten geluid. De scheepshoorn van een schip vol dappere mannen en vrouwen die de vijf opnemen in hun gemeenschap en samen maken ze van Inversnaid een zelfvoorzienend dorp waar het hotel een herberg wordt met een dorpskeuken en druk bezocht door mensen die de West Highland Way lopen. De hoteldirectie is het bos ingestuurd, zonder broodkruimeltjes en zullen de weg terug nooit meer vinden.

Het waait echt hard en het is snijdend koud. Volgens een boekje wat ik thuis heb gelezen is er in het hotel soms eten te koop. Dat is ook zo. Vijftien gulden voor vijf wittebrood sandwiches met een flinter kaas! Normaal hebben voor dat bedrag een hele dag eten. Terwijl we ons tegoed doen, vertel ik het bovenstaand verhaal en de kinderen lachen. Je moet het positief blijven bekijken nietwaar.
We hebben nog een paar dagen voor de boeg voor we weer iets tegenkomen. Wel hebben we nog wat droogvoer, maar het is hoog tijd voor iets stevigers. Mijn gevoel zegt 'doorlopen', maar het gebeurt soms dat ik niet luister. Er zijn nog twee Nederlanders en een groepje Duitsers met dezelfde problemen. De Duitsers hebben zelfs helemaal niets meer te eten. Dan horen we dat er misschien om vijf uur een boot komt die naar de overkant gaat. Kijk, als je maar gelooft in je verhalen.
Bijna besluiten we om dat niet af te wachten en toch maar verder te lopen, Anna gaat vast heet water tappen, als er een soort rondvaartboot komt aantuffen die ons wel wil meenemen naar Tarbet, zuidelijk aan de overkant van het meer. De boot gaat snel weer weg dus ren ik naar het toiletgebouwtje om de anderen te roepen en we springen met armen vol losse spullen aan boord. Deze overhaaste beslissing kost ons wel weer vierentwintig gulden.
In Tarbet drinken we koffie en milkshakes, behalve dit café en een paar huizen is er verder niets. 'Arrochar', zeggen de glimlachende, niet van hun stuk te brengen Schotten, 'Vijf kilometer verderop'. Ze vegen met een brede hand de plassen water van de terrasstoelen en nemen plaats op de, nog altijd kletsnatte zitting. Onwillekeurig bedenk ik me dat ze de midges hier misschien wel tot de beschermde diersoort rekenen. Je blijft er rechtop van lopen én het levert je een dikke huid op, of zou dat ook de whisky zijn? Door de stromende regen zwemmen we naar Arrochar. Een winkel en een snackbar waar we ons verwennen met jacket potatoes (aardappelen met een jas aan) en groenten. Meer hebben we niet nodig al is de omgeving vergeven van de consumeer mogelijkheden.
We voelen ons een beetje vastzitten in deze, duidelijk niet bij ons passende toeristenplaats, caravancampings en souvenirs. We vragen naar de bus richting Ardlui om daar de route weer te kunnen oppakken. Die gaat pas om een uur of acht, dan maar terug naar Tarbet voor de trein. Het regent weer heel hard.
We lopen het kleine achteraf stationnetje voorbij zonder het te merken, na een kilometer merken we deze vergissing en draaien om. Eindelijk vinden we het en het blijkt dat de trein om halfacht komt. Veel zijn we er dus niet mee opgeschoten. Maar er is hier een wachthokje, waar we ons droog en uit de wind installeren met boterhammen, appels en andere zojuist ingekochte lekkernijen.
Van de enige andere aanwezige, duidelijk een oude traveler, krijg ik zijn laatste kruimelsjekkie aangeboden. Gravend in het zeildoeken rugzakje krijgt Orian (die nog steeds onder de bulten zit) een muggennetje en een zakmes. Als ik hem wat later een Winner van mij laat draaien is hij zo gelukkig dat ik hem er nog een laat draaien voor 'onderweg'. Weer heeft hij een cadeautje, een metalen shagblikje. Rosan speelt met haar knuffelkuikentje (mister Bean) met de man en ze liggen steeds dubbel van het lachen in hun kinderlijk spel. Hij vraagt of ze vader Jacob kan zingen en in twee talen klinkt hun duozang.
Zo vliegt de tijd voorbij en komt de trein, het blijkt dat de man helemaal niet op de trein zat te wachten en uitbundig nemen we afscheid. Naar Ardlui kost vijftien gulden en naar Grainlarich dertig. Duur, maar dat is de trein nou eenmaal en we kiezen voor Grainlarich. Dat ligt op de (wandel)route en we zijn gelijk een paar kilometer verder, de hele route halen we toch niet en het 'einde' lijkt wel belangrijk te zijn voor de kinderen.
Om tien over acht lopen we het stadje uit en doorleven de volgende tegenslag. Na een paar kilometer lopen wordt het duidelijk dat we voorlopig geen goede bivakplek vinden. Moerassig, bultige grond waartussen enorme plassen water, maar we kunnen gewoon niet verder. Op een ogenschijnlijk minst ongunstige plek, waar de tent niet meteen centimeters de modder inzakt bouwen het bivak in de stromende regen en als het dan droog wordt duiken de lamstraaljagertjes weer om kraters in onze huid te boren. We krabben onszelf in slaap.

Het blijkt dat de tent toch een stukje het 'moeras' is ingezakt en er staat een laag water in de tent. Alles is nat. Rosan heeft een beetje heimwee en loopt een uur tegen Anna aan te kletsen over school. Als we even stoppen, speelt ze bij een watertje (krijgen ze daar nou nooit genoeg van) en weer loopt ze een uur te vertellen. Nu een gedetailleerd verslag van de film Ariël de zeemeermin. Het lijkt onvoorstelbaar, maar zelfs de dialogen kent ze uit haar hoofd.
Onderweg wordt er nog een schaap 'gered' dat vastzit in een stuk prikkeldraad. Anna begint moe te worden, ze past zich volgens mij teveel aan bij het tempo van de kinderen. Dat is trouwens een strijdpunt. Ik weet dat je altijd zoveel mogelijk in eigen tempo moet lopen anders sloop je jezelf. Beter is af en toe te wachten op de anderen en soms een klein stukje samen op te lopen. Anna verwijt Orian en mij dat we zo vaak ver vooruit lopen. Dan verliest ze ook nog eens (symbolisch?) de hak van haar schoen.
Vind je het nog steeds gek dat ik er nooit genoeg van krijg? Van onder tot boven onder de bulten, een uitrusting waar het water uit druipt, maar een paar kilometer voor Tyndrum vinden we een droomplekje langs het water en ook het zonnetje breekt weer een beetje aarzelend door.

Weer heeft het de hele nacht geregend en het lukt niet om droog in te pakken, minstens een emmer water gaat mee de rugzak in. De kinderen zijn sacherijnig, maar even later hebben ze al weer lol in en om alle plassen. Het lijkt onwaarschijnlijk om, in een ijskoude, striemende regen (acht graden en windkracht zeven, dus een belevingstemperatuur van min vijf) in een ontspannen sfeer tot Tyndrum te komen, maar het gebeurd gewoon.
In het kleine dorp, weten we niet wat we zien. Een groot gebouw met restaurant, winkels en ontzettend druk. Zo loop je in de grote leegte en zo ben je weer in een toeristisch complex, we lachen er maar om. Anna heeft last van haar enkels door de ontbrekende hakken. Om schommelen te voorkomen heeft ze de andere hak er ook afgetrokken en heeft een stok nodig om het nog wat dragelijk te maken. Tevergeefs zoeken we weer een winkel waar ze schoenen hebben.
Wel vullen we de voedseldrankbrandstofvoorraad aan en doen wat aan direct inneembare voeding. Een kilometer of zes verder bouwen we de tent weer op en midden tussen watervalletjes en snel stromende beken val ik in slaap, te moe om verder te schrijven, het papier te nat om leesbaar te blijven.

Na een droge nacht zonder midges staat er veel wind en het is koud, maar dat is op te lossen. In de wind proberen we zoveel mogelijk te drogen en we reorganiseren de boel. Alle zakjes zijn nog heel alleen de bioburger heeft gelekt. Natte kleffe poeder is het resultaat en alles zit onder.
De kinderen vinden het reuze spannend dat we voorlopig geen dorp tegenkomen en een beetje moeten proberen door te lopen. We hebben drie dagen droogvoer bij ons en ik hoop dat in Bridge of Orchy een beetje te kunnen aanvullen. Vrolijk fluitend naar een af en toe doorbrekend zonnetje tussen de bergkammen loop ik weer eens optimistisch te zijn. Mijn filosofie is: Pessimisten lopen altijd in een regenjas, optimisten worden nat. Dat krijg je als massa's langharige, werkschuwe schapen in je blikveld rondlopen en om de honderd meter een klaterende waterval je benevelde brein schoonwast.
Om vijf uur zijn we in Bridge of Orchy. Oei, geen winkel, alleen een hotel. Even vragen maar want hierna moeten we een dag of drie in de wildernis ronddolen. De volgende plaats voor bevoorrading is Kinochsleven. In het hotel is alleen wat snoep te krijgen en een menu van de dag om zes uur. De slechte ervaring doet ons twijfelen, maar wat dan? We moeten in ieder geval, kost wat kost gevuld verder.
De verrassing is groot als blijkt dat dit hotel wel een soort 'herberg' is. Geen vieze blikken naar modderschoenen en natte vuurrook kleding, maar een hokje waar je het spul kunt neerzetten, een 'Walkers welcome' stikker op de deur. Je kan er een bed zonder linnengoed krijgen voor zes gulden per nacht (slaapzakken hebben de wandelaars veel bij zich en anders kun je lakens en dekens los huren) en in een wachtruimte staan banken waar je onlosmakelijk mee verbonden raakt, zo diep zak je erin weg. Koffie en thee staan voor het grijpen. Om even na zessen eten we voor een redelijk bedrag onze buiken vol. We kopen nog wat chocolade voor onderweg en zetten honderd meter verderop langs een rivier de tent neer.

Vandaag begint dan echt de beproeving, de barre tocht naar het hoge noorden. Een expeditie door kale woeste hooglanden. Dus beginnen we rustig aan, gooien bij het hotel nog wat overbodige verpakkingen weg en zetten onze turbo aandrijving op voluit.
We eten zoveel mogelijk vroeg in de middag warm, alles wat we opeten hoeven we niet te sjouwen is het motto. Daarom weer een stop bij de rivier Abhainn Shira die uitmondt in het Loch Tulla. Na de dubbele witte boterham in de ochtend is de couscous met gedroogde peen en uien en chili con soja een vijf sterren menu. Koffie en thee toe, de boel een beetje laten zakken en we zijn weer klaar voor het volgende stuk.
Het blijft droog. Bergen en wolkenpartijen stoeien met de goudkleurige zonnestralen. Met zelfverzonnen teksten op bekende kinderliedjes bereiken we de rivier Bá en die doet haar naam eer aan. Het water ziet vies bruin en stinkt, het is de enige rivier in Schotland waar we niet van drinken. Na een bord havervlokkenpap en een paar beverkaken (Orian's uitdrukking voor Hartkeks van Bever) proberen we vroeg te gaan slapen. We hebben vandaag twaalf kilometer afgelegd dus Kinochsleven in drie dagen lijkt te gaan lukken.

Vandaag krijgen we te maken met een paar stevige klimmetjes, het wordt kaler, beektalrijker, schoennatter (Anna heeft plukken schapenwol bij de hiel in haar schoenen gestopt als een soort hakken en dat loopt iets beter), midgeminder, padmodderiger en maaghongeriger.
Even over dat laatste. In diverse trektocht- en overlevingshandboeken worden altijd porties droogvoer aangegeven die je inderdaad niet laten dood gaan van de honger, maar het moet niet te lang duren. Je blijft een honger gevoel houden. Doodbeesteter*s teren waarschijnlijk tijdens deze tochten op hun vet wat wij niet zoveel hebben. Wel is het zo dat als je je vet verbruikt het daarin opgeslagen (landbouw)gif vrijkomt en misschien is het daarom dat veel mensen dan maagkrampen krijgen en diaree krijgen. Ze snappen het niet want het beekwater hebben ze toch zo zorgvuldig gezuiverd met de aquamicropurpillen.
Ik moet in ieder geval mijn lijst maar aanpassen aan onze gezonde biologische honger en blijf 'ongezond' beekwater drinken of loop ik dan misschien kans te overlijden aan een botulismevirus en moet ik tegen mezelf beschermd worden met gedwongen injecties? Tenslotte kook ik mijn zondagse eitje ook maar vier minuten.
Orian is onze tekenlokker. Ik heb er de laatste dagen al een paar bij hem verwijderd en eergisteren zat er een al vrij diep in zijn hoofdhuid. Hij voelde zo'n raar balletje onder zijn haar. Het lijf was al een halve centimeter groot en liet natuurlijk los toen ik probeerde het eruit te trekken. De kop bleef zitten en er moest geopereerd worden. Eindelijk liet het beest los en met wat hypercal (hypericum-calendula tinctuur) op het wondje was alles weer goed. De zwelling op zijn hoofd is een stuk minder en het ziet er rustig uit. Je vraagt je dan af waarom hij elke keer, totdat je ziet dat hij zijn pet overal in het gras laat vallen. Als ik zeg dat hij dat niet moet doen omdat de teken daarin kruipen is het over.
De wolken gedragen zich hier wel vreemd, ze komen en gaan alle kanten op. Er is veel heide en soms hipt een klein vogeltje de weg wijzend voor ons uit. Zo bereiken we River Coupalt, negen kilometer voor Kinochsleven.

Het begon al met stortregen tijdens het inpakken. Anna en de kinderen gaan alvast vuilniszak ingepakt vooruit als ik probeer de kletsnatte tent uit te wringen om zo weinig mogelijk water mee te sjouwen. Het lukt nauwelijks en bij het uitwringen loopt het water alweer via mijn mouwen de tent in. Ik prop hem maar in een vuilniszak in de hoop hem ergens onderweg te kunnen drogen.

West Highland Way 2005 Coe.jpg

Dan komen we bij de Devils Staircase, een soort traptreden in een berg. Het gaat eindeloos naar boven lijkt het. De ijskoude regen geselt schuin van voren onze kromgebogen lichamen. Ik vond al dat gamaches (een soort regenpijpen met elastiek boven je kuiten die van je schoenen een soort laarzen maken) wel handig waren geweest, maar nu kom ik er achter dat ze onmisbaar zijn.
De ijsregen druipt van mijn kletsnatte broek naar beneden regelrecht mijn schoenen in, verzadigt mijn sokken en ik loop op een heerlijk verend waterbed. Jammer genoeg voel ik het niet omdat mijn voeten veranderen in ijsklompjes. Bij de anderen in het net zo. De rugzakhoezen worden via de zijkanten vol gedoucht en elke keer als ik een beetje schommel loopt er minstens een liter water uit, langs mijn broek in mijn schoenen.
Het pad over de bergtop is één grote bergbeek waar we glibberend doorheen waden. Ik merk dat het teveel gaat worden voor iedereen, de oudste is op weg naar onderkoeling. Ze loopt constant te bibberen en begint warrig te praten. Ik zeg dat we moeten stoppen, de tent hier maar midden op het pad zetten en in de slaapzakken kruipen in de hoop dat we elkaar warm kunnen krijgen.
Maar ook een Devil is maar een mens al woont hij op de Staircase. Blijkbaar hebben we laten merken het niet zo gauw op te geven en hij accepteert zijn verlies. Het wordt droog! Snel stoppen we om een beetje uit te rusten. Tot nu toe hebben we stevig doorgestapt om een beetje warm te blijven. De schoenen worden leeg gegoten, sokken uitgewrongen en voeten warm gewreven. We eten nog een lekkere koek, de iets minder natte sokken gaan weer aan (we hebben geen droge meer) en gaan weer door om lopend warm te worden.
Het was precies het moment wat we nodig hadden. Iedereen loopt weer moedig te stappen. Nog steeds komen af en toe bakken water naar beneden, maar door het snelle lopen zien we onverwacht snel diep beneden ons Kinochsleven liggen. Dat doet de moed naar de capuchon stijgen. Weliswaar is het nog vier kilometer lopen over de bergpaadjes naar beneden, maar het lijkt dichtbij en dan is dat ook zo.
Verkleumd strompelen we om halfvier een snackbar binnen voor een 'big chips'. Dan kom ik met het afschuwelijk toeristische voorstel om op de camping te gaan staan. Lekker heet douchen, met de kinderen de beroemde watervallen hier vlakbij gaan bekijken en een dagje niksen. De reactie is 'moet dat nou?' en ik lok ze nogmaals met de hete douche. Dat geeft de doorslag en gelukkig is ook de camping anders dan in onze griezelige voorstelling. Een terreintje naast de rivier met een paar tentjes en caravans, een toilet en een hokje met de douche waar we alle vijf genietend lang gebruik van maken en je realiseert je weer eens dat zoiets, wat je thuis normaal vindt een ongekende luxe is waar je bewuster mee omgaat na deze ervaringen.

Ik ga met de kinderen naar de watervallen. Imponerend maar we hebben bij elkaar veel meer water gezien. Ook het vooruitzicht op warme chocolademelk in het dorp is oorzaak van de matige belangstelling.
Anna is achtergebleven om zichzelf terug te vinden en daarna boodschappen te doen. Als wij vieren achter de dampende mokken zitten in de Harlequin en ze ons daar ziet zitten, bezwijkt ze ook voor de verleiding en ik voor een tweede mok koffie. De kinderen willen wat snoep kopen en liggen een dikke tien minuten op de vloer voor de uitstalkast om een keuze te maken. Drie kauwgomballen, vijf sleutels, drie toffees, o nee, toch maar zes sleutels, één toffee… Elke keer moeten ze opnieuw berekenen of hun wensen vervuld kunnen worden met het beschikbare zakgeld.
Omdat we ongeveer een week uittrekken voor het laatste stuk tot Fort William kopen we voor vijf dagen, zoveel mogelijk droogvoer in. We eten voor de tweede keer patat. Met rauwkost, fruit en yoghurt toe gaan we, met goed doorvoede lijven naar de camping terug. Zelfs de natte kleding is tussen de buien door bijna allemaal droog. Met een flesje Schotse whisky en chocolade kruipen we lekker vroeg tussen het dons. Het 'moest' dus even.

Geen regen, dus… midges. Zwermen belagen me weer als ik probeer wat ochtendpap te maken. Ingepakt maar weer (tot mijn verrassing bleek ik onder in de rugzak nog een paar heel lichte zijden handschoenen te hebben meegenomen, voorgevoel?) krijg ik het vloekend voor elkaar, net voor ik afgevoerd moet worden. Die beesten maken je echt gek.
Ik kook gelijk de rijst een paar minuten en de hete pan verdwijnt in een stuk krant, in de slaapzak, in de rugzak. Nog een reden om van die stomme Hollandse gewoonte s'avonds warm te eten af te stappen. Behalve je eigen betere energieverbruik is na die paar minuten koken de rijst om een uur of één gaar en nog steeds warm is. Zo kun je gelijk aan 'tafel'.
Na het ontbijt volgt een enorm steile klim driehonderd meter hoger, op die hoogte gaat het een beetje op en neer tussen de bergen door. We genieten van de droogte en de zon. Op een mooi plekje langs een beek stoppen we weer en maken een vuur. Koffie met whisky, thee, brood met kaas, een zon die geweldig onder gaat tussen zware donkere wolken die de stralen als schijnwerperbundels op de berghellingen werpen, hoezo ellende?
Ik weet niet goed wat ik van dit stukje heelal moet vinden, de tegenstellingen zijn zo enorm. De schoonheid van het landschap, vriendelijke mensen, de kou en ik kan geen water meer zien, de midge kwellingen, ik wil naar huis, ik wil hier altijd blijven.

Westhighlandway2.jpg

Toch waren ze weer mee naar binnen geslopen, mijn enkels zijn alleen nog bult. Gelukkig hebben we geen haast, dus kunnen we de slechte nachtrust een beetje inhalen. Het regent trouwens nog.
Een tijdje later maak ik van een droog moment gebruik door alvast de scheerlijnen weg te halen. Anna, die nog in de tent zit denkt dat ik vuur aan het maken ben om vandaag hier te blijven. Omdat alle haringen al uit de grond zijn toch maar een stukje lopen. We komen langs twee oude half vergane huizen met daarachter een stromende beek en fantaseren over het beginnen van een herberg op deze plek. Tegelijkertijd weet je dat zoiets misschien wel de ondernemingsgeest aanwakkert, maar dan moet je niet drie kinderen te verzorgen hebben.
Net voor het weer gaat druppelen vinden we een plekje, vlakbij een bos met veel dood hout en een beek. Ik wordt tijdens het vuur maken wel nat, maar dat compenseer ik met het laatste restje whisky in mijn koffie. Regenjas en natte broek uit, de warme slaapzak in. Iris zit armbandjes te knopen, Orian slaapt alweer en Rosan bekijkt met Anna de route voor morgen. Nog twaalf kilometer, we zullen langzamer moeten.

De volgende dag zitten we al vroeg bij een groot kampvuur met een warme maaltijd en een warme kruik voor Rosan met een beetje buikpijn. Vandaag zijn we blijven staan en dat blijkt een goed idee. Een dikke mistdeken daalde vanmiddag over 'ons' dal, jammer genoeg duurde het maar even. Wollige wolken gleden langs de berghellingen als stroop langs een schuin gehouden pannenkoek en onttrokken elke spleet aan het oog.
Ook nu het avond wordt zit ik lang bij het vuur terwijl Anna een paar sokken aan een tak boven de vlammen probeert droog te krijgen. Het houtvuur sterft en ik rook mijn laatste sjekkie (voor vandaag). Anna vindt dit een triest dal, kale bergen, grijze wolken, mist. Ik merk wel meer een groot verschil in beleven tussen ons. We zijn nog niet zolang samen al zijn we al lang bevriend. Soms vraag ik me af of het daar niet bij had moeten blijven.

Lekker lang uitslapen zonder bloedvacuumzuigertjes, een stuk lopen en pannenkoeken bakken. Alweer zo'n misvatting dat dit handig droogvoer is. Meel, kaas-, melk- en eipoeder en je kunt heerlijke pannenkoeken bakken. Dat klopt wel alleen niet met vijf personen. Dat is uren werken en hopen dat het vuur een beetje onder controle blijft. Nou ja, het lukte weer. Tijdens het eten hangen de natte onderbroeken en sokken aan een takkenpiramide boven het vuur te stomen.

Het is drie uur als we Fort William naderen en de hoogste berg van Schotland, de Ben Nevis, niet zo imposant blijkt te zijn als we dachten. Veel mensen doen blijkbaar of ze dat wel vinden, want beneden ons, aan de voet van de berg ligt een enorme camping en de langslopende weg staat vol met auto's.
Het effect daarvan is duidelijk te zien. Bulldozers en vrachtwagens maken dit laatste stuk WHW kapot door met hun graafklauwen de bomen plat te walsen en het begin van een weg aan te leggen, compleet met 'bijzonder uitzicht' parkeerhavens. Het is (nog) niet geasfalteerd, maar het ziet ernaar uit dat het niet lang meer duurt.
Mister Bean moet uit de rugzak om de Ben Nevis te zien, de pop van Iris zit al boven op de rugzak te kijken en ook Scottie en Beertje van Orian kijken hun ogen uit naar de hoogste berg.
Nog een ijsje en een Schotse button voor de kinderen, brood en lekkers voor onderweg en wegwezen uit deze heksenketel, of zijn we ineens zo aan rust gewend? Tja, wat nu. De bus naar Glasgow? Dan komen we daar om negen uur in de avond aan en moeten daar nog een dag wachten. Dan maar een stuk terug met de bus naar Bridge of Orchy.
Een leuke plek om nog een dag te staan denken we en om kwart voor zeven lopen we het hotel in voor een lekker maal. Deze keer is het iets duurder, maar tenslotte is het ons galgenmaal.

Het weerbericht had toch echt wat zon beloofd, maar de hele dag regent het flink. De kinderen spelen onvoorstelbaar lief in de tent. We doen spelletjes en als ze zich echt moeten aankleden om een uur of vijf zijn ze verbaasd dat de dag al voorbij is. Orian kan zijn onderbroek niet vinden en zegt na een tijdje zoeken ineens lachend 'oh, ik heb hem al aan'.
Om halfzeven staan we ingepakt weer bij de bushalte, het regent maar door. De halte bestaat uit een parkeerstrookje tegenover het hotel en tegen de muur geplakt om een beetje uit de ijskoude wind en regen te staan kijken Anna en ik om beurten de weg af of er iets komt. Je moet de bus hier aanhouden anders rijdt hij gewoon door. Eindelijk komt er om halfacht in de verte een bus aan. We zwaaien of ons leven ervan afhangt, maar de bus rijdt door. Wel maakt de chauffeur een gebaar naar achteren. We snappen er niets van en blijven erg depri nog natter staan te worden. In het hotel weten ze te vertellen dat de bus waarschijnlijk vol zat en dat er dan nog één komt.
Dat betekent toch weer in de regen gaan staan en om acht uur klimmen we druipend in een bus waarvan de verwarming kapot is. Rillend komen we om tien uur in Glasgow aan. De hoop om hier op dit tijdstip nog een bus naar Londen te vinden verdwijnt al snel. Er wordt veel voor ons geprobeerd, maar de bussen die nog vertrekken zitten allemaal vol en om elf uur horen we definitief dat het (sorry, sorry) niet lukt. De wachtruimte gaat dicht en er zit niets anders op dan ergens een slaapplek zoeken.
Tegen mijn gewoonte kruipen we een beetje uit het zicht in een donker hoekje uit de wind omdat Anna het eng vindt en worden urenlang lastig gevallen door allerlei mensen die, zoals gewoonlijk in een nachtelijke stad, rondhangen op zoek naar het bevredigen van hun verslaving. Niet dat ze gevaarlijk zijn, als je blaast vallen ze om, maar we doen geen oog dicht. Zelfs mijn opmerking ons met rust te laten helpt niet en om halfdrie heb ik er genoeg van en we slepen de slapende kinderen naar een plek in het volle licht tegen de gevel van de station. Gelukkig is het droog en niet zo koud meer. Anna kan helemaal niet slapen en ik dommel af en toe wat weg.

Het is halfzeven als we het veld moeten ruimen voor een boenwagen, maar gelukkig gaat dan ook de hal weer open en kunnen we koffie en chocolademelk drinken. Zo wordt het tien uur en kunnen we eindelijk in een warme bus naar Londen stappen.
Sinds de privatisering hoogtij viert proppen ze bussen zo vol mogelijk en rijden acht uur door zonder dat je de benen kunt strekken. Halverwege springt er een nieuwe chauffeur in. De rit duurt zo een kwartier korter, maar we zijn wel gebroken. In Londen nemen we als troost een ijsje.
Op de boot is het lawaaierig en we slapen slecht. Anna gaat het dek op en praat een tijdje met een Turks meisje uit Engeland die naar de bruiloft van haar broer in Nederland gaat. In de bus naar Den Haag kletst ze nog verder met de moeder van het meisje terwijl wij elke keer in slaap dommelen. Thuis hebben we heel wat slaap in te halen en veel om over te dromen, moe en heel veel ervaringen rijker.

[bewerken] Frankrijk: De ronde van Belle-Ile

Carte belleile.gif

De reis naar Belle-Ile, een klein eilandje ten zuiden van Bretagne, in 1998 was een gevolg van vier seizoenen geen lange afstand wandelingen (na Schotland een hectische tijd met vier verhuizingen en een bevestiging van mijn eerdere gevoel in zeven jaar samenleven dat we het bij die vriendschap hadden moeten laten.
Waarom zoek ik toch altijd een eiland op om uit de impasse van een geëindigde relatie te komen? Dit is mijn 56ste levensjaar met 13 keer een volle maan. Die zeven jaren cyclus en maan bepalen heel mijn leven, maar dat wist ik al[3]. Hopelijk wordt dit niet weer zo'n heftig jaar als het 49ste, hoewel die combinatie zeven en dertien het ergste doen vermoeden. Ach, ik heb inmiddels ervaren dat hoe dan ook een sterke verandering altijd wel positief uitpakt al begin ik er langzaam wel genoeg van te krijgen. Misschien moet ik verder wel gewoon als single door het leven want die 'ware' bestaat natuurlijk gewoon niet. Nou ja, mijn leven is tot nu toe verre van saai geweest.
Hoe dan ook, na maanden van 'wat nu' weer de rugzak ingepakt en met zoon Orian en vriend Ries naar Bretagne met Eurolines. Het is eind juli als we in Amsterdam op de bus via Parijs naar Nantes staan te wachten. Een rond slenterende man vraagt of we wat te roken hebben, hij mag wel een sjekkie van me draaien maar dat is blijkbaar niet de bedoeling. Nee, die bedoeling hebben we niet. Hebben we dan misschien wat te eten. Een hongerige zwerver kan natuurlijk altijd een boterham krijgen van ons meegenomen lunchpakket en Ries geeft hem een dikke zuurdesemboterham met kaas. Even verderop zien we dat hij de kaas er tussenuit vreet en het brood in de goot smijt. Zo hongerig was hij dus niet al zag hij er uitgemergeld uit, maar dat zal wel een andere oorzaak hebben.
De busreis verloopt voorspoedig en in Nantes stappen we op een Franse bus naar Auray bij Vannes. Daar lopen we in twee dagen naar Quiberon. Ergens halverwege slapen we langs de kust.

Phares-du-Palais-Belle-Ile.jpg

De laatste vijftien kilometer gaan over een smal schiereiland, nauwelijks breder dan een weg en een strand. In Quiberon nemen we de boot naar Le Palais op Belle-Ile waar we een paar kilometer lopen over de PR in noordelijke richting. Eerst komen we nog een citadel tegen waar hordes toeristen zich verdringen, maar een stukje verder is het stil en vinden een plek voor ons eerste bivak op het eilandje.

Na een heerlijke nachtrust hoog op de rotsige kust weer op pad. Het voornemen is om de hele PR, een kustpad van zo'n 100 kilometer rond het eiland te lopen. Er loopt ook een netwerk van paden binnendoor dus als het teveel wordt zijn we snel terug in Le Palais.
Ik heb weinig aantekeningen overgehouden van deze tocht dus een uitgebreide beschrijving zit er niet in. Daarvoor is het nu te lang geleden. Een paar hoogtepunten zijn natuurlijk wel in mijn kop blijven hangen. Uiteindelijk zijn we helemaal rond geweest en dit kustpad is te gek om met kinderen te bewandelen.
Uitgestorven gebieden, waar we boven op de rotsen gekampeerd hebben, met alleen maar (zee)vogels, beukende golven en steile klippen. Piepkleine stadjes om eten in te slaan. Mooie, rustige baaien met strand en zee. In een van die baaien overkwam me iets heel mystieks, wat ik nooit meer vergeet en pas een half jaar later begreep. Doordat ik onder het gedicht een datum had gezet kwam ik erachter dat het op precies het tijdstip van de tweede volle maan van dat 56ste levensjaar gebeurd was.
Ries en Orian zaten in de baai op het strand te spelen en ik slenterde langs de vloedlijn. Een stukje verder in het water lag een groot afgeplat rotsblok wat aan mijn gevoel trok. Nu was dat niet zo bijzonder want ook in Griekenland zocht ik vaak zulke plekken op om zittend in de brandende zon op mijn eigen privé eilandje te schrijven of het leven te overdenken, maar nooit was de zuiging zo sterk geweest als hier. Ik moest er naartoe en waadde door het ondiepe water om erop te klimmen. Hier ging ik plat op mijn rug op de ruwe steen liggen. De zon brandde op mijn lijf, maar was niet heet omdat ontelbare waterneveldruppeltjes mijn huid bevochtigden.
Sommige lezer*s zullen denken dat ik een psychiater nodig had, anderen zullen het omschrijven als een esoterische New-Age belevenis. Ik denk dat mijn maangodin Selene me iets wilde laten weten[4]. Er was een vurige tinteling in mijn vingertoppen alsof ik iets 'uitstraalde' en ik had het gevoel dat de rots vloeibaar werd. Ik zakte weg in het steen, opgenomen worden is een betere beschrijving. Ik werd gewoon steen en het maakte me allemaal niets uit. Het laatste wat ik bewust meemaakte was een krabbetje dat langs mijn been en over mijn borst kroop. Later zou ik het omschrijven als een soort hypnose, maar wie of wat had me dan gehypnotiseerd? Ik mezelf?
Ik had daar heel lang zo gelegen toen een watergolf over me heen spoelde en ik 'bijkwam'. Het was vloed geworden en ik lag nog maar een paar centimeter boven het wateroppervlak. Ik had het gevoel dat ik vergroeid was met de rots en me alleen daarvan kon bevrijden door me los te rukken. Met veel moeite lukte dat en ik ging rechtop zitten. Rondom me schitterden duizenden zonnelichtjes in het golvende water waar ik een tijdje gebiologeerd naar staarde en me afvroeg wat er met me gebeurd was. Een soort wedergeboorte. Toen zwom ik terug naar het strand. Daar schrokken de anderen hevig want ik bloede overal op mijn rug en armen. Het waren geen diepe wonden. Met mijn rug in de zon om de wonden te laten genezen heb ik de ervaring proberen te omschrijven in een gedicht.

Claude Monet Pyramides Port Coton.jpg

Een rots mijn eiland
Tintelend steen verkoelt mijn rug
Thuis, vrij van ‘t strand
Ogen dicht, geen weg terug
Kreeft spreidt scharen en ziet
Lichaam, lijf, twee geesten één
Magie uit vingers smelt hard graniet
Vlees zakt weg in ‘t zachte steen
Woeste golven gestuwd tot vloed
Er tast met voedsel zoekend poot
Een zeediertje via mijn voet,
Been, buik, over mijn borst ontbloot
Het voelt rots en merkt mij niet
Ben door Medusa’s blik versteend
Maar Poseidon wekt mij met zijn lied
En rukt mij los met bebloed gebeent
Witte meeuwen in hemels blauw
Wachten krijsend op mijn bevel
Stuur ze vliegensvlug naar jou
Ik leefde even in de hel
En nieuw geboren uren later
Zie ik edelstenen in deez’ oceaan
Kinderen van zon en water
Die ik wil bewaren tot volle maan
Dan zou ik je er zeven willen geven
Als symbool voor ‘t eeuwig leven

Een andere anekdote die ik nog beschrijven wil omdat die is blijven hangen als iets waarvan ik vind dat het leven zo zou moeten zijn, maar het tegendeel zo vaak tegen kom. Het laatste stukje PR vlak bij Le Palais werd ons te druk en we namen de bus. Deze worstelde zich door de nauwe, volle straatjes om ergens plotseling stil te staan. Midden op de weg stonden een jongen en een meisje in innige omhelzing de kus van hun leven uit te wisselen. Ze waren blijkbaar ergens in een hemelse wereld want ze hadden niet door dat de bus minutenlang stond te wachten. Iedereen in de bus was natuurlijk nieuwsgierig naar het oponthoud en stroomde naar voren. Het werd een live opgevoerde liefdesgeschiedenis. Toen ze eindelijk het bewustzijn terug kregen en het buspubliek luid applaudisseerde stoven ze met rode koppen naar de kant en maakte verontschuldigende gebaren. Nadat ze doorhadden een straatvoorstelling te hebben gegeven bedankten ze voor de ovatie met een diepe buiging. De chauffeur reed lachend verder.

[bewerken] Duitsland/Eifel: Rondje Hellenthal

Wie had dat ooit gedacht bij zo'n ouwe knar, een stormachtige nieuwe relatie, maar het was natuurlijk niet voor niets een jaar met dertien volle manen in mijn 56ste levensjaar en het nummer 711K711 (mijn 7 en zij was op 11/11 jarig en 11 jaar jonger) op mijn bankpasje[5].
Dus een nieuwe loopperiode want ik had met mijn afgelopen relatie-ervaringen wel een paar eisen opgesteld. Een nieuwe partner moest me met rust kunnen laten als ik schrijfsels aan het produceren was, ze mocht me alleen voor een net zo belangrijke bezigheid als vrijen achter het toetsenbord vandaan sleuren, ze moest vegetarisch zijn en van lange bergwandelingen houden, kortom ze moest lief zijn, anders zou ik voortaan single door het leven gaan.
Ze had al wel de loopdrang ervaren, tijdens kampeervakanties met haar gezin. Als ze in haar eentje een wandeling ging maken wilde ze vaak doorlopen, lekker dagenlang de natuur in, maar het was er nooit van gekomen. Wel zei ze niet 'in het wild' te willen overnachten na het lezen van mijn eerdere wandelverhalen. Ik had daar zo mijn gedachten over, als ze het eenmaal een keer had meegemaakt zou ze waarschijnlijk niet anders meer willen. Natuurlijk kun je gaan rennen om een camping te halen, maar dat is tegengesteld aan het gevoel van onthaasting, lekker alles in je opnemen en als je er genoeg van hebt je tent opzetten.
De keuze viel op de Nordeifel, ze had nog een kaart van het gebied rond Hellenthal en deze omgeving bleek vergeven van wandelroutes, prachtig oefenterrein voor mensen die wat meer willen dan het Pieterpad, maar nog niet aan bergwandelingen toe zijn. Daarom een kort stukje uit 1999, ik heb toen geen aantekeningen gemaakt, waarschijnlijk had ik wat anders aan mijn hoofd.

Hellenthal - Oleftalsperre 03 ies.jpg

Je kunt er verschillende wandelpaden (een stuk) volgen of, zoals wij een grote rondwandeling van een week of drie plannen. Winkels en water is in dit gebied geen probleem, je komt voldoende huizen en dorpen tegen. Er is één herinnering die wel sterk is blijven hangen.
De eerste dag hebben we geen camping gehaald. Het opzetten van de tent was onmogelijk op het smalle strookje vrije ruimte. Het was mooi weer dus met een stukje plastic onder en over de slaapzakken tegen noodgevallen, geen probleem, voor mij. Ze zag in dat er geen andere mogelijkheid was, het werd langzaam donker en best eng met al die geluiden als het begint te schemeren. Met een ietwat benepen stem vroeg ze of er misschien ook beren in de Eifel zaten. Lachend bevestigde ik dat en noemde nog een rijtje gevaarlijke beesten zoals wolven, leeuwen en tijgers.
Die nacht heeft ze erg slecht geslapen, hoewel ze wel wist dat ik er een grap van maakte droomde ze die nacht van zeven verschillende wilde beesten. Dat zullen wel mijn zeven alter ego's zijn geweest. Het was wel de vuurdoop. Daarna wilde ze nooit meer op een cam-ping behalve als er een douchebeurt nodig was of echt geen mogelijkheid tot wild kamperen. Leuk detail is wel dat alle dieren, waar-van ze had gedroomd aan ons verschenen. Op een reclamebord, een privé dierentuintje of merknaam, tot de laatste toe. Toen we in Nederland achter een vrachtwagen terug naar huis reden staarde een enorme leeuwenkop ons aan. Vriendelijk lachend, dat wel.
Zo en dan nu weer naar de echte reisverslagen want vanaf die tijd ging ik weer aantekeningen maken.

[bewerken] Frankrijk/Pyreneeën/GR10: St.Jean Pied de Port – Hendaye

Voor zover ik kan onderscheiden in het schemerige licht van het nachtlampje boven de deur, staar ik naar een metalen dak op ongeveer zestig centimeter boven me. Gaan zitten kan alleen met gebogen hoofd en toen ik me in het bovenste bed van de couchette wurmde had ik het gevoel levend in een doodkist te liggen. Het dak rammelt bij de minste aanraking.
Ik heb het over de nachttrein van Rotterdam naar Parijs. Uit ervaring weet ik dat slapen op een zitplaats vaak een aantal stijve spieren oplevert en het zijn meer tukjes die je doet dan echt slapen, dus hebben we voor veel te veel geld twee slaapplaatsen in een couchette besproken. Weggegooid geld, want we slapen nog slechter.

Duf en gebroken staan we op 23 juni 2000 om zeven uur in de ochtend op station Paris-du-Nord waar de boel nog een beetje op gang moet komen. Het voelt er verlaten en luguber, vooral als iemand langs rent die waarschijnlijk wat heeft gejat. Een achtervolger doet een vruchteloze poging hem in te halen.

Gare du Nord Paris.jpg

We gaan op zoek naar een toilet. Gesloten! Let wel ik heb het hier over het station van een wereldstad. Om zeven uur zijn er geen toiletten open! Dan maar koffie drinken want ook die behoefte dient zich aan en daar naar de wc. Als de koffie op het tafeltje staat, blijkt er op de wc-deur een muntslot te zitten. We hebben geen munten en aan de bar kunnen ze niet wisselen, zeggen ze.
Ja hoor, het avontuur is weer begonnen. Waarom gaan we ook niet gewoon met een chartervlucht twee weken in een appartement aan de Costa del Sol zitten? Daar hoef je maar met je vingers te knippen of er komt al een slaafje aanrennen met een pispot.
Inmiddels is het acht uur en krampachtig onze sluitspieren bedwingend dalen we de trappen af, het metrolabyrint in. Gelukkig vinden we daar wel een te gebruiken toilet.
Een 'vriendelijke' Frans biedt zijn hulp aan om kaartjes te kopen, maar die ervaring heb ik achter de rug. Blijkbaar lukt het na twaalf jaren nog steeds om mensen op die manier op te lichten. Je zou het regelmatig moeten omroepen 'stink er niet in, ga gewoon in de rij bij een loket staan en wijs alle hulpaanbiedingen resoluut van de hand'.
De wirwar van gangen en trappen in deze onderwereld bezorgt me altijd een vibratie in de buurt van mijn ruggengraat. Ik geloof niet in een hemel of hel na de dood, dat is tijdens je leven op aarde al werkelijkheid, maar het Parijse metrostelsel moet wel ontworpen zijn door iemand met een ziekelijke hang naar Dante's Inferno (Het deel uit La divina commedia waarin Vergilius Dante meeneemt op een tocht door de hel).

Paris Metro Simplon.jpeg

Als je niet tevoren goed uitzoekt welke metro je moet hebben om te komen waar je wilt zijn en niet nauwgezet de bordjes volgt, die verloren dreigen te gaan in tientallen andere (reclame)bordjes, raak je hopeloos verdwaald in de sinistere tunnelbuizen waarvan de wanden zijn bekleed met posters die je trachten te verleiden je ziel te verkopen. Jonge jongens en (meestal) meisjes staren je aan met een zwoele blik alsof de hoogste genieting bestaat uit het kopen van het aangeprezen product, vaak dure auto's, proefdiercosmetica of de eerder genoemde chartervluchten naar de Costa del Sol.
Tegen de muur, onder deze verlokkingen zitten mensen die hun ziel al hebben verkocht. Duidelijk verslaafd aan het één of ander zitten menselijke wrakken met een stukje karton, waarop staat dat er thuis hongerige kinderen wachten, tot iemand hen het muntje geeft waarmee ze Charon moeten betalen voor de tocht naar de Tartaros.
De dagelijkse aanblik van deze twee uitersten laat massa's mensen zichzelf elke dag weer door de buizen persen want niemand wil daar werkloos en verslaafd zitten en voor die andere verslavingen heb je veel geld nodig. Met een lege, ongelukkige blik in hun ogen (bijna nergens zie ik iemand lachen) spoeden ze zich naar hun saaie banen omdat ze denken ooit gelukkig te kunnen worden met een toilettafel vol cosmetica, een duurdere auto dan de buren, natuurlijk Viagra. Pas dan ben je eeuwig jong, mooi en snel. Het alternatief is immers een stuk karton om je nek? Ik weet dat er nog een mogelijkheid is.
Rammelend, piepend en knarsend stopt de metro langs het perron. Mensen dringen zich in de overvolle coupés zonder zich te bekommeren of er misschien iemand uit moet. Als de duw- en trekstrijd geluwd is klinkt een belletje en de deuren schuiven dicht. Ook hier zitten de meeste mensen mistroostig de nieuwe dag te begroeten. Na een paar haltes staat de metro stil in de donkere tunnelbuis. Storing!
Dat kunnen we niet hebben. Een uur bezig geweest met die toiletten, voor de metrorit moet je ook een uur rekenen en onze trein wacht. Langzaam gaan we achteruit naar het vorige station. Er wordt wat omgeroepen, maar dat verstaan we niet. Bijna iedereen blijft zitten dus het zal wel goed komen. Er persen zich nog wat meer mensen in het nu toch wel erg volle, benauwde voertuig.
Dan komt er weer beweging in, langzaam, maar we gaan vooruit. Het volgende perron staat overvol en de chaos wordt nu wel erg compleet. Als er echt niemand meer bij kan rijden we weer verder en… staan halverwege de tunnel weer stil. Heel lang nu. Weer klinkt de stem uit de luidsprekertjes. We gaan weer terug en moeten verder met de bus. Dat wordt puinhoop. Als ik bij een loket probeer te weten te komen waar we die bus kunnen vinden volgt een wat vaag 'boven, bij de uitgang'.
Als Nederlander verwacht je in zo'n geval speciaal ingezette bussen, maar het blijkt de bedoeling te zijn dat je gewoon verder gaat met een lijnbus. Boven, bij de uitgang vinden we wel een bushalte, maar geen bus die naar station Austerlitz gaat. Speuren op de lijnenkaart in het bushokje levert op dat ergens verderop de gezochte bus moet stoppen.

Metro Austerlitz.JPG

De tijd dringt nu wel heel erg, het is heet geworden, toeterende auto's stinken de straten vol smog. Ondanks mijn nonchalante houding 'dan pakken we gewoon de volgende TGV' loopt mijn vriendin zich op te winden dat we de trein niet halen. Alles zorgt er bij elkaar voor dat ze het steeds benauwder krijgt. De laatste tijd krijgt ze steeds meer moeite met haar ademhaling.
Dan vinden we de bushalte die de paniek nog wat vergroot. Weliswaar is het de goede bus, maar in de verkeerde richting. De bus in de goede richting rijdt ergens een paar straten verder achterlangs en we rennen met hobbelende rugzakken daar naartoe. We springen in de overvolle bus en een paar minuten voordat de trein vertrekt komen we op Austerlitz. We vliegen de trappen op en op het moment dat de fluit klinkt springen we de trein in. Het grootste deel van de reis zitten we uit te puffen en ons tekort aan slaap een beetje in te halen.
In Bayonne hebben we veertien minuten om een kaartje naar St.Jean Pied de Port te kopen en het juiste perron te vinden, maar onze TGV, je weet wel zo'n supersnelle komt zeven minuten te laat binnen en weer halen we het niet. Vier uur wachten, gelukkig gaat er nog een trein. Rustig nu, we hebben ruim drie weken de tijd aan ons zelf.
Het blijkt een klein dieseltreintje te zijn wat zich steunend een weg zoekt door de beginnende bergen van de Pyreneeën. Hier kijken we onze ogen uit. Dat kan ook want de gemiddelde snelheid ligt op zo'n dertig kilometer per uur, maximale beleefsnelheid dus. Volgens mij de juiste snelheid waarbij je als mens nog net van de dingen die je ziet kunt genieten. Oude bruggetjes over woest stromende beken, tunneltjes door bergen gehakt in vervlogen tijden. De mooiste beleefsnelheid is natuurlijk wandelen.
We stoppen ergens bij een spoorovergang, waar op de weg een man en een paar kinderen staan te wachten, niets wijst op een station. Een jonge man stapt uit en wordt hartelijk begroet, wij gaan weer verder.

FR-64-Saint-Jean-Pied-de-Port23.JPG

In St.Jean Pied de Port is wel een stationnetje, tenminste een gebouwtje wat daar voor door moet gaan. Geen perrons of andere poespas. Je springt de trein uit en loopt gewoon over de rails naar de uitgang. Je waant je in een spaghettiwestern. Dit alles vergoedt in één klap alle Parijse ellende. Achter het station is een kleine en goedkope camping waar we voor die nacht naartoe gaan.

FR-64-Saint-Jean-Pied-de-Port26.JPG

Als we de volgende morgen onze rugzakken pakken klinkt applaus. Een echtpaar van middelbare leeftijd die in een vouwcaravan kamperen vindt ons blijkbaar erg heldhaftig. We zoeken de eerste wit/rood markeringen van de GR10. Eerst nog een flink stuk langs bebouwd gebied, maar dan komen we aan de voet van een 1000 meter hoge berg die we op moeten en laten de huizen achter ons.
Een stuk verder is een prachtig plekje met stromend water, dus genoeg voor vandaag. Koken op een kampvuur en mijn wandelmaatje groeit bijna aan haar verrekijker vast. Ze heeft besloten deze reis op zoek te gaan naar de door mij beloofde beren die ze in de Eifel heeft moeten missen (wel in de verte, graag). Waarschijnlijk zal ze tevreden moeten zijn met roofvogels, gieren, herten, berggeiten enzovoorts.

Als we opstaan, wat later dan voorgenomen omdat we toch wel wat slaap in te halen hadden, is het al veel te heet om met de klim te beginnen en we wachten tot het eind van de middag. Het pad gaat zigzaggend stijl omhoog en telkens denken we op de top te zijn als na de bocht toch weer blijkt dat het nog hoger gaat.
Op een wat groter plat vlak is een waterput, een kraan en drinkbakken voor vee. We hebben dus voor niets drie kilo water de berg op gezeuld. In de drinkbakken zitten allemaal kleine kikkervisjes en we snappen niet hoe die daar komen op deze hoogte. Padden, die trekken grote afstanden over land, ja het zijn natuurlijk paddenvisjes. Later bedenk ik dat het waarschijnlijk gewoon kleine salamandertjes waren. Dat komt ervan als je in Rotterdam geboren bent

Wijs geworden door de vorige dag hebben we de wekker op zes uur gezet en worden wakker boven een wolkendeken. Het dal wat gisteren nog duidelijk te zien was, is verdwenen onder de wolken en dit zijn de momenten waarvoor je het doet!

Pyrenees into the mist.jpg

Met je tentje op een berg, waarvan de top in de zon ligt die als een onbewoond eiland drijft in een wolkenzee. Uitzicht op bergtoppen om je heen, de wereld daaronder bestaat niet meer. Een stilte die bijna onvoorstelbaar is, een gevoel alsof je samenwoont met de Griekse goden op de Olympus en dat gefriemel daar beneden maar belachelijk is. Een aparte sfeerervaring, hoe anders kun je de emoties omschrijven die dit moment opslaat op een plekje van je harde schijf waar het nooit meer gewist zal worden.
Het pad gaat hoger, we waren er nog niet en het laatste stukje is de helling zo stijl dat mijn vriendin op handen en voeten omhoog kruipt. Ik ben boven als zij nog maar halverwege is en ik ga terug om haar rugzak te dragen. Het gaat fout met haar ademhaling. Telkens na een klein stukje klimmen moet ze flink uitpuffen om weer een paar stappen te kunnen doen. Gaat haar droom eindelijk bergen te beklimmen verloren door haar lichamelijk gebrek?
Op de top houden we een tijdje pauze en verbazen ons over de uitzichten rondom. Welke richting je ook kijkt, alleen maar bergtoppen in de verte, beboste hellingen die lijken op velden boerenkool en zwevende silhouetvogels die tegen de blauwe hemel geplakt zitten. We willen wat eten, hier midden tussen de schapenkeutels, maar het twee dagen oude stokbrood is zo taai geworden dat kauwgom daarbij vergeleken lekker knapperig is. We strooien het uit voor de vogels en de schapen en eten een paar beverkaken met kaas.
Het is fiks warm aan het worden als we gaan afdalen, een zandpad door een kaal terrein met niet meer schaduw dan die van onszelf. Een eind verder komen we bij een paar rotsblokken en bezweet maar dankbaar spreiden we de slaapzakken uit voor een siësta. Een joekel van een roofvogel vliegt vlak boven ons langs, dat is voorlopig het laatste wat ik zie.
Ik word wakker van een vleug wind, die mijn haren mijn gezicht laat kriebelen. Donkere wolken in de verte voorspellen niet veel goeds en snel gaan we verder om erachter te komen dat we onze wit/rood markering kwijt zijn. Wel zien we groen/witte en die volgen we maar. De lucht wordt donkerder, er klinkt gerommel en een harde wind steekt op. Het duurt niet lang of enorm dikke regendruppels plenzen naar beneden. Met het stuk plastic, dat normaal als bescherming voor het grondzeil onder de tent ligt boven ons hoofd schuilen we stijf tegen een steile bergwand aangedrukt.
Even wordt de regen minder, het blijft onweren en waaien en snel zoeken we een tentplek. Vlakbij een schaapskooi is een redelijk vlak stuk en terwijl overal om ons heen de flitsen door de hemel bliksemen maken we ons bivak.

Zes uur wakker. Naast onze tent staat een auto, een vrouw haalt er rammelend melkbussen uit en brengt ze naar de schaapskooi. Even later verschijnt de hele kudde om gemolken te worden. Het waait nog steeds behoorlijk hard. Geen ideale omstandigheden voor een ontbijt en we breken de tent af.
Het oude tentje wat we bij ons hebben is thuis zorgvuldig gerepareerd. Er zaten scheuren in het muskietengaas en de bevestigingspunten van de haringen waren uitgescheurd. Dat is allemaal goed gekomen. We hebben hiervoor gekozen omdat de piramide tent toch wel groot (en zwaar) was voor ons. Hier passen we net in met z'n tweeën en het weegt maar 2 kilo. Nu blijkt echter dat het tentdoek zelf niet waterdicht meer is en de slaapzakken zijn bij het voeteinde en een zijkant flink nat.
Tot overmaat van ellende grijpt een plotselinge harde rukwind een slaapmatje inclusief slaapzak en blaast het tegen het ijzeren hek van de kooi. Een flinke scheur in de Therm-a-rest mat is het gevolg. Gelukkig hebben we lijm en plakkers bij ons en het lukt om de winkelhaak van vijf centimeter te repareren.
Als we het dal inlopen, valt de wind weg. De beschutting of weersverandering? Het lijkt op het laatste want ook de zon klimt hoger. Onderweg passeert ons, al zwaaiend de schaapsherder die in zijn huis verdwijnt. Over de omheining van een tuin hangen lekkere dikke aalbessen. Daar mogen we er vast wel een paar van plukken om ons vitaminepeil wat op te krikken. In het dal vinden we een mooi plekje bij een beek met waterval. Wassen, eten en een poosje rusten.
We lopen licht stijgend het dal weer uit, zoekend naar een pad wat ons op de GR10 brengt. Volgens de kaart moet de GR ergens boven op de berg lopen langs een kapelletje wat we een stuk hoger zien liggen. We voelen er niet veel voor om hier omhoog te klimmen en hopen dat we een stuk verder de route wel oppikken.

Na een goede nachtrust lukt het allemaal weer een stuk beter en we vinden even later ook de wit/rood markeringen weer. Twee tegemoet komende wandelaars vragen of alles goed is en weten te vertellen dat St.Eugiënne niet ver meer is. We denken er het onze van omdat het tempo van de twee nogal hoog ligt, als we nog een keer omkijken zijn ze al bijna niet meer te zien.
Er volgt een stevige afdaling. Zo één waarbij je enkels, kuiten en knieën het zwaar te verduren krijgen, maar onder de middag lopen we het dorp binnen. Net voor de winkel sluit kunnen we nog een stokbrood bemachtigen en op een bankje bij de kerk smullen we hiervan. Op een terras drinken we koffie. Om beurten verdwijnen we een paar minuten naar het toilet om de tanden eens grondig te borstelen en even rustig op een echte wc te zitten. De winkel gaat pas om half drie open dus strekken we ons uit aan de oever van een riviertje.
In de winkel worden we aangesproken door een Nederlands stel. Of wij daarheen gaan waar zij net vandaan komen. Ze bedoelen hiermee de bergkam, ons volgende deel van de route. Volgens hen is dat een vrij pittig stuk. Dat hadden we op de kaart ook al ontdekt, drie á vier dagen lopen zonder iets tegen te komen en behoorlijke klimpartijen. Maar hier kunnen we onze voorraad aanvullen en welgemoed klimmen we alvast een stuk helling op en planten onze tent in een weiland voor de nacht.

Achteraf gezien was de astma aanval van mijn maatje, zo'n zes weken geleden al een signaal voor wat er nu gebeurt. Ze heeft slecht geslapen, zit zwaar te hijgen en bij het denken aan verder lopen alleen al krijgt ze het flink benauwd. Na een paar uur wachten is er geen verbetering, het lijkt zelfs erger te worden en ik besluit dat we het pad weer moeten afzakken en de tent gaan neerzetten op de boerderijcamping vlakbij St.Eugiënne.
Zelfs dit stukje zakken is haar teveel moeite. Ik ga vooruit met mijn rugzak en dump die op de camping, dan klim ik weer omhoog om haar rugzak te halen, ze is nog maar een paar meter gevorderd. Als ik voor de derde keer omhoog klim om haar te helpen, zit ze nog steeds op hetzelfde plekje te hijgen en met veel moeite en ondersteuning gaan we naar beneden.
Weer zitten we het een paar uur aan te kijken, maar ze besluit dat ze zo de nacht niet in kan en wil. Er moet een arts komen. Ik trek haar schoenen aan, zelfs daar kan ze de energie niet meer voor opbrengen en we lopen meter voor meter naar de boerderij. Soms heeft ze het gevoel te stikken. Ik kan het verzoek duidelijk maken of ze een dokter willen bellen. Als het goed is zal hij er over tien minuten zijn.
We wachten twee uur op een bankje, terwijl ons telkens verteld wordt dat de dokter ergens bezig is, maar dat het niet lang meer duurt. Als hij dan eindelijk arriveert volgt na een kort onderzoek de mededeling dat ze mee moet naar zijn praktijk.
Het blijkt een behoorlijk vergaande aanval te zijn en Bertie krijgt een aantal puffen (inhaler), een injectie en pillen. Na verloop van tijd wordt de boel wat rustiger en met een recept op zak gaan we naar buiten. De campingbeheerder staat op ons te wachten in zijn auto (aardige mensen bestaan nog) die ons naar de apotheek brengt en tolk speelt. Met een zak vol medicamenten rijden we terug. Het dorp wemelt van militairen die hier oefenen in het vangen van ETA bommengooiers. We hebben aan geen van twee behoefte en kruipen snel in de slaapzak. Wat een dag.

Er moet nog maar een rustdag ingesteld worden om op adem te komen. Onder de douche heeft ze nog wel even last van de benauwd vochtige lucht, maar het lukt verder wel. Een grote verademing. Twee dagen geleden hadden we in het dorp geïnformeerd bij een café annex eethuis of ze vegetarische maaltijden serveren. Dat bleek het geval te zijn en we verheugen ons op de heerlijke maaltijd die we onszelf beloofd hadden. Helaas, het eethuis gaat pas om acht uur open, het is middag dus wordt het een pizzapunt.
Terug op de camping vermaken we ons een tijdje met het kijken naar de kippen. Als er één iets heeft gevonden rent ze snel weg met de buit en heeft geen tijd om het op te eten met alle anderen er achteraan, net een rugby wedstrijd.

We zijn vroeg opgestaan en trekken weer verder. De bergkam slaan we over. We durven dit in deze toestand niet aan. Dus stappen we op de bus naar Eynacce om daar over te stappen op de trein naar Bidarray waar we de GR10 dan weer oppakken.
Bij het station in Eynacce vertelt een groepje jongeren ons dat er een treinstaking is. Ze zijn naar een festival geweest en wachten op een bus die is ingezet en volgens het bericht over tien minuten komt. Ja, dat kennen we. Na een sjekkie en een nieuwe mededeling dat over tien minuten de bus echt komt, besluiten we te gaan lopen.

Bidarray Eglise.jpg

Een mooie route langs een stil landweggetje brengt ons in Bidarray en daar vinden we de vertrouwde wit/rood markering weer. Een zeer steil weggetje door het piepkleine dorpje leidt ons naar boven waar een uit de Romeinse tijd stammend kerkje staat en een café. Halverwege verschijnt uit het niets een enorm grote oude langharige hond, een soort bejaarde schaapshond, die met ons mee sjokt het steile pad op en hij deelt ons leed tijdens de korte opademkompauzes om vervolgens weer samen verder te sjokken.
Zittend onder een horizontaal geleide plataan smaakt de koffie, geserveerd in de grootste koppen die ze kunnen vinden opperbest. We willen ook nog even het kerkje bekijken. Het ziet er aan de buitenkant mooi uit, we kunnen echter niet naar binnen, op slot.
Als we een stuk verder lopen zien we aan de overkant van een wild stromende beek een prachtige plek. Schoenen uit en we hoppen van steen op steen naar onze kampeerplek. Dat wordt een dag genieten. Vuur, ijskoud helder water naast de deur en de meegesjouwde Tibetaanse pot van Bever smaakt uitstekend.

Vergeten dat het zondag is en dit blijkt een favoriete uitstapjes plek te zijn. We tellen vijf gezinnen met kleine kinderen als we aan ons ontbijt zitten. Ze gaan een stukje verderop op een klein stenen strandje zitten en blijken net zoveel van rust te houden als wij, het valt dus allemaal wel mee.

Ik word wakker met piepkleine papieren vlaggetjes boven mijn hoofd. Mijn crealieveling heeft thuis een slingertje in elkaar zitten plakken en dat mee genomen. Wat een prachtig cadeau. Het slingertje gaat achter op de rugzak. Een door haar geknoopt vriendschapsbandje completeert de ingang van mijn 58ste levensjaar.
Een klim naar 876 meter is natuurlijk niet erg hoog. Eerst een stuk over een zigzaggende weg, maar na de allerlaatste boerderij gaan we een geitenpad op wat ons een paar kilometer langs de flank van de berg leidt. Dan gaat het pad over in een ruig rotsblokkenpad waarbij je jezelf en je rugzak van rots naar rots moet ophijsen. Het wemelt van de roofvogels, het pad is nauwelijks breed genoeg om op te lopen en links van ons ligt een peilloze afgrond. Het is heet, ik drink te weinig en met mijn halve hoogtevrees heb ik het af en toe erg moeilijk. Een tijdje zit ik wat bij te komen in een spleet in de bergwand waar wat water naar beneden druppelt. Lukt me dit of moeten we dat hele eind weer terug? Dit zijn de moeilijke momenten, je weet niet wat je nog te wachten staat en terug wordt ook steeds moeilijker.
Dan staan we ineens voor een weggeslagen stuk van het pad, een steile helling met losse rotsblokken ligt voor ons. Ik denk een mogelijkheid te zien om hogerop de helling te passeren en dat lukt ook enigszins, maar mijn vriendin die lager probeert de oversteek te maken hangt op een gegeven moment in een nogal gevaarlijke situatie. Met haar schoenpunten in de aarde geschopt en een, hopelijk stevige graspol als houvast hangt ze, niet in staat verder te gaan. Een gier vliegt rakelings over haar hoofd en denkt alvast aan een lekker maaltje.
Ik doe mijn rugzak af en haal er de twaalf meter lange parachutelijn uit en dat extra beetje houvast is net genoeg om haar verder te helpen. Het zweet breekt me uit omdat ik nu wel naar beneden moet kijken. Als ze wat ruimte heeft roep ik naar haar de rugzak af te doen en de lijn daaraan vast te maken en met het touwtje als hulp naar boven te klimmen. Dan hijs ik de rugzak op. Pffff.
We zijn nu ook snel op de top van de Col de Méhatché, een groot vlak grasland waar we ons uitgeput laten vallen. Ik voel me misselijk door het geitenpad avontuur. De zon brandt meedogenloos op deze kale vlakte en met behulp van de rugzakken en onze lakenzak maken we een afdakje waaronder we in slaap vallen.

Als we wat later weer wakker worden zien we dat de zon is verdwenen en donkere stapelwolken aan het opkomen zijn. We lopen verder om iets lager op de berg, voor het onweer losbarst een plek voor de tent te vinden.
Nu zijn er grote groepen paarden, een prachtig gezicht te zien dat ze hier zo vrij rondrennen. Het lopen valt ons zwaar na de uitputtingsslag maar we vinden al snel een mooi vlak plekje na nog een kleine kam over geklauterd te zijn en wat Spaanse grenspalen te zijn gepasseerd vlak voor de Col des Veaux.
Als ik de tent opzet en Bertie op een steen langs het pad zit komt er een groep koeien aansjokken met de boer in een gammel Citroentje er achteraan. Ze blijft rustig zitten, het zijn maar koeien. Wel groot zo die beesten vlak langs je heen. Ik zie dat tussen de groep een enorme stier loopt, maar hou me stil om haar niet te laten schrikken. Aan haar reactie merk ik dat ze het nu ook ziet. Ze vraagt zich af wat te doen, weg rennen of rustig blijven zitten. Ze besluit tot het laatste en de stier loopt verder.
Intussen wordt de lucht steeds dreigender en het rommelt af en toe. Snel een maaltijd en ook een kop koffie zetten lukt nog net voor het losbarst, we droog de tent inkruipen en diep in slaap vallen.

Na een nacht met regen en onweer lopen we verder naar Ainhoa. De route leidt ons langs een boerderij waar de stier gewoon los rustig staat te knabbelen aan een baal hooi. Toch zijn we wel blij dat we niet het pad ophoeven waar dat beest staat.
Er staan nu meer bomen, eerst een aantal enorm dikke oude eiken, erg mooi en later grote vlakten met jonge aanplant. Ook een soort schuilschotten voor jagers gemaakt van takken, aarde en beplanting. Als bouwsel leuk, maar de functie is minder prettig. Vanaf dit punt kijken we uit over de voet van de Pyreneeën en een glooiend landschap met veel bebouwing. Bertie denkt de Pyreneeën al uit te zijn en roept 'nee, nu nog niet', ze wil bergen, bergen en nog meer bergen met continu een schitterend uitzicht. Maar we zijn er gelukkig nog niet, wel is merkbaar dat het inmiddels juli is geworden, we passeren regelmatig tegemoet komende wandelaars.
Wat verder komen we een groep schoolkinderen tegen die aan het picknicken zijn bij een beeldengroep. Enorme kruizen inclusief Jezus en kapelletje en we vervolgen onze route over een zigzag bedevaartsweg met in elke bocht een monsterlijk wit betonnen kruis en nog één authentiek Mariabeeld in een huisje.

Aonhoa rue principale.jpg

Al snel lopen we Ainhoa binnen, een plaatsje met prachtige oude huizen, veel eetgelegenheden en op toerisme gerichte winkeltjes, maar geen levensmiddelen.
Zittend op een terras met een kop koffie zie we naast ons een gezin het ene heerlijke, peperdure stokbroodje na het andere verslinden. Na de (kersen)toetjes houden we deze aanblik niet langer vol en gaan op zoek naar een goedkoper uitziende gelegenheid. Ja! Pizza! Dit keer een klef rondje van ongeveer dertien centimeter, half warm uit de magnetron, we kunnen voorlopig geen pizza meer zien. We lopen Ainhoa maar uit richting Sare, in de hoop dat daar wat is. De route leidt ons eerst langs een forellenkwekerij en een verwilderd stadspark waar we een plekje vinden voor de tent.

We beginnen de dag kwijt te raken. Tijd wordt een relatief begrip. Licht en donker zijn steeds meer bepalend en de dagen vergeet je, ze zijn niet belangrijk tot je voor een gesloten winkel staat dus probeer je er toch achter te komen en de dagen af te strepen.
De klimpartij eergisteren zit nog in de benen en we besluiten op de camping die we zo'n 2,5 km voor Sare tegenkomen onze tent neer te zetten. De rugzakken worden geleegd en zonder bepakking lopen we naar het plaatsje. Vlak voor we Sare binnen lopen is er een enorm lange trap gemaakt van rotskeien. Het loopt erg rot met die 'luie' treden, je moet steeds een paar stappen doen voor de volgende trede. Het ziet er wel mooi uit en ik herken de trap van mijn Pyreneeën reis in 1988.

Sare village overview.jpg

Het is middagpauze en we verkennen vast of en welke winkels er zijn. Gelukkig, een piepklein kruideniertje. Eerst maar eten en koffie op een terras. De hele middag zitten we zo het dorpsplein te bekijken en wachten tot de winkel opengaat. Omdat we nu geen vuur kunnen maken en onze benzine voor de brander bijna op is proberen we ook nog een litertje brandstof te vinden. Informatie leert dat de eerstvolgende benzinepomp 20 kilometer verderop is. Gelukkig doet mijn brander het ook op petroleum en na veel gevraag vinden we in het winkeltje een fles. Prima, even de sproeier verwisselen en we kunnen weer koken. Met een volle, zware rugzak lopen we terug. Nu de trap op, maar we zijn een beetje uitgerust en hebben vooruitzicht op een (hopelijk) hete douche, een heerlijk avondmaal, een fles wijn die we al een tijd niet meer hebben gedronken en lekker uitslapen.

Al snel komen we er achter waarom deze camping bij onze inspectie gisteren zo schoon leek. De beheerster schijnt zich beslist ten doel te stellen de slechte naam (met de Franse slag) op het gebied van schoonmaken te veranderen. Ze is, op een ruime middagpauze na van 9 tot 21 uur aanwezig. Alleen dan is er warm water en kun je gebruik maken van de douche waarvan ze een sleutel heeft. Als ik met mijn handdoekje verschijn zit ze al in de aanslag met emmertjes sop, dweilstok, lappen en boenders. Vriendelijk doet ze de douchedeur open en een blinkende ruimte straalt me tegemoet.
Als ik de douchecel verlaat, na eerst nog grondig te hebben gekeken of de bak goed is uitgespoeld en geen haren in het putje zijn achter gebleven, duikt ze wellustig naar binnen en leeft zich uit met de dweil en het sop. De volgende die er staat is verplicht te wachten tot dit ritueel is uitgevoerd.
Met dit beeld voor ogen kun je indenken hoe we ons voelen als het goedje wat ons als petroleum was verkocht, een soort lampenolie, nauwelijks hitte geeft, maar wel een vette, pikzwarte roet die zich onmiddellijk aan de pannen vast hecht en dat na 21 uur met koud afwaswater. Toch een poging gewaagd. Ha, de etensresten gaan er aardig af, maar nu is het sponsje vet zwart geworden en daarmee behalve de buitenkant van de pannen ook de binnenkanten. Handen zijn vet zwart en …
De spoelbak! Wat een zooitje. Alles in een krant en morgen verder zien. We stellen ons de twee mogelijkheden voor als de beheerster morgenvroeg haar wasbakken ziet. Of ze krijgt een beroerte of stort zich handenwrijvend op het probleem.

Vandaag maar weer verder. Schuin loeren we naar de wasbakken. Blinkend schoon en geen ambulance te zien. De route voert ons door Sare, dus voor de derde keer de stenen trap. We gaan klimmen naar 625 meter. Onderweg passeert ons een groep frisse toeristen onder aanvoering van een Amerikaanse reisleidster, zonder rugzakken en keurig op tijd lopend lijkt het, want al snel weer uit het zicht. Zeker met de flinke voorsprong die we hen ruimhartig geven want filelopen gaan we altijd uit de weg.
Het wordt vochtig koud. We nemen een uitgebreide pauze bij de ruïne van een huisje. Als we na twintig minuten binnen de muurtjes stappen voor wat windbeschutting blijkt er al iemand te zitten. Een rare gewaarwording waarbij je afvraagt waar je over hebt gepraat. Vanuit hier hebben we volop uitzicht over het toeristentreintje wat af en aan rijdt naar de top van de 1000 meter hoge La Rhune. Camera's flitsen naar alle kanten.

La rhune 003.jpg

Na het middagdutje komen we over een vlakte waar Les Trois Fontaines moet zijn, niets te zien. Droog in dit jaargetijde? Aan de andere kant van de vlakte gaan we de berg weer af en plotseling, na de zoveelste bocht ligt de zee diep beneden voor ons. Bertie's reactie is 'o nee, we hebben nog een week en nu zijn we er al'. Dat gevoel laat haar niet meer los. Weliswaar is het nog een flink stuk lopen, maar ook ik heb plotseling het gevoel dat we er al veel te snel zijn.
Als we op een klein weitje met uitzicht op de oceaan de tent hebben opgezet en na een snelle hap, het is slecht weer, regen en harde wind, in de tent zitten, beginnen we uitvoerig de kaart te bestuderen op zoek naar alternatieve routes voor de komende week. Uit een paar verschillende mogelijkheden kiezen we voor Het Spaanse Avontuur en wat daarmee bedoeld wordt komt zo.
Bij Col d'Ibardin de grens over, via een stuk weg Spanje intrekken om de GR11 op te pakken die met een grote bocht door de Spaanse Pyreneeën in Irun/Hendaye uitkomt.

Het eerste stuk weer even klimmen en tijdens de afdaling zien we ineens uit het niets, midden in deze 'wildernis' een Spaans restaurant opdoemen. Op de kaart zien we dat hier de route met een klein puntje Spanje in duikt. De koffie smaakt prima, evenals de sneetjes stokbrood, lekker vers, zelf gebakken(?) en de uitsmijter van de rond scharrelende kippen.
Een stukje verder lopen we langs een grenspaal en komen in een bos waar we pauzeren. De grillige en knoestig gegroeide bomen blijken stuk voor stuk stervende. Op de Col d'Ibardin lijkt het hele toeristencircus groter als toen ik hier in 1988 was. Op deze grensstreek met z'n belastingvrije zone, de zwaar onderbetaalde Spaanse gastarbeiders en dik betalende toeristen valt veel geld te verdienen. Gelukkig gaan we er op ruime afstand langs, via de weg Spanje in. Een klein stukje verder richting Verra de Bidassoa is een terrasje in de zon, met koffie voor de helft van de prijs als boven op de top, waar we op uitkijken. We vergapen ons aan de oneindige stroom auto's die de berg optuffen en afdalen.
Na een poosje gaan we bergafwaarts langs een kronkelige weg en vinden een geschikte overnachtingsplek achter een overwoekert hek.

Als de volgende ochtend verder lopen langs de bochtige asfaltweg, gelukkig is het niet druk, blijken we al veel dichter bij Verra de Bidassoa te zijn dan we dachten. In de vroege acht uur zondagrust lopen we de stad in en vinden een pinautomaat voor Spaans geld. Terug naar de waterpomp die we aan het begin zagen. Dan ratelt er een rolluik omhoog en een vrouw op sloffen maakt de deuren open van een soort snackbarkroeg. Ze schenkt een voortreffelijke soepkom koffie en gelijk zijn we er weer helemaal klaar voor.
Het is nog een flink stuk door de stad voor we een bord zien met uitleg van een aantal lange afstand paden. Er is een geel/wit gemarkeerde route en we ontdekken ook onze wit/rood gemarkeerde GR11. Na goed speuren op de kaart en een paar keer verkeerd lopen ontdekken we de eerste markering en beginnen aan de steile klim van 300 meter. Het belooft bloedheet te worden en onze poriën hijgen al weer waterdamp naar buiten.
Al snel komen we er achter dat de markeringen erg slecht zijn aangebracht, we moeten continu opletten, heel veel op de kaart kijken. Op een vijfsprong van paden komen we er niet meer uit. Een paar richtingen vallen af (terug), maar er blijven drie paden over. We zetten de rugzak neer en nemen ieder een pad. Na honderden meters hoor ik het fluitsignaal van Bertie dat ze een markering heeft gevonden. Terug naar de rugzakken en weer verder. Dat gaat meermalen op deze manier. Een padvinder zou hier uit zijn dak gaan.
De temperatuur neemt Spaanse waarden aan (35 °C) en we vinden het genoeg voor vandaag. Toch kost het nog menige zweetdruppel voor we een vlak stuk op een breed pad vinden. We zetten de tent op en de rest van de dag liggen we te sudderen in een beetje schaduw. Voor ons een dal met nog net zichtbaar een stukje van de rivier Bidassoa met daarnaast de autoweg.

Behobie-pont-Bidassoa.jpg

Als het tegen de avond wat afkoelt komt een Spaans boertje, zwaar leunend op zijn lange wandelstok aan gewandeld. Een golden retriever, bij uitzondering heeft deze zijn zwierige staart nog, vergezelt hem. De man knikt tevreden als duidelijk wordt dat we Nederlanders zijn, verder is de conversatie door de taalblokkade uitgesloten en de hond die zichzelf lekker had genesteld tot de baas was uitgekletst kijkt verrast omdat ze dit keer zo snel verder gaan.
Even later horen we bekende schaapgeluiden en ze staan wat dommig naar ons te kijken. We staan precies op hun route met de tent. Er is ruimte genoeg om te passeren, maar ja, wie gaat er als eerste over de dam langs die enge mensen. We besluiten om lekker in de slaapzakken te kruipen en als we in de tent zijn durven ze.

Regen, regen. Het lijkt niet meer op te houden. De hele boel is weer nat. Dit oude tentje lekt op steeds meer plekken. Toch lukt het tussen de buien door de boel weer droog te krijgen. We nemen een rustdag en slapen veel. Ook eten koken lukt in een droog moment Regelmatig komen de schapen langs om te kijken of hun pad al vrij is.

De slaapzakken zijn nat en het is somber weer als we de volgende morgen verder gaan. Met die natte spullen lijkt de bepakking dubbel zo zwaar. Het begint al weer snel te regenen en we schuilen even onder een uitkijktorentje. We kunnen het ons niet veroorloven nog een dag te pauzeren gezien de ons nog restende dagen en bovendien willen we graag lopen, dus regenjassen aan en verder zoeken naar de wit/rood markeringen die steeds weer ontbreken.
Het duurt dan ook niet lang of we zijn de route weer kwijt. Alleen geel/wit markeringen die een regionale rondwandeling aangeven. Stuk terug en een afslag proberen die we eerder voorbij zijn gelopen. Het leidt in ieder geval naar een waterstroom waar we kunnen pauzeren. Het wordt droog en de zon breekt door. Alles uit de rugzak en drogen. Een lekkere bak koffie, aanvullen van de watervoorraad, een beetje wassen en we kunnen er weer verder.
We vervolgen het pad en zien in de bocht het schoon gevreten kadaver van een schaap liggen. Het pad klimt weer flink en wordt steeds minder 'pad' om op de top van een uitstekende rotspartij te eindigen. Tegenover ons een schitterend ruig landschap met een zeer steile en spits toelopende rotsblokberg. Op de top een gierennest, de hele familie is thuis, het kroost bijna volwassen. Wel mooi, maar we zitten mooi verkeerd.

2005.10.19 01 Buitre Leonado.jpg

Terug naar een ander zijpad in de bocht, maar ook dat loopt dood dus het hele eind weer terug. Bij gebrek aan beter gaan we de geel/wit markeringen volgen. Het is in ieder geval een gemarkeerde route en komt heus wel ergens uit. Het brengt ons rond een prachtig ruig dal om aan de andere kant al bochten draaiend steil naar beneden te gaan waar we plotseling voor de geasfalteerde drukke weg naar Hendaye staan. Balen! Wat nu?
Een stukje terug, eerst pauze en eten want dat is er een beetje bij ingeschoten door al dat gezoek. De enige mogelijkheid die we nu hebben lijkt langs de weg verder te lopen en dan al weer veel te snel in Hendaye te zijn, of…
Speurend op de slechte kaart, de Franse Pyreneeën zijn uitstekend ingetekend, maar deze is niet gemaakt om in Spanje te gaan lopen, zie ik aan de overkant van de weg een dun zwart stippellijntje naar het noorden gaan. Het kronkelt naar boven een berg op en daar loopt weer de vertrouwde GR10. Dat liever dan langs die weg.
Dus hijsen we de rugzakken op en zoeken aan de overzijde van de weg. We zien iets wat op een pad lijkt de berg opgaan. Eigenlijk al verder dan op de kaart staat en dat had een signaal moeten zijn, maar eerder was er echt niets dus het zal wel goed zijn. Het is echt een pad, wel erg smal en we maken grappen over smokkelaars, daarboven ligt tenslotte Frankrijk, dus spelend met deze fantasie kijken we ook niet vreemd op als het 'pad' langzaam alleen nog maar een heel smal beekje is waar we van rotsblok tot rotsblok verder klauteren. Als we bij de oorsprong van het watertje zijn aangekomen en voor ons alleen de mogelijkheid overblijft een weg te banen door menshoge stekelstruiken, hadden we wijzer moeten zijn en terug gaan.
Fout 1, we gaan verder.
We banen ons een weg omdat we er nog steeds echt van overtuigd zijn dat die GR daarboven loopt. We vervloeken de prikstruiken en overal hebben we al gauw schrammen. Doorzetten, want het kan niet ver meer zijn. Het begint te regenen, maar dan zijn we boven op de top. Er staan wat bomen en nog steeds heel veel stekelstruiken. We lopen verder naar het noorden. Dan zien we het verschrikkelijke. Het loopt steil naar beneden en geen pad te bekennen. Tent opzetten? Nee, niet in de regen en tussen al die stekels.
Fout 2, we waren al erg moe, het begon laat te worden en we wisten niet meer waar we waren. Dan hadden we dus moeten stoppen.
We beginnen heel voorzichtig aan de supersteile afdaling. Het is nat en glibberig en we zijn blij als we weer een waterstroompje tegenkomen. Als we dat volgen moeten we ergens beneden aankomen. Weer klauteren over rotsblokken, springen en glijden. Uitglijden en schoenen volscheppen met water in de heuse beek die het langzaam wordt. Het water is overgroeid met (natte) varens en andere planten en opeens krijg ik het gevoel dat alles wat ik aan heb, mijn hele lichaam, de begroeiing, de regen en het beekje één zijn. Het maakt me allemaal niet meer uit. Ik krijg zin om beek te zijn en mezelf naar beneden te laten stromen zonder me druk te maken waar ik uitkom. Ik weet dat dit soort apathie een gevolg is van onderkoelingsverschijnselen. Ik ben moe, koud, nat.
Dan staat er opeens een miniberggeit vlak voor ons met grote ogen van verbazing, alsof ze denkt 'wat zijn dat voor wezens, die heb ik nog nooit gezien'. Ook mamma komt kijken met verbaasde blik. We willen ze niet aan het schrikken maken en proberen voorzichtig te passeren, ze doen een paar stapjes opzij en blijven kijken. Misschien hebben ze echt nog nooit mensen gezien want we hadden er zo één kunnen grijpen en opeten. Gelukkig zijn onze noodkaken nog niet op.
We zakken nog een stuk en dan zien we in de schemering beneden ons aan de voet van de berg een pad. Ook is het even droog en het lichtstraaltje van de hoop geeft net even dat beetje warmte om door te gaan, maar wordt een ijskoude klomp als we boven een ongeveer zeven meter hoge waterval staan met links noch rechts een zichtbare mogelijkheid om af te dalen. We kunnen nu echt niet verder, het wordt bijna donker en ik stel voor dat we ter plekke, er is een smal plat richeltje naast de beek, gaan slapen. Een tent opzetten kan niet, maar misschien met wat plastic. Bertie raakt in paniek en begint zijwaarts als een razende de berg op te klimmen, dwars door alle prikkels en rotspunten op zoek naar een plat stuk voor de tent. Ik kan niet veel anders dan er achteraan.
De grootste fout, in deze situatie moet je blijven waar je bent, want halverwege de helling is het pikdonker. Te gevaarlijk om verder te klimmen, maar ook om terug te gaan. We zitten op een zeer smalle, scheeflopende richel naast een dode boom. Wel erg symbolisch.
We halen de slaapzakken en matjes uit de rugzakken waarbij we ons in allerlei bochten moeten wringen om te zorgen dat er niets naar beneden glijdt. We trekken de kletsnatte jassen, schoenen en sokken uit, gelukkig hebben we nog droge sokken, dan wurmen we ons in de slaapzakken. We eten een paar kaken die we met water naar binnen spoelen. We zijn dood- en doodmoe en sukkelen regelmatig half in slaap. Liggen kunnen we hier niet en half zittend voelen we ons steeds wegglijden. Dicht tegen elkaar aan proberen we ons aan elkaar te warmen. Ik probeer een positieve draai aan de ellende te geven door te zeggen dat dit toch wel erg romantisch is, met z'n tweetjes op een bergricheltje kijkend naar de zo goed als volle maan. Ze moet er om lachen, maar het gaat niet goed met haar.
Bang in slaap te vallen en de berg af te glijden, ze beeft over haar hele lichaam van angst, kou, honger, vermoeidheid, ellendig gevoel. Ik ben er niet veel beter aan toe en om de ramp compleet te maken gaat het ook weer hard regenen. We worstelen om het stuk grondzeil over ons heen te houden, maar dat gaat regelmatig mis en de slaapzakken worden steeds natter. Ook ik kan niet de hele nacht wakker blijven na die uitputtingslag. Dit gaat fout, ik moet iets bedenken!
Konden we ons maar vastbinden, die boom kunnen we daar niets mee? Tussen de rotswand en de dode boom is een scheve ruimte van zo'n 75 cm. Als ik nou eens de rugzakken tegen de boom op elkaar stapel zou het een beetje vlak te maken zijn. Maar houdt die boom het wel? Duidelijk dat er ooit de bliksem is ingeslagen, het is niet veel meer dan een verkoolde stam. Ik vertel mijn idee en we besluiten het te proberen, we moeten iets proberen. In het pikdonker en met gestaag neervallende regen gaan we aan het goochelen. De rugzakken prop ik klem tegen de stam na daar eerst nog even flink aan gesjord te hebben. Het lijkt te houden en ik leg de matjes zo goed het gaat over deze bulten, dan de aan de binnenzijde nog redelijk droge slaapzakken en daarover het stuk plastic. De schoenen worden ondersteboven gezet om ze niet vol water te laten lopen en we gaan in de slaapzakken liggen.
Bertie ligt met haar neus tegen de rotswand en ik probeer een stukje slaapzak dubbel tussen mijn rug en de boomstam te proppen. Ik heb het gevoel dat die stam dwars door me heen wil, maar we liggen. We kunnen ons niet meer omdraaien, liggen als vaatdoeken over de bult, de slaapzakken worden steeds natter, maar we zijn zo moe dat we in slaap vallen. Ik word nog een paar keer wakker omdat de stam wel erg veel pijn doet en droom dat ons gewicht en dat van de rugzakken teveel is en we slapend naar beneden donderen.

Het begint licht te worden als ik een gil hoor. Meteen ben ik ook wakker. Ze is wakker geworden van iets vochtigs en kouds tegen haar neus en ziet een dikke naaktslak vlak bij haar op de rots. Een slijmspoor verraadt dat hij of zij ook over haar gezicht is gekropen. Ze walgt bij de gedachte. Ik vind het van ondergeschikt belang na deze nacht, maar ze blijft aandringen en ik verwijder het beest. We hebben ondanks dat alles echt kleddernat is toch een paar uur vast geslapen en zelfs een beetje uitgerust gevoel.
Een ontbijt van noodkaken en water en er over nadenken hoe we hier weer naar beneden kunnen. Rationeel gezien denk je, je bent naar boven geklommen dus moet je ook dezelfde weg terug kunnen gaan. Gek genoeg is dat in de praktijk altijd anders. Bertie stelt voor om het touw aan de rugzakken te binden en deze een stuk naar beneden te smijten waar de ander ze opvangt. Zo kunnen we zonder rugzak dalen en dat is een stuk veiliger. Het werkt niet omdat de eerste rugzak bij het uitproberen al een paar meter lager blijft haken aan de prikstruiken. Dan gaan we glijdend voetje voor voetje naar beneden terwijl we telkens de rugzak aan een hengsel meeslepen en soms een stukje laten zakken.
Het vergt heel wat meer tijd en energie dan de verbluffend snelle klim van gisteravond, maar dan staan we weer bij de waterval. De richel die ik had voorgesteld ziet er bij daglicht een stuk beter uit dan die waar we op zaten, maar goed we hebben er weer van geleerd en moeten ons nu maar op die waterval concentreren. Daarlangs afdalen kunnen we vergeten, te hoog en alleen wat spekgladde uitsteeksels.
We klimmen links opzij van het water weer een stukje omhoog langs de flank van de berg om te kijken of we er omheen kunnen. Niet dus, weer terug. Aan de rechterkant kunnen we wel een beetje opzij komen, maar dat gaat heel erg steil naar beneden en de helling is bezaaid met prikstruiken. We sjorren er stevig aan en het blijkt dat ze stevig geworteld zijn. Aan de onderzijde van de stam is een stukje stekelvrij waar we ons aan kunnen vasthouden. Met één hand aan de rugzak en met de andere aan een struik, je naar beneden laten glijden, schoenen in een houvast klem zetten, nieuwe struik pakken, rugzak slepen, glijden. Het water druipt overal uit en we zitten onder de schrammen, maar het lukt. Zo komen we eindelijk op het pad.
We omhelzen elkaar en genieten van de euforie binnen in ons. Blij om de ellende van het afgelopen etmaal? Nee, een intens gevoel van overwinning, het is ons gelukt en we weten dat we deze gebeurtenis, dit 'Spaans Avontuur' nooit bewust zullen opzoeken, maar ook dat we het niet willen ruilen voor een appartement aan de Costa.
Ik heb nooit erg veel moeite gehad met slapen op de onmogelijkste plekken en in de vreemdste houdingen, maar mijn lief, die vorig jaar in de Eifel nog zei dat ze niet wild wilde kamperen zegt dat ze na nu overal slaapt.
Waarschijnlijk is het ons positief geluksgevoel wat er voor zorgt dat de zon gaat schijnen. We zetten koffie en sjorren alles uit de zwaar bemodderde rugzakken om te drogen. Dan kom ik erachter dat we natuurlijk twee van die aluminium/goudfolie reddingsdekens bij ons hebben waar we ons in hadden kunnen wikkelen om redelijk warm en droog te blijven. Alweer een fout omdat we over onze grenzen gegaan waren en niet meer in staat helder na te denken.
We trekken alle natte lappen uit en laten ons opwarmen door de zon. Modder wordt afgeborsteld, ik diep nog wat vochtige muesli op uit de rugzak en langzaam komen we weer op krachten. Als alles droog is en we weer onze normale lichaamstemperatuur hebben lopen we het pad verder af om tot de conclusie te komen dat we weer op dezelfde weg zitten. Een paar honderd meter verderop dan waar we begonnen. Er zit niets anders op dan langs deze drukke weg naar Irun/Hendaye te lopen. Het is een tweebaansweg met erg veel vrachtvervoer en de enige uitwijk mogelijkheid is zoveel mogelijk in de betonnen greppel langs de kant lopen. Vervelend en vermoeiend omdat de greppel vol zooi ligt en iedereen hier hard rijdt.
Na een paar kilometer wordt het verkeer op één rijstrook geleid omdat ze de goot aan het leegscheppen zijn. Er is een bestuurder die te laat ziet dat het verkeer op zijn strook stilstaat. Boven op de rem en met gierende banden draait de auto 90° om vlak voor de afgrond stil te staan. Dat scheelde het beroemde haartje.
Vlak voor Irun kunnen we eindelijk benzine krijgen voor de brander, daar sta je dan met je literflesje tussen al die slurpende vrachtauto's. We komen in het grensgebied met de drukte die erbij schijnt te horen. Bij een benzinepomp annex winkel doen we boodschappen en het grootste deel van het Spaanse geld is ook weer uitgegeven. Nog een kop koffie en we hebben alleen nog wat losse muntjes over. Dan lopen we naar Hendaye. Het handje vol Spaanse muntjes leggen we in het schoteltje van een zwerver die tegen de gevel zit.
We kiezen natuurlijk weer eens de verkeerde weg die dood loopt in de haven. Dan komen we twee andere rugzaktrekkers tegen en worden hartelijk gegroet. Waarschijnlijk beginnen ze net aan de tocht, ze zien er nog fris uit.
We vinden een camping bij het station en de kust. Lekker douchen, weer 'normaal' eten en een fles wijn. Gewoon in de tent goed, droog en vlak slapen. Dat is het. Je gaat die eenvoudige dingen erg waarderen na zo'n avontuur, je kijkt met andere ogen naar het water uit de kraan, de gebakken aardappeltjes, een warme droge slaapzak.

Heerlijk geslapen, nog een keer onder de douche, heerlijk ontbijt. We kijken naar de treintijden. Het is een klein station en de kaartjes moeten we op het hoofdstation kopen. Nu we toch in het centrum zijn, drinken we koffie op een terrasje en likkend aan een ijsje lopen we terug naar de camping. Bertie verbaast zich over de kleur van de Atlantische Oceaan, echt blauw zoals op foto's. Voor haar is het de eerste keer dat ze een andere zee ziet dan de Noordzee en geniet van de kleuren, de rotsblokken in het water, de steile kust en het mooie stuk bospad. Op dat moment besluiten we om volgend jaar het kustpad in Bretagne te gaan lopen.

We hoeven pas vanmiddag om een uur of één op de trein te stappen dus weer lekker rustig wakker worden. In Bayonne moeten we een paar uur wachten op de doorgaande verbinding naar Parijs. De TGV is een stuk rustiger dan op de heenweg. We kijken naar de vele zonnebloemvelden in bloei en zitten een beetje voor ons uit te dromen over de afgelopen weken.
In Parijs gaan we, met de ervaring van de heenreis direct naar het station du Nord. We lopen een stukje de stad in, wat een herrie wat een stank wat een hectisch gedoe allemaal. Onvoorstelbaar dat je in een paar weken die 'ikwilsteedsmeerhebben mensenwereld' ontwent. Een tijdje zitten we koffie drinkend in een café op een kruispunt de mierenhoop te bekijken.
Dit keer hebben we de onderste bedden in de één na voorste slaapcabine. Dat ligt wel iets beter, maar de voorste blijkt het kantoortje van de conducteur te zijn. Op een bed heeft hij alles paspoorten en tickets, die in de nacht door de douane worden gecontroleerd, uitgestald. Hij maakt mensen wakker die er uit moeten en de hele nacht komen mensen, die hun slaaptabletten vergeten zijn in te nemen, langs om een praatje te maken. Op de Spaanse richel hebben we beter geslapen. Verder staan we om onduidelijke redenen een aantal keer behoorlijk lang stil.
Vooral bij Bertie die tot nu toe alleen van de Pyreneeën had gedroomd, maar natuurlijk ook bij mij staat deze reis weer als een prachtige herinnering in het hoofd geprent en we fantaseren alweer over de volgende.

[bewerken] Frankrijk/Bretagne: Quimper – St.Brieuc

Waarom er zo weinig is blijven hangen van deze tocht dwars door en langs de kust van Bretagne in 2001? Op het moment dat ik dit schrijf (2004) ben ik de aantekeningen kwijt, maar ik heb er ook niet veel herinneringen aan over gehouden. Niet dat er geen hele mooie stukken tussen zaten, maar wij bleken toch meer bergwandelaars te zijn. Voor mensen die van kustpaden houden is deze route wel mooi, niet te zwaar en ook met kinderen heel goed te doen.

Bretagne.

We zijn met de trein naar Nantes gegaan en vandaar doorgereisd naar Quimper. Daar moesten we wel een tijd zoeken voor we de GR-38 vonden. Toen we route eenmaal te pakken hadden zijn er weinig moeilijkheden meer geweest. Het was de bedoeling via de GR's naar de kust te lopen, maar het druïdenbos van Asterix, wat zo enthousiast beschreven werd in Op Lemen Voeten vonden we een beetje tegenvallen.
Er is al die tijd geen wild zwijn te zien geweest, misschien een bewijs dat Obelix er nog steeds rondzwerft en ook maretak voor onze toverdrank hebben we niet gevonden. Toen we er genoeg van hadden zijn we met de bus en trein naar Lannion gegaan en hebben daar het kustpad gevolgd tot St.Brieuc. Soms mooie rotspartijen en leuke baaien. Nergens hebben we problemen gehad met wild kamperen en heus wel genoten van deze wandeling, maar we misten de gieren.

[bewerken] Frankrijk/Alpen/GR 9/91/93/95: St.Hilaire – St.Hilaire

Om twintig minuten voor zeven rijdt de Thalys het station van Rotterdam binnen. Afschuwelijk vroeg. Voordeel is dat we om twaalf uur in Valence zijn, maar omdat we nu eenmaal niet in Rotterdam wonen maar in een Fries buitengebied konden we niet op tijd daar komen. Dus slapen bij oude vrienden in Delft. Lang niet gezien, veel te laat naar bed, halfeen, terwijl om kwart over vijf mijn mobielwekkertje piept. Duf door de straten van Delft, duf in de trein naar Rot-terdam en nog steeds duf de Thalys in.
Het is 15 juni 2002 en we willen gaan lopen in het Parc Regional du Vercors, een gebied aan de rand van de Franse Alpen. Grotendeels over de GR-9 en GR-93. Het grootste deel van de reis brengen we door met tukjes, het landschap flitst sowieso veel te snel voorbij om iets interessants te kunnen zien.

Snel, dat wel.

We zitten vlakbij de coupedeur die elk paar seconden zuchtend open zoeft omdat het de weg opent naar het consumeerparadijs, de restauratie. Rijen mensen lopen heen en weer met pas verworven drankjes en twee witte boterhammen met een flinter beleg, in een plastic verpakking voor een prijs die de waarde van ons meegenomen hele brood, een stuk kaas, fruit en sap, dicht benadert.
Nog steeds duf staan we op het immense station ergens in de wilder-nis buiten Valence. Het doet denken aan een vliegveld. De planning was met de bus naar Léoncel te gaan, daar de GR-9 oppakken om via een netwerk van lange afstandpaden een rondje van zo'n drie weken te maken over het Haute Plateau. Eerst maar naar het centrum van Valence. Een paar uur besteden we aan het zoeken naar een moge-lijkheid in Léoncel te komen. Er rijdt geen bus, taxi is veel te duur, lopen langs een snelweg met 30°C niet erg aanlokkelijk.
Dan komen we erachter dat we de trein kunnen nemen naar St.Hilaire. Daar moeten we ± 10 kilometer lopen over een weg om op de Grande Randonnée te komen. Eenmaal op weg daarheen merken we dat de eerste stop het station is waar we vandaan zijn gekomen, hadden we hier uren geleden gewoon kunnen overstappen.
Zo'n vier á vijf kilometer lopen na St.Hilaire vinden we een plekje onder een paar olijfbomen. Een aangelegd irrigatiekanaaltje zorgt voor water. We koken op een houtvuurtje en slapen vroeg en diep.

Dat was slapen. Ik word met kramp in mijn botten wakker doordat ik zo diep in één houding heb gelegen. Het is droog, 27°C. Het lijkt erop dat het in Frankrijk op zondag nationale barbecue dag (volgens mij in Nederland ook). Regelmatig ruiken we houtskool vermengd met schroeiend beest. Onderweg passeert ons een oldtimer club bezig met hun zondagse pronktocht. Gelukkig zien we al snel de wit/rood markeringen opduiken en kunnen we van de autoweg af.
Vlakbij Choranche zien we een prachtig plekje in een bloemenwei. Bij elke stap ruik je de oregano. Er groeit hier een grote diversiteit aan bloemen, Bertie gaat helemaal uit haar dak en vindt het maar niks dat de tent een paar vierkante meter plat drukt.

Het piepertje is op zeven uur gezet om het lopen in de bloedhete middaguren voor te zijn. Bertie loopt weer heftig bloemzaad te ver-zamelen.
Dan komen we op een bergflank waar het voetstapbrede pad bestaat uit wegrollende stenen die verdwijnen in een, voor mij té peilloze diepte. Na twee keer een ervaring in de Pyreneeën, waarbij het zweet me uitbrak en ik met knikkende knieën mezelf beloofde dat nooit meer te doen, durf ik niet verder. Echte hoogtevrees heb ik niet, maar het moet wel een beloopbaar paadje zijn, het liefst met wat struiken aan de kant zodat ik het idee heb me te kunnen vastgrijpen als er iets mis gaat. Terug naar de weg. Gelukkig is het niet druk. In La Balma kunnen we de GR weer oppikken, dus even doorstampen.
Als we rusten hangen we de, door de ochtenddauw nat geworden tent op een muurtje om te drogen. Door de wind flapt het doek even over de ruwe stenen en ontstaat een winkelhaak in het muskietengaas. Stom. Met een beetje lijm plak ik de scheur tijdelijk dicht.
Onderweg passeert een colonne wielrenners die met een tour van Parijs naar Nice bezig zijn. Als we in La Balma aankomen vinden we een bar met aangebouwd winkeltje en we genieten van een ijsje, tomaat en fruit. Een ploegje wielrenners gieten zich vol met water uit de fontein en sommigen met bier uit het café. Die proberen anderen over te halen hetzelfde te doen wat grotendeels lukt omdat het wel erg heet is, maar hard fietsen zal nu wel voorbij zijn. Nadat wij onszelf nog getrakteerd hebben op een kop koffie en onze voorraad water is aangevuld gaan we op zoek naar een plekje voor de tent.

Een klein stukje autoweg en dan de Tour des Quatre Montagnes. Een stevige klim van 660 meter naar 1165 meter. Halverwege komt van zo'n 50 meter hoogte een waterval naar beneden kletteren en Bertie trekt enthousiast haar kleren uit en duikt eronder. Ook ik was mezelf al ben ik niet zo'n held eronder te gaan staan, het water is ijs-koud.
Schrijvend kan je altijd moeilijk overbrengen hoe mooi het hier is. Laat ik volstaan met de bijbelse vergelijking dat Adam dit gevoeld moet hebben voordat hij aan de appel begon. Wat een onzin, appels zijn gewoon lekker, en paradijselijke plekjes bestaan gewoon (nog) op aarde als je ze weet te zien en bewaren.
Heerlijk fris weer verder al is dat frisse er wel vanaf als we hijgend en bezweet op de top aankomen en onszelf voor deze prestatie belo-nen met koffie, eten en een tukje. Gewekt door een rij spoorzoekers die zich onder leiding van een hopman van het ene uitzicht naar het andere hoppen, gaan we verder.
En het is niet te geloven. Ook hier weer natuurtje (ver)pesten. Een brede asfaltweg is aan het ontstaan naar de top waar we net vandaan komen. Dan kunnen die spoorzoekers straks lekker in de auto van het uitzicht genieten, een kiekje maken, zichzelf laven in een nog te bouwen Mac en verder naar de volgende attractie.
Een stuk later, via wat stillere autowegen, komen we bij Les Montauds waar we de tent opzetten tussen de gentianen die met dikke knoppen staat te pronken, madeliefjes, klaver en een heleboel andere bloemen en met uitzicht op bergtoppen van meer dan 2000 meter.

Vandaag laten we de tent op dit mooie plekje staan en lopen naar het grotere Villard de Lans om inkopen te doen. Wat een verschrikkelijke stad! Hotels, restaurants, golf- en tennisbanen. We vinden een marktje met groente en fruit. We doen ons tegoed aan ijs, drinkyoghurt en fruit en voor vanavond hebben we een feestmaal. Gebakken aardappelen, salade, toetje en wijn. Daar moeten we een paar dagen op kunnen teren.
We gaan snel weg uit dit Kalverstraat gebeuren en terug naar 'onze' berg op ± 1200 meter. Bijna lopen we de tent voorbij die verscholen staat in de bloemenzee, maar de reusachtige kerstboom met een stam van zo'n twee meter omvang wijst de weg. Deze moederboom is vergezeld van twee kindjes en als je er vanuit een bepaalde hoek naar kijkt is het net alsof ze de twee links en rechts bij de hand heeft.
In het oosten ligt diep beneden ons Villard en daarachter de enorme bergkam en je realiseert je dat de natuur toch heel veel mededogen met haar grootste aanranders moet hebben. De minste trilling in dit reusachtige landschap zou de nietige mensenkermis bedelven. Maar het blijft meestal allemaal (nog even) op zijn plaats.

Zes uur. De zon klimt boven de Roc Cornefion (2006m) en ik sta op om koffie te maken. Normaal ben ik geen vroegop mens én ik vind het heerlijk om 's zomers zo vroeg mogelijk op te staan. Dat behoeft enige uitleg.
Het is elke keer weer een unieke ervaring om, heel duf, slaapdron-ken, duizelig bijna, zo langzaam mogelijk, in het tempo van de zons-opkomst die de hemel kleurt van een soort donkerpaars naar oranje vegen aquarelverf op een bleekblauw schildersdoek en in elke struik of graspol een netwerk van, met dauwdruppels geaccentueerde, muggenvangers met een sjekkie en een kop koffie wakker te worden.
Het allermooiste is dit in de bergen. Tegen de achtergrond van het hierboven geschilderde palet zweven donkere schaduwen van vogels en als de aarde wat verder naar het oosten kantelt wordt het vloed en komt de zonnezee langs berghellingen en door dalen aansnellen om je met warmtegolven te overspoelen. Nadeel van vroeg opstaan is dat ik de verdere dag duf voor me uit zit te staren en tegen de avond zit te geeuwen.
Goed, nu moet ik wel wakker worden want vanaf vandaag gaat het dus gebeuren, Haute Plateau! We lopen nog vijf kilometer over de Route van de Vier Bergen als we aankomen in Correncon. Nog één keer luxe een grote bak koffie want we zullen nu dagenlang op een hoogte van 16 á 1700 meter zitten en niets anders tegen komen dan af en toe een waterput, hopen we. Thuis hebben we dagenlang met een loep de kaart zitten bestuderen om blauwe stipjes te ontdekken.
Het blauwe stipje op onze 1:25000 kaart blijkt inderdaad een, in het bos verborgen waterput te zijn waarin ik ergens in de diepte water zie. Het bord 'non potable' waarschuwt voor enge beestjes, maar met even flink doorkoken zijn we nog nooit ziek geworden. Deze keer lopen we er voorbij omdat we nog een beetje water hebben en er een stuk verderop een berghut met ook zo'n blauw stipje staat. Daar hebben we gepland te overnachten.
We kammen het hele terrein rond de berghut uit, geen druppel te vinden. Kunnen we die kaart wel vertrouwen? Hebben we daar zoveel voor geklommen? Het is amper mogelijk om het nodige water voor één dag mee te sjouwen, laat staan voor een dag of drie. We besluiten de nacht door te brengen in de berghut. Ik leg alle spullen uit mijn rugzak binnen en stop de waterzakken erin. Samen met een wijdhals fles, die ik gebruik om melkpoeder met water tot melk te schudden, kan ik zo zes liter water halen en ik ga terug naar de put.
Eerst kan ik hem bijna niet terugvinden, maar na een paar maal terug en opnieuw zoeken sta ik er plotseling voor. De put van een meter in het vierkant is afgedekt met een zwaar ijzer traliewerk om te voorkomen dat er per ongeluk iets of iemand invalt. Ik krijg het met moeite opgetild, maar het gaat niet verder open dan zo'n 45°, natuurlijk een beveiliging tegen open laten staan.
Ik kan het niet opgetild houden met één hand, daarvoor is het veel te zwaar en het water te diep weg. Na enig zoeken vind ik een gevorkte boomtak van de juiste lengte om onder het rooster te zetten. De waterspiegel is zo diep dat ik voorover in de put moet gaan hangen. Schuifel, schuifel, op het randje van evenwicht en nog kan ik er niet bij. Als ik nu voorover kukel met mijn kop naar beneden verzuip ik. Omhoog weer.
Had ik nu maar een touw meegenomen en een pan. Dat gaat helemaal niet, er zit geen hengsel aan die pan. Dan had ik twee gaatjes in de pan gepriemd en een hengsel gemaakt. Terwijl ik een creatieve oplossing zit te bedenken en net besluit maar weer de twee kilometer terug te lopen, valt mijn oog op een boomwortel die vlak bij de put even een bochtje boven de aarde maakt. Met mijn mes graaf ik een beetje aarde weg tot mijn voet eronder past en ga weer in de put hangen. Nu durf ik iets voorbij mijn evenwicht. Nog even doe ik een schietgebed dat de tak onder het traliewerk blijft zitten en ik niet tot patat gesneden wordt en begin met een bekertje de eerste zak vol te scheppen.
Duizelig van het naar beneden hangen waardoor al het bloed in mijn kop zit loop ik weer terug naar de berghut en begin op een houtvuur het water te koken. We vinden geen goed brandhout en het lukt moeizaam. Er komen nogal wat asresten in het water waardoor, ook na het zeven, het water een branderige smaak houdt, maar ik heb ergens gelezen dat as ook smerige organische deeltjes bindt.
We besluiten zuinig te doen met het water en morgen met twee liter op stap te gaan naar het volgende blauwe stipje. We hopen dat deze bron of put niet is opgedroogd anders moeten we het Plateau zo snel mogelijk zie af te komen naar een dorp.
In de hut zitten muizen dus gooi ik de parachutelijn over een balk en hang daar de rugzakken met het eten aan. Dan hijs ik de boel op tot ergens halverwege en knoop het eind vast aan een tafelpoot. In de nacht zijn zachte plofjes te horen, ik heb beelden van muizen die proberen op de gladde nylonlijn balancerend bij de rugzak te komen en plof, daar glijdt er weer één vanaf. Of maken ze een torentje en stort dat halverwege in, want soms zijn de plofjes wat luider of pro-beren ze naar de rugzakken te springen? Ik ga niet kijken, ze doen maar.

Zes uur. Vanwege de hitte willen we vroeg beginnen met lopen. De voorraad is onaangeroerd, dus het is die muizen niet gelukt en ze liggen waarschijnlijk hun blauwe plekken te masseren.
Een tijdlang gaat het prima, op de open stukken is het uitzicht prachtig, maar heet. We klimmen continu hoger en er staan bijna geen loofbomen meer, alleen naaldbomen. Bertie probeert me twee herten te wijzen, maar als ik begrijp waar ik moet kijken zijn ze alweer weg zodat het bewijs dat ze geen last heeft van een fata morgana weer niet is geleverd.
Door het geklauter over rotsblokken, het gesleep met de twee liter water, de hitte en het veel te weinig drinken komen we, met wankele kuiten laat in de middag in de buurt van de op de kaart aangegeven berghut met het blauwe vlekje. We kunnen de hele hut niet vinden. Ons moreel zakt met sprongen. Ik ben onze positie kwijt, niet de route die staat wel goed aangegeven, maar waar we ons op die route bevinden. Een open plek, de zon brandt meedogenloos en zuigt het laatste vocht uit onze poriën, hier zou toch volgens de kaart zo'n 500 meter van het pad af, die verdomde hut moeten zijn.
We nemen een slokje aswater en gaan verder tot een vlak stuk in de schaduw, dat moet maar de overnachtingsplek worden. Het Haute Plateau is een natuurpark waar je alleen mag kamperen in een gebied van 300 meter rond een berghut, maar nood breekt wet. We kunnen gewoon niet verder. Als ik op mijn rug neerplof gebeurd er iets vreemds met me. Ik zie de wolken met een razende vaart naar boven vliegen, of ben ik het die de aarde inzakt? Bertie is er nog slechter aan toe, prikkelbaar en duidelijk bezig de moed op te geven. Ze wordt kwaad als ik zeg dat we iets moeten bedenken, maar even later ziet ze ook de noodzaak daarvan wel in.
Na een kop askoffie zijn we even in staat wat helderder na te denken. Met de kaart opengevouwen in het gras en mijn kompas ernaast pro-beer ik me te oriënteren en kom erachter dat we die hut allang voorbij zijn, als die er nog was tenminste, en dat we niet ver meer van de volgende afzitten. Op 1½ km afstand van die hut moet een bron zijn, áls we daarbij kunnen en áls we het kunnen vinden.
Ik stel voor dat we alles laten staan en met alleen de waterzakken verder gaan kijken. Als het niet lukt is vlakbij een pad naar het westen wat ons van het Plateau naar het eerstvolgende dorp brengt, daar zullen we wel één á twee dagen (met het laatste restje water) over doen, maar verder gaan lukt dan niet meer. Wonderbaarlijk waartoe een mens in noodgevallen in staat is. Beiden uitgeput, maar het moet nu het nog licht is en we klauteren over rotsblokken een eind naar beneden. Het stuk tot de berghut is goed gemarkeerd, maar dan…
Ergens in het oosten moet die bron zijn. Die richting maar op. Even later komen we een steenmannetje tegen en verderop zie ik er nog een paar. Dit moet iets betekenen, hier liepen al eerder mensen. Deze opgestapelde stenen zijn een gebruik van reizigers om onduidelijk aangegeven paden te markeren en ook wij plaatsen af en toe een steen op zo'n bergje[6].
We beginnen de steenmannetjes te volgen. Het is nog steeds bloedheet op deze open vlakte. Geen zuchtje wind en bij een bosje struiken stort Bertie in, ze kan niet meer. Ik zeg haar in de schaduw te wachten terwijl ik verder ga kijken. Het kan niet ver meer zijn hoop ik nog steeds. We spreken een signaal af. Als ik bij de bergkam in de verte, de Roche Rousse (2105m) mijn beide armen omhoog steek betekent dat; help ik wordt aangevallen door een yeti. Enthousiast zwaaien betekent dat ze kan komen omdat ik water heb gevonden, anders kom ik terug. Wankelend sleep ik mezelf verder, op het tempo van een mompelend 'het moet, het moet'.
Het laatste steenmannetje staat bij de bergwand én bij een miezerig dun waterstraaltje dat uit de rotsen sijpelt. Bezweet en op de grens van mijn laatste krachten, zwaai ik in de richting van Bertie in de hoop dat ze me nog kan zien. Ik zet mijn bekertje onder het straaltje, het gaat langzaam maar het is water en wat voor water! Koel, helder, verrukkelijk, het lekkerste drankje op aarde. Als het bekertje vol is ga ik staan met mijn gezicht naar de bijna ondergaande zon en breng intens dankbaar een dronk uit op de nereïden. Ik zie dat Bertie mijn signaal heeft ontvangen en zo snel ze kan in mijn richting loopt.
Intussen is ook het pannetje vol en ik overgiet me met het koude water me niets aantrekkend van het feit dat mijn kleren nat worden, dat droogt wel weer. Als ze er is zitten we een poos in de ondergaan-de zon een enorme hoeveelheid water te drinken en de zakken te vullen.
Terug gaat een stuk makkelijker ondanks de stevige klim en we plaatsen op elk steenmannetje een nieuwe steen als dank. Ze hebben ons gered want ik denk dat het niet best was afgelopen als we deze bron niet hadden gevonden. Terug bij de tent maken we een maaltijd terwijl we maar niet genoeg krijgen van dat frisse vocht.

Nu even slim aanpakken. Ten eerste slapen we flink uit om de uitputting van de vorige dag wat te verdrijven. Dan lopen we het stukje naar de berghut en laten daar de rugzakken achter. We lopen weer naar de bron en gaan uitgebreid onszelf en de kleren wassen.

Marmot in de Alpen.

Op een helling een stukje bij ons vandaan, zit een marmot op zijn achterpoten rond te kijken. We hebben moeite 'ons' reddingsplekje te verlaten, maar met een lading vers water gaan we terug naar de rugzakken en in de schaduw brengen we de dag door terwijl de was droogt. Als we ons avondeten op hebben is het 6 uur en gaan we met zoveel water als we kunnen dragen verder.
De volgende bron blijkt niet zo ver te zijn (of kwam dat door de nieuwe energie?), het is nog licht als we daar aankomen. Deze bron geeft meer water en er staat een rij drinkbakken voor beesten die allemaal vol zijn. Ook heeft een complete familie hier een gezellig kamp voor het weekeinde ingericht, er moet dus een parkeerplaats in de buurt zijn. Ze zijn lawaaierig en we gaan een stukje verder staan, maar in de stille natuur klinkt hun geroep en geschreeuw mijlenver. Gelukkig komt er 's avonds laat rust in de tent, tot ze midden in de nacht wakker worden door een rond snuffelend beest die ook dorst heeft en de hele familie weer in rep en roer is.

We zijn om zes uur wakker en onderdrukken met moeite de neiging even flink lawaai te maken. Met twee liter water gaan we vlug op pad om de ergste hitte voor te zijn. Tot nu toe hebben we de GR-91 gevolgd, nu buigen we af naar het westen via de GR-93. De volgende bron blijkt ingedroogd te zijn tot een modderig plasje. Zo'n 5 km verderop (hemelsbreed) staat een meertje op de kaart, dat zouden we wel moeten halen met onze voorraad. Weliswaar is het hoogte verschil hier niet zo groot (zo rond de 15 á 1600 meter) maar wel gloeiend heet en al snel zijn we weer door ons drinkwater heen.
Dan komen we bij het meertje en wacht ons een grote teleurstelling. Duidelijk is de kuil te zien waar het meertje zou moeten liggen. Zou moeten, want er zit geen druppel water meer in. Volkomen opgedroogd en wij ook. Er zit niets anders op dan nog een stuk verder te gaan naar de Col de Rousset, een skipiste en een parkeerplaats, daar moet wel wat te drinken zijn.
We rusten even uit op het randje van een bergwand die honderden meters steil naar beneden gaat en zien diep onder ons het Forêt Domaniale de Romeyer liggen, een uitgestrekt bosgebied. Het is ontzettend mooi, maar wel druk omdat we inmiddels zo dicht bij die parkeerplaats zitten, het is zondag dus komen hordes dagtoeristen even dit bergje beklimmen. Vlak bij waar we zitten ligt een enorme berg plastic waterflessen. Helaas leeg en 'vergeten' door mensen die te weinig ruimte in hun auto hebben om ze mee terug naar huis te nemen.
Dan verder naar die Col. Te zien aan de massa borden is hier 's win-ters veel te doen, maar nu… niets! Ik kan niet meer, alles draait en tolt om me heen en ik laat me in de schaduw op de grond zakken. Nu is het Bertie die rond gaat lopen op zoek naar wat water, maar ze komt even later terug met een slecht bericht. Nergens wat te vinden.
We zetten de tent op in een bosje onder aan de piste en ik ben weer een beetje bijgekomen dus met waterzak op weg naar het volgende blauwe stipje op de kaart. Ik vind niets.
Bertie heeft bij de piste op de helling koeien gezien, die moeten toch ook drinken. We lopen er naartoe. Een trog met lauw, algen begroeid water dient als drinkbak. Ik zie de slijmslierten van de koeien in de bak drijven, maar we scheppen er een pan vol uit. Bij de tent zeven we de ergste verontreiniging eruit en koken het tien minuten om de bacteriën te doden. Het wordt natuurlijk niet koud, maar we kunnen ons vochttekort weer aanvullen en koken. We gaan maar vroeg slapen om te vergeten dat we nog steeds dorst hebben.

Is dit nou allemaal wel leuk? Ja! Het voelt allemaal steeds weer als een soort uitdaging, kijken wat je als mens wel en niet kan. Je grenzen ontdekken. Een aantal grenzen ken ik inmiddels al wel. Zo ga ik niet met behulp van klimijzers en touwen uitproberen of ik de Everest kan beklimmen en ook niet met een rugzak van 40 kg door Alaska. Evenmin blijf ik achter de geraniums zitten vanuit de angst wat me allemaal wel (of niet) kan overkomen. Dat is trouwens de ergste grens die ik me kan voorstellen.
Elke keer weer oplossingen zoeken voor de problemen die we tegen komen geeft een ontzettend bevredigend gevoel. Zelfs als je zover moet gaan om water uit een koeientrog te drinken of ondersteboven in een put moet gaan hangen geeft een bewustwording van Leven. Wauw, dat hebben we toch maar mooi gefikst. Dat gevoel. Maar ook ontdekken en toegeven dát er grenzen zijn in je kunnen. Dat is ook niet erg, dan ga je gewoon wat anders proberen.
Natuurlijk zou ik hier bij die skipiste voor een langsrijdende auto kunnen springen en de inzittenden beroven van de liters bronwater in plastic flessen die ze bij zich hebben. Als het echt zou moeten kan dat natuurlijk. Soms is het heel moeilijk en zwaar, maar het is geen echte survival, op alle voettochten die ik gemaakt heb zou ik eventueel in een paar dagen wel weer de bewoonde wereld kunnen bereiken. Dat gebeurt meestal ook, maar het blijft leuk uit te vinden hoe lang je zonder die 'bewoonde wereld' kan.
Dus scheppen we nog wat water uit de koeienbak voor onderweg en gaan de bergpas weer op. Het kost me veel moeite de honderd meter te klimmen, maar dan komt er wat meer bewolking en steekt er een briesje op.
Als we de pas over zijn komen we in een dal waar de route (inmiddels de GR-95) erg slecht staat aangegeven en prompt lopen we verkeerd. Ook nog eens een stevige helling en als we hijgend boven zijn komen we erachter dat we niet verder kunnen. Nou ja, het uitzicht is weer geweldig en gelaten gaan we weer naar beneden. Nu zien we de markeringen weer en het gaat verder vlot zodat we al snel in de verte Vassieux zien liggen.
De bronnen die we onderweg tegenkomen staan allemaal droog, maar omdat het niet meer zo heet is lukt het allemaal. We besluiten een stuk van de GR af te snijden en staan ineens in iemands tuin met metershoge wietplanten. Die durft, midden in Frankrijk. Door een weiland komen we bij een weg die naar Vassieux leidt. Een kilometer daarvoor zetten we onze tent neer en lopen verder naar het plaats-je.
Een plaatsje met alles erop en eraan. Een camping (niet nodig), winkeltje en (gesloten) bakker en natuurlijk heel veel water. Met een afgeladen boodschappenrugzak lopen we naar de tent terug. Eindelijk na vier dagen weer normaal eten en drinken.
Het weer slaat om, het wordt koud en mistig en het ziet ernaar uit dat het gaat regenen. Op dat moment maakt het me niet zoveel meer uit. Ik ben wat apathisch, mijn energie is op. Ik voel me niet OK en om negen uur slaap ik. Die nacht zweet ik hevig. Waarschijnlijk moet de rotzooi eruit.

Na het ontbijt voel ik me een stuk beter en zonder dat er een druppel regen is gevallen schijnt ook de zon weer af en toe. We gaan niet verder de GR95 en GR9 volgen, wat het voornemen was.
Het klinkt misschien gek, maar door het watergebrek zijn we veel te snel gegaan. Eigenlijk zijn we van het schildpadden type. Soms stug doorduwen met je hele huis op je rug, maar ook lekker lui in het zonnetje liggen bij een spetterend watervalletje. Als die watervalletjes er niet zijn ben je verplicht te blijven doorgaan en zo worden de voorgenomen dagen verblijf op het Haute Plateau ineens heel wat minder.
De geplande route zou er voor zorgen dat we veel te vroeg in St.Hilaire terug zijn. Een rondje 'bovenlangs'? Eerst maar naar St.Agnan en Vercors daarna zien we wel.
In Vassieux drinken we nog een fles Yop leeg en Bertie schrijft wat kaarten. Ook het pad wat we nu gaan lopen is gemarkeerd en we komen door een schitterend stuk natuur. Sterk glooiend met veel putten. Jeneverbes, buxus en nog veel meer groeit hier volop, maar die begroeiing is laag genoeg om te zorgen voor steeds wisselende vergezichten.
Na een afdaling door een stuk bos komen we in een dal op zo'n 800 meter hoogte. We zijn vlakbij St.Agnan als we bij een beekje komen met een piepklein strookje voor de tent. Heerlijk helder water in overvloed. Dat wordt weer wassen.
We lopen naar het dorp dat er leeg, spookachtig uitziet. Er hangt een vreemde sfeer, maar goed, er is een winkeltje en met eten, een fles wijn en andere lekkere dingen gaan we terug. We koken op een houtvuur en zitten nog lang te kletsen.

Vandaag hebben we ons lekker rustig vanzelf wakker laten worden. Na een uitgebreid ontbijt en wassen is het alweer te heet, maar we willen niet zover lopen vandaag. Via St.Agnan, waar we drinkwater inslaan lopen we naar Chabotte en zakken af naar het riviertje La Vernaison. Daar rusten we een tijdje en besluiten deze route verder te volgen omdat verderop een bron zou moeten zijn.
Na een klim van een paar honderd meter in de richting van La Chapelle zien we inderdaad een stroompje het pad kruisen én er is een open stukje voor de tent met een prachtig uitzicht op de bergen. Verder ligt La Chapelle nog maar 1½ km verderop, zodat ook de broodnodige bunkering geen probleem is.
We zetten de tent op en gaan gelijk door. Dan vergissen we ons in het pad en lopen drie kilometer voor niets (nou ja, niets is voor niets). Na het inslaan van voedsel en een ijsje lopen we in de hitte weer verkeerd. Weer twee kilometer om. Het is al over achten als we strompelend bij de tent aankomen en ik me op het matje laat ploffen.
Een kop koffie doet wonderen en we eten een heerlijke spaghetti. We hebben voor twee dagen eten meegenomen dus dat wordt eindelijk de eerste echte rustdag. Bertie ziet een zwijnenfamilie, twee grote en 3 of 4 kleintjes het bos uitkomen op weg naar de drinkplaats bij het weiland. Als ze mij probeert te wijzen waar, zijn ze alweer opgegaan in het landschap. Na een bekertje wijn is het donker en wordt het koud, dus de slaapzak in met het vooruitzicht een gat in de dag te slapen.

De zon staat pal op de tent. Heerlijk vroeg wakker dus. Goed zo'n rustdag met lekker eten, drinken en niets doen. Ik werk mijn aantekeningen bij. Heb ik wat te doen als we terug zijn bij de PC's.
Tegen de avond horen we een luid schor geblaf, waarschijnlijk een hert op weg naar de drinkplaats die de anderen waarschuwt voor onze aanwezigheid. We zien ze verder dan ook niet. Midden in de nacht een flinke onweersbui met prachtige horizontale flitsen boven de bergen, een enorme klap vlakbij en… de eerste flinke regenbui.

Zes uur, heel koud, winderig, alles is nat en het regent nog steeds. We draaien ons om en slapen verder. Als we om halfelf weer wakker worden is het nog steeds koud, maar de regen beperkt zich tot af en toe een paar druppels.
Gedver, die vieze cornflakes, dat vult niet. Als fervent muesli ontbijter eet ik al 25 jaar elke morgen een stevig ontbijt van zelfgemengde vlokken, noten, zaden, zuidvruchten, fruit en melk. Tijdens de voettochten is dat echter puinhoop. Natuurlijk neem ik wat mee van thuis, maar dat is in een paar dagen op. Soms vind ik in een winkel een pak van dat krokante spul (niet lekker en veel te zoet) en ik denk terug aan Penzance (Cornwall) waar dat geweldige winkeltje was met allemaal tonnen droogvoer. Waarom is dat niet veel meer?
In Nederland zie je dat nog wel eens bij 'buitenlandse' winkeltjes. Zo is er in Groningen een winkel waar het een feest is om binnen te gaan. Bakken met peulvruchten, kruiden, granen enzovoorts. Een heerlijke geur van eten komt je dan tegemoet. Maar nee, de mens wil plastic om zijn eten. Dan merk je niet zo dat de aardappelen stinken naar bestrijdingmiddelen, je ziet niet meer dat het biefstukje een dood hormonenbeest is.
We gaan langs La Chapelle naar het noorden. Eerst een lang stuk door het bos. De route is zeer slecht aangegeven en natuurlijk moet dat een keer mis gaan. Als we bij de afslag naar Tourtre komen lopen we verkeerd en drie kilometer om over de weg. Wat er nou precies mis is gegaan vinden we ook op de kaart niet terug. Uiteindelijk weer wat stille binnenweggetjes en we passeren Tourtre, een dorp bestaande uit een paar huizen.
Dan breekt de zon door en gelijk loop ik te zweten in mijn trui. Ver-der over een binnenweg noordwaarts naar St.Martin en Vercors en na een stukje richting Haute Plateau vinden we een plekje voor de tent.
We lopen terug naar St.Martin voor inkopen, maar het winkeltje daar heeft alleen wat beschimmelde en verlepte groenten. Dat wordt aardappelpuree met een blikje doperwtjes.
Het is weer heet, met een onbewolkte hemel. Dat belooft wat bij de klim morgen en we nemen ons voor weer vroeg op te staan. We krui-pen sowieso vroeg in de slaapzak, 's avonds is het nu bitter koud.

Als we om zes uur op staan is het 5°C.
Poeh, wat een klim, gelukkig komt de temperatuur niet boven de 15°, maar met knikkende knieën kom ik aan op de Pas de la Sambue (1500m). Dan dalen we weer naar Correncon (1100m) en stoppen op een veldje even boven het dorp. Daar vind ik zowaar iets wat een beetje op muesli lijkt voor morgenochtend.
Hier gaan we verder de al in tegengestelde richting gelopen Tour des Quatre Montagnes langs Villard volgen om vandaar een rondje te maken van een paar dagen.

De muesli was toch weer zo'n mierzoet hondenbrokken mengsel. Het pad naar Villard gaat gestaag omhoog, niet erg veel maar wel zwaar. Dan een heftige klim en dito afdaling waarbij je de rugzak tot in je enkels voelt doordreunen en bij Méaudre ben ik kapot en op een niet zo'n leuk plekje tussen een berg omgezaagde boomstammen stoppen we met om ons heen lawaai van landbouw en wegenmonsters. Morgen maar weer snel weg.
We puzzelen wat met de route die we verder willen gaan. Een klim richting Pas de la Chevre loopt naar een, op de kaart als zwaar aangegeven afdaling. Als we dat doen en het blijkt voor ons te heftig te zijn moeten we wel heel erg omlopen of terug. We besluiten een stuk naar het zuiden af te zakken.

Na de Tour 4M klimmen we naar de 1500 meter, de Gras Martel (1556m) laten we links liggen en zakken af richting Pas de la Ferriëre. Dat was wel weer genoeg voor een dag en bij een riviertje in de buurt van Les Jarrands bouwen we ons kamp op.

Het regent een beetje en we wachten in de tent tot het wat minder wordt. Over de weg langs een woest stromende Bourne blijkt dankzij het weinige verkeer heel mooi. Een kloof met loodrechte wanden. Een overdaad aan grassen, varens en mossen tussen de bomen.
We komen langs een bruggetje over de Bourne waar aan de andere kant een pad langs de kloofhelling omhoog gaat. Een stuk kan ik het pad zien door de ijzeren bruggetjes die waarschijnlijk nog meer kloven en beken overbruggen. Waar het heen gaat? Geen idee, maar het trekt en zuigt aan me. Dan kom ik in de realiteit terug.
We hebben nog drie hartkeks (een soort noodbiscuits), een zakje rijst en een pakje soep. En in Valence wacht over een paar dagen de trein terug. Het wordt een te hachelijke onderneming om uit te proberen.
Aanvankelijk waren we van plan om vanaf deze weg een klim te maken naar Rencurel, maar een heel mooi plekje beneden bij de Bourne vlak voor La Balma doet ons besluiten daar vandaag en mor-gen te blijven (en dat is maar goed ook, blijkt later).
In La Balma (in het caféwinkeltje van de heenweg) halen we wat boodschappen, proberen we via een kortere weg aan de andere kant van de rivier terug te gaan. We zien de tent aan de overkant staan maar nergens lukt het ons de woest stromende rivier over te steken zodat we toch weer terug moeten. We maken een vuurtje en met een flesje wijn is het weer feest.

Vandaag gaat mijn 60ste levensjaar in en na het uitslapen kunnen we het weer niet laten. We willen een stukje gaan wandelen.
Nu had ik al het plan (en daarvoor wat van mijn spaarcentjes meegenomen) om iets extra's te halen voor deze gebeurtenis. Een taartje, iets speciaals te eten? In het kleine winkeltje van La Balma was bijna niets en op de kaart ziet Rencurel er een stuk groter uit.
Dus laten we alle spullen in beheer van moeder natuur en met een lege rugzak klimmen we zo'n 500 meter steil omhoog via de Tour 4M. Ook met een bijna lege rugzak blijkt het net zo zwaar te zijn. Onderweg vindt Bertie een heleboel rijpe bloemzaden. Ze verzamelt een zakje vol.
In Rencurel wacht ons een verrassing. Niets, helemaal niets. Ja, huizen en een kerk, maar verder niets. Dan terug via een stukje GR9 en een plaatselijke route naar La Balma. Hebben we in ieder geval nog een flesje wijn en maar weer een blikje, want dat wat we gekocht hadden hebben we gisterenavond opgegeten.
Een stukje verder begint het te regenen. Toen we vertrokken was het warm en mooi weer dus zijn we natuurlijk vergeten regenjassen mee te nemen. Gelukkig loopt het pad door een bos met grote bomen die het meeste regenwater opvangen en we verdubbelen onze loopsnelheid. Bij het laatste stukje afdaling gaat het stortregenen en we rennen naar het café.
Van een afstandje begin ik het al te vermoeden, ik zie een neergelaten rolluik en ja hoor, gesloten op woensdag. Op het overdekte terrasje zitten we te balen. Wat een verjaardagsfeest. Niks niet wat extra's, we hebben zelfs niets meer te eten. Ik weet gelijk weer waarom ik mijn verjaardag nooit vier, feesten moet je elke dag als je daarvoor in de stemming bent en niet op de voorgeschreven dagen als alles tegen blijkt te zitten.
Somber lopen we, als het iets droger wordt, weer langs de weg naar de tent terug. Net voor we het dorpje uitlopen zien we aan de overkant van de straat een gebouwtje met gesloten gordijnen en daarnaast een grote openstaande garagedeur. In de ruimte achter die deur is een keuken met grote pannen, een fornuis en een heleboel kookgereedschappen. Op een krukje zit een vrouw met een schort voor die, als we zo naar binnen staan te loeren, opstaat en begint te rommelen met de pannen. Zou het een restaurant zijn?
We steken de straat over en loeren door de gordijnen naar binnen, tafels en stoelen, maar het is donker. Naast de deur hangt een menukaart in het Frans waar we niets uit kunnen opmaken. Toch maar even voorzichtig de deur proberen, hij gaat open en we staan in een zeer eenvoudig betegeld eethuis met plastic stoelen en tafels, een paar kaarsen hadden het geheel nog wat aangenaam kunnen maken, maar de vrouw komt binnen en knipt een schakelaar aan. TL buizen knipperen en de ruimte baadt in een lichtzee, maar goed we komen hier niet voor de gezelligheid.
Ze spreekt alleen maar Frans en wij niet, maar op mijn gebarenvraag of we wat kunnen eten knikt ze heftig ja en steekt haar vingers in de lucht. Tien minuten. Geen probleem. Of we wat willen drinken. Het begint toch weer een beetje feest te lijken dus vooruit, een fles vin blanc.
Even later staat dat op tafel met daarnaast een mandje stokbrood met kruidenboter. Gretig vallen we daarop aan. Een slaperige kok schuifelt heen en weer in de keuken (die is vast voor ons uit zijn siësta gehaald), we verwachten dat nu de bestelling wordt opgenomen en bereiden ons voor op de moeilijke taak duidelijk te maken dat we vegetarisch willen eten.
De kok blijft doorrommelen. Nou ja, we hebben geen haast, het regent inmiddels weer en hier zitten we droog. Terwijl we zo zitten te kletsen, wijn drinken en stokbroodjes eten staat er plotseling een schaal naast ons met brood, boter en plakken vlees. Waarschijnlijk hebben we niet begrepen dat ze gevraagd heeft of we een bepaald menu wilden en dat het in tien minuten klaar was. Het is ook wel logies want in Frankrijk eten mensen zo laat in de middag een kleine maaltijd en pas tegen achten kun je vaak warm eten krijgen. Gelukkig ben ik maar één keer per jaar jarig dus vooruit, we hebben eten nodig. We hebben zo'n honger dat we bijna alles opeten, zelfs een plakje vleeswaar en ja, er zou nog wel wat bij kunnen, maar zo lukt het wel.
Dan wordt een nieuwe lading op tafel gezet. Het brood blijkt een voorafje geweest te zijn. Een berg aardappelpuree met salade en een smerig uitziend hoopje ernaast, een kwartel vermoed ik. Ik probeer het wel hoor, maar dit gaat me te ver. Wat vies. De puree en de salade gaan wel naar binnen en we zijn daar nog niet mee klaar of er wordt alweer een kaasplankje met stokbrood neergezet en als we dat echt niet leeg krijgen komt er een bakje met vruchten op siroop.
Bang dat dit zo door blijft gaan vraag ik of we koffie kunnen krijgen. Ja, ja, dat hoort er ook bij. Ik krijg door dat we ongewild het dagmenu hebben gekregen. Propvol nemen we de rest van de wijn mee en lopen naar de tent. Het is inmiddels droog geworden en het lukt zelfs om bij een kampvuurtje de wijn verder op te drinken.
Wat een verjaardag, dat nooit meer.

De bedoeling was vandaag tot aan Choranche te lopen, maar helaas zijn ook daar geen winkels (meer?) en moeten we via de GR9 verder naar Pont en Royans. Daar kunnen we onze noodzakelijke inkopen doen en dank zij een bakker op een bankje zelfs nog het beloofde taartje eten.
We lopen de stad uit en een kilometer verder naar het noordwesten stoppen we op een beetje smerig plekje. Er ligt veel puinafval en erg zanderig, maar we moeten improviseren. Het is weer genoeg geweest voor vandaag en hier is wel een beekje. Er zitten veel salamanders.

Op het plekje wat Bertie als toilet gebruikt hoor ik haar gil. Ze heeft een 70 cm lange, gifgroene slang gezien en gaat gelijk ergens anders zitten. Volgens mij kan ze beter daar blijven, want die slang is zich natuurlijk ook rot geschrokken en hopelijk niet op idee gekomen dezelfde schuilplaats te kiezen.
Het is bloedheet. Gelukkig hoeven we niet meer zover te lopen naar St.Nazaire waar we ergens in de buurt nog een keer moeten overnachten. Als je St.Nazaire uitloopt over de brug van de L'Isére kom je gelijk in St.Hilaire en daar moeten we morgen op de trein terug naar Valence. Dit laatste stuk gaat over een autoweg waar het niet echt leuk lopen is, zeker niet als het zo heet is.
Vlak voor St.Nazaire zie ik op de kaart een paadje een bos ingaan naar de oever van de L'Isére. Dat moet maar ons laatste kampplekje worden. Natuurlijk is dat paadje al in geen eeuwen meer gebruikt en zoeken we ons rot. Dichte stekelstruiken belemmeren elke doorgang tot het bos.
Dan zie ik na steeds weer kijken en vergelijken op de kaart opeens een kleine inham in de struiken en als we een paar takken weg buigen ligt daarachter het gezochte, overwoekerde pad. We zakken af en het lukt om bij de oever te komen. De L'Isére zelf is een vieze brede rivier, maar verder is het mooi en koel. Het lukt nog om bij een vuur-tje te eten. Dan gaat het regenen en heftig onweren en we slapen uitstekend.

Om negen uur is het droog en kunnen we op ons gemak naar St.Hilaire lopen. Om kwart over twaalf komt ons treintje eraan en een half uur later zijn we in Valence. De Thalys naar Rotterdam vertrekt om vier uur dus zitten we een tijdlang in de zon op het enorme parkeerterrein tegen een gebouwtje te soezen.
De terugreis is er weer één van een snelle saaiheid zodat we de meeste tijd indommelen. In Nederland hebben we met zoveel treinvertragingen en uitval te maken dat we over het stuk Rotterdam naar Heerenveen bijna net zolang doen als over Valence naar Rotterdam en pas heel laat zijn we thuis waar we nog lang zitten na te borrelen. Het was me het wandelingetje weer wel.

[bewerken] Frankrijk/Pyreneeën/GR 10: St.Jean P de Port – Borce Etsaut

Het zou beginnen op vrijdag 13 juni 2003, onze tweede (en mijn derde) voettocht in de Pyreneeën, maar dat soort plannen kon je maken in een tijd waarin je nog gewoon op de eerste de beste trein kon stappen.
Geweldig die privatisering van het openbaar vervoer. Een Thalys brengt je op topsnelheid naar Parijs, maar om van een beetje redelijk tarief te profiteren moet je wel drie maanden van tevoren boeken. Een aansluitende TGV naar Bayonne kan echter pas na half mei geboekt worden en dan blijken de goedkope Thalys kaartjes op. Snappen ze nou niet dat je liever geen Thalys boekt als je niet zeker weet of je een aansluiting hebt. Gelukkig, op donderdag is er nog plaats, moet je maar niet op vrijdag de 13de willen.
Ondanks stakingen in Frankrijk, tegen afbraak van de sociale voorzieningen, verloopt de reis zonder problemen, zelfs de metro werkt zonder storingen. Een uurtje duurt de rit van Parijs Du Nord naar station Austerlitz en we hebben nog een uur wachttijd. Naar buiten, de zon in.
Een man bietst sigaretten en kleingeld van iedereen die langs loopt, een meisje met een camera kijkt door de zoeker langs de gevel van het stationsgebouw omhoog. Het lijkt erop dat ze de meest creatieve foto van haar leven in gedachten heeft. Meteen staan er een paar breed geklede maatschappijbeschermers naast haar en vragen wat ze aan het doen is. Er welt een antwoord in me op; ‘een terroristische aanslag voorbereiden’, maar zulke opmerkingen worden nooit op prijs gesteld heb ik ervaren. Voor je het weet ben je je kostbare rolletje kwijt.
Het wordt heet in de zon en we kuieren naar binnen. De trein staat klaar.

Wat is het rustig op het perron van Bayonne tot waar de TGV ons heeft gebracht. Aan de overzijde van het spoor een paar mensen die naar buiten lopen, een man met een blauw werkjasje die een vuilniszak uit de bak sleurt, verder is er niemand te zien.
Het is halfnegen in de avond en we lopen de verdacht stille stationshal binnen om kaartjes te kopen naar St. Jean Pied de Port. We verheugen ons op de leuke rit met het dieseltreintje waar ik in 2000 over schreef. Daar zullen we op een redelijke tijd aankomen en op de camping gaan staan om morgen de 'stoute' schoenen aan te trekken. Drie jaar geleden zijn we daar begonnen om de GR10 (Grande Randonnée) naar het westen te lopen, deze keer willen we naar het oosten.
Geen kip te zien in de ruimte die anders overloopt van gekakel. Loketten dicht. Lampjes op de ‘départ’ borden branden alleen bij de internationale treinen. Franse briefjes waaruit we opmaken dat er door de staking geen trein gaat. En daar sta je dan.
Op of bij een station, een knooppunt van reizigers, verwacht je informatie in een paar talen, maar in de hal hangt alleen een summiere kaart waarop wordt aangegeven waar je bedrijven en overheidsinstellingen kunt vinden. Wat moet een nomade daarmee?
We lopen het station uit en de jungle in om te constateren dat er geen enkele stadsplattegrond te vinden is, geen bordje naar een camping (later blijken die campings er in grote hoeveelheid te zijn en allemaal aan de kust te liggen), geen enkele informatie waaruit je een keuze zou kunnen maken hoe nu verder. Ja, rondom hotels tot in de hemel voor minimaal €50 per nacht per persoon, dat is alleen voor rampgevallen. Dan maar lopen en hopen.
Een groot stuk bos op de heuvel aan de achterzijde van het station lokt. Kijken waar we het spoor over kunnen. Een stuk verderop een voetgangersbrug, te gek. Sht, een heel hoog hek met een bord dat het bos verboden militair terrein is.
Verder, een rangeerterrein op, tussen oude, verroeste wagons en een enorme hoeveelheid zooi. Links van ons staan wat vrachtauto’s met de achterkant tegen een laadperron. Na een tijdje loopt het terrein dood tegen een autoweg. Terug dus maar.
De grendels van de oude wagons zitten onwrikbaar vastgeroest, jammer, het zou een bungalow kunnen zijn voor vannacht al weet je nooit waar je ongewild naartoe gereden wordt, mij lijkt het wel een avontuur. Een klein leeg gebouwtje zit ook op slot. Weer komen we langs het laadperron dat een beetje overdekt is, er liggen wat stukken karton en lege bierblikjes (opvangcentrum voor hopeloze gevallen zoals wij dus) en besluiten daar te gaan liggen.
Het is benauwd warm, lawaaiig, goederentreinen denderen regelma-tig langs. Iemand slaat met een stok tegen metaal wat spookachtig door de nacht kloinkt, er sjeest een scooter met twee jongeren langs en terug, een zoekende personenauto rijdt een rondje en verdwijnt weer. Zeker geen ‘Paradise by the dashboard lights’ te vinden op dit oud ijzer kerkhof.
Kortom geen driesterren slaapplaats, maar op een camping is het vaak benauwd warm, lawaaiig, langs een spoor- of snelweg enzovoorts.

Bij het ochtendgloren pakken we geeuwend onze spullen en lopen terug naar het station.
In plaats van de trein rijdt er een bus naar St. Jean Pied de Port, jammer, maar goed we komen er tenminste. Het is 28°C als we uitstappen op het, voor ons inmiddels vertrouwde, stoffige stationspleintje. In een winkelstraat kopen we wat proviand voor onderweg, we vullen de waterflessen en na enig zoeken vinden we de eerste wit/rood markering. Waarom beginnen die streepjes niet gewoon bij het station?
De GR10 gaat de bergen in richting Spaanse grens, maar dan komen we te lang geen voedsel meer tegen, dus kiezen we voor het alternatief via Caro. Met onze 55 en 60 kilo lichaamsgewicht is de 15 kilo op onze rug al vrij veel en, al probeer ik me daar niets van aan te trekken, de 60 levensjaren gaan ook wel een beetje meetellen. Sinds de uitvinding van diepvries maaltijden is gevriesdroogde voeding aan het uitsterven en vaak komen we niet veel verder dan rijst, soep en puree voor een paar dagen en tot Larrau is er geen winkel meer.
Als we langs de citadel lopen komt er een Disneylandtreintje naar beneden. De overwegend vrouwelijke passagiers op leeftijd (ik heb mijn wagen volgeladen, vol met…) beginnen spontaan voor ons te applaudisseren. Ach, in hun opvatting gaan we natuurlijk het bijna onmogelijke volbrengen.
Het wordt steeds heter en na een paar uur zijn we zo’n 150 meter geklommen. Met de slechte nachtrust achter ons zijn we blij een mooi helder beekje te kruisen en zetten de tent op. Bijna lichtgevende blauwe en groene libellen komen ons bekijken. Ik maak een vuurtje om (drink)water te koken en eten te maken. Het schemert nog als we in slaap vallen.

Het is vroeg als we Ahadoa bereiken. Een paar huizen en een weg naar Estérencuby. Vanaf hier hebben we weer een keuze, ofwel de top van de Handiamendi (642m) over of rond de basis van de berg. De top is weliswaar een korte klim, maar heel stijl en er is geen scha-duw. We voelen ons nog niet zo optimaal en besluiten de vlakkere route te nemen.
Het is ‘slechts’ 26°C, maar ontzettend benauwd en nadat we de wei-nige huizen in Estérencuby achter ons hebben gelaten, komt het echte klimmen naar de col van Ithurramburu (858m). Zweten, zwoegen en sjouwen, maar we kunnen niet stoppen met onze, nog net draagbare twee liter water.
Gelukkig gaat het nu naar beneden en 200 meter lager steken we twee bergbeken over en ploffen neer. Het is te zwaar, te heet. Ik stel een dag rust voor, we hebben krap eten maar water genoeg hier en gelukkig wordt mijn voorstel enthousiast aangenomen.

Deze keer slapen we tot halfelf, dat hadden we blijkbaar nodig. Met een dag niets doen in het vooruitzicht gaan we ons lekker wassen in de beek en ik onderzoek mijn bagage op overbodige zaken. Natuurlijk is het al minimaal, maar ik besluit een paar dingen in het eerstvolgende dorp achter te laten. Het snijplankje is wel handig, maar dat kan ook op een pannendeksel. Met nog een paar kleine dingen kom ik toch op een besparing van zo’n halve kilo. Het lijkt onvoorstelbaar dat ik ooit in de Pyreneeën heb gelopen met een klein kind op mijn rug, een zwaardere tent, en veel meer spullen. Dat was dan ook vijftien jaren geleden.

Vandaag wordt het weer flink klimmen naar 1300 meter dus gaan we rond acht uur ingepakt op weg om op de top van de Col d’Irau in een dichte mist terecht te komen. Omdat we de kans op verdwalen willen voorkomen besluiten we verder te gaan over de weg naar Chalet Pedro waar we een omelet eten en de waterzak vullen.
Bergop en af komen we uiteindelijk een kilometer voor een paar skichalets een vlak stuk tegen voor onze tent. Enigszins uitgeput lopen we met de waterzakken naar de wat verderop gelegen Gîte d’Étape om te ontdekken dat alles verlaten is. Ik loop om het gebouw heen en zie gelukkig een deur openstaan van een toilet. Eten kunnen we op onze buik schrijven, maar we hebben water.

Vannacht zijn we lek gestoken door kleine mugjes die mee de tent ingeslopen zijn. Midgets? Zitten die hier ook al? Alles is klef nat door de aanhoudende mist en het is 12°C. Bij de Gîte zetten we koffie op het toilet en eten een paar Beverkaken. We gaan weer een stuk weg volgen naar Larrau, de alternatieve route.
De GR10 van hier naar Logibar duurt volgens de beschrijving zo’n zes uur (langer bij slecht weer omdat de route niet best is aangege-ven) en er is geen water op de kaart te ontdekken. Aangegeven tijden op bordjes en in beschrijvingen zijn altijd gebaseerd op de pure loop-tijd (rust wordt niet meegerekend) en voor mensen met weinig baga-ge en/of dikke kuiten. Wij moeten deze tijd altijd ongeveer verdubbe-len, dat betekent twee dagen lopen.
We hebben geen eten meer en in Logibar moeten we dan een stuk autoweg (terug) volgen, met een klim van 380 naar 627 meter, naar Larrau waar een winkel moet zijn. De alternatieve route gaat over Larrau naar Logibar, maar wel over grote stukken asfalt. Gelukkig is het niet druk.
Een paar kilometer voor Larrau zijn we de weg kwijt. Tenminste het stuk pad wat de asfaltweg zou moeten afsnijden en waar we hopen de tent te kunnen neerzetten. Met de 1:50.000 kaart kom ik er niet uit en net willen we weer naar de weg terug gaan als er twee mensen van natuurbeheer aankomen. Op hun 1:25.000 kaart zien we dat er echt een pad moet zijn en we oriënteren ons op een paar herkenningspunten om het te vinden. Blijkbaar erg lang niet gebruikt en overwoekerd, soms een vaag pad en soms kniehoog gras, maar we komen op een perfecte vlakte (nou ja, beetje schuin) voor de tent. We besluiten hier beter weer af te wachten. De mist wordt zowaar een beetje minder als de tent staat. Zo en nu eten.
Een stukje verderop is een beekje, water is geen probleem dus, dan lopen we Larrau binnen met een winkel en een (gesloten) bakker. Met een rugzak vol eten voor twee dagen en een fles wijn gaan we terug naar de tent. Bertie aait in het dorp een paar zwerfhonden, vooral het kleintje is natuurlijk vertederend, die daarop denken dat er wat te halen valt en meelopen tot de tent.
Daar gaan ze alles te lijf waarvan ze denken dat het te eten is, zelfs in de waterzak zetten ze hun tanden en ik moet ze elke keer wegjagen. We geven ze niets, bang dat we ze niet meer kwijtraken, na een poosje verdwijnen ze en kan ik eindelijk rustig eten maken. We proppen ons vol met een maaltijd, fruit en een toetje. Wat is een, nog steeds eenvoudige, maaltijd heerlijk na een paar dagen soep en Beverkaken.

We slapen alweer lang, tot halftwaalf. We moeten dus wel erg moe zijn geweest en het weer werkt ook niet mee. Er is iets minder mist, maar wel veel vocht in de lucht en ik maak een stevig muesli ontbijt. Normaal weeg ik zo tegen de 60 kilo, maar er moet heel wat afge-gaan zijn, er zit 15 centimeter ruimte in mijn broekband en ik bind een touwtje tussen de lussen om hem wat aan te halen.
Dan breekt de zon door! Ik tel dertien (gelukkig is het woensdag) gieren die boven me in de lucht cirkelen en het uitzicht op de bergen is weer wat het hoort te zijn. Dat ziet er allemaal wat positiever uit en we brengen de dag door met gepast luieren.

Dit keer staan we om zeven uur op. Het is alweer heet in de tent en snel maken we ontbijt en pakken de spullen in. In Larrau doen we nog wat inkopen voor onderweg. De bakker was op woensdag dus gisteren open, dat wordt weer een kneedbaar plastic brood, ik moet toch die dagen in het Frans eens leren. We lopen bergafwaarts de paar kilometer naar Logibar. Zo, eindelijk weer op de ‘gewone’ GR.
Tenminste dat zou kunnen, maar volgens een beschrijving zou het een tragedie zijn als je de spectaculaire Gorges d’Holzarté nooit hebt gezien, dus hebben ze weer een alternatief verzonnen. Het is maar een uurtje omlopen en na een ‘couple of hours’ wandelen komen de twee weer bij elkaar. Wij doen er twee dagen over, maar spectaculair? Nee! Overweldigend, wat een eruptie van natuurkrachten moet Moeder Aarde hebben veroorzaakt bij de bevalling van deze schoonheid.
Maar laat ik niet vooruit lopen. Logibar zelf ziet er wel uit als een spektakel. Het bestaat uit alleen een ‘Auberge’, een combinatie van bar, restaurant en Gîte d’Étappe en zeer populair bij ‘day trippers’. Vanaf het punt waar we staan lijkt het een klein pretpark met volle parkeerplaatsen.
We gaan klimmen. Van 380 naar 999 meter in krap twee kilometer, dat gaat hard omhoog, een soort trap uitgehakt in de rotswand. Het is een beetje file door de ‘day trippers’ die met een lunchpakket het gloeiend hete, windstille bergpad langs een steeds dieper wordende kloof trotseren. Wij zwoegen en zweten ons met huis, bed, keuken, kleding en een paar dagen eten naar boven. Vaak zien we de mensen die ons voorbij liepen, weer terug naar beneden komen. Na een paar keer uitblazen en genieten van het uitzicht staan we voor een brug over de kloof.
Aan weerszijden een stenen boog met daartussen kabels gespannen. Daarop liggen planken waarvan je jezelf afvraagt of het niet eens tijd wordt ze te vervangen. Als we erop stappen lijkt het of je op een luchtmatras probeert te lopen, het wiebelt allemaal en zwaait heen en weer als je beweegt. Heel, heel diep onder ons het zilver glinsterend lint van de beek die beneden bij Logibar een aardig riviertje was geworden.
Ik ben wel een beetje blij als ik zonder door de gammele planken te zijn gezakt aan de andere kant sta. We gaan zitten voor de lunchpauze en schatten de klim in die voor ons ligt. Waar zijn we weer aan begonnen. Hier op het bergpad een tent opzetten kunnen we vergeten. Trouwens is onze voorraad water opgegaan tijdens de klim (veel te weinig), hebben we dringend drinkwater nodig en ligt dat onbereikbaar honderden meters beneden ons.
Ach, eerst maar eens een paar Beverkaken (daar moet je eigenlijk veel bij drinken, maar vermengd met wat speeksel krijg ik ze doorgeslikt) en dan verder kijken.
Naar de mensen bijvoorbeeld. Velen bekijken de brug, griezelen hoe diep het is, maken een foto en gaan terug. Sommigen wagen zich naar de overzijde en een enkeling, meestal met een rugzak in ons formaat, klimt verder. Druk zal het dus verder niet zijn.
Het gaat snel vervelen op dit drukke plekje, dus verder omhoog de beboste helling op. Het blijkt nog een flinke klim te zijn en net voordat ik het echt gehad heb wordt het wat vlakker en komt de beek steeds hoger.
Een kilometer of drie verder zijn we op gelijke hoogte en komen bij een bruggetje van een paar meter over hetzelfde water als bij die hangbrug, een maffe gedachte. Water én een paradijselijke plek met een paar vierkante meter voor de tent, droog hout genoeg voor een vuurtje. De beek watervalt zich hier naar beneden en eeuwenlang polijsten heeft er voor gezorgd dat in de rotsbodem diepe kommen zijn gesleten waarin het water bruist. Een lange rij bubbelbaden, jammer dat het water zo ijskoud is.
Eigenlijk zouden ze boven op de berg een atoomcentrale moeten bouwen. Het koelwater zorgt dan voor een lekkere temperatuur. Nadeel is natuurlijk wel dat je kaal wordt, maar mijn lange hippiehaar is sowieso uit de mode.
Goed, geen gegrap over de laatste stukjes natuur. We gaan bij het water zitten en kijken een tijdlang zwijgend naar het schouwspel wat elke keer weer anders is. Het neervallende, kolkende, bruisende wa-ter maakt zo’n lawaai dat we elkaar nauwelijks kunnen verstaan en Bertie doet die nacht maar één oog dicht.

Weer vroeg op, je weet maar nooit hoe heet het vandaag weer wordt, en verder klimmen. We ontmoeten de echte GR10 en klimmen verder naar Abarrakia (1200m).
Door de slechte markering lopen we fout en komen daar pas een tijd later achter. Ik vermoed dat het echte pad veel hoger ligt. Een eind terug? Eigenlijk zijn we door het klimmen alweer behoorlijk aan het eind van ons Latijn. We besluiten mijn kompasneus te volgen en dwars door het bos de helling op te gaan.
We zaten een flink eind te laag en hijgend staan we een tijd later weer op de route en op een prachtige vlakte op 1200 meter hoogte met diepe dalen en nog hogere bergen (1893m) rond ons. Een water-stroompje maakt het geheel tot een prima overnachtingsplek en dat werd hoog tijd. De bergtoppen schuiven voor de zon en projecteren toverschaduwen op de hellingen aan de andere kant.

Vannacht stormde het op de hoogvlakte waar we staan. De tent schudde en klapperde op een gegeven moment zo hevig dat ik ben opgestaan om extra lijnen te spannen. Om halfzeven ben ik wakker en sta op.
De hemel is zacht gekleurd met een halve afnemende maan. Vlak boven me zweven tegen de wind in 31 gieren, ik kan ze bijna pak-ken. Dan kleurt de zon de bergtoppen oranjerood en de schaduwen zakken de dalen in.
Zoals iedereen heb ook ik ooit gefilosofeerd over de zin van het le-ven. Dat was in de tijd dat ik dacht dat het leven te kort was om alles te beleven en dus in een paar weken half Europa rond reed. Op een ochtend als deze is de zin van het leven tastbaar, die paar kubieke meter kosmos[7] laten je zo intens zien wat leven is.
Ik zet koffie en maak Bertie wakker. Als ik zeg dat er 31 gieren op haar wachten, kijkt ze me ongelovig aan en steekt haar hoofd naar buiten. Volgens mij is er alweer één bij gekomen, maar het tellen was al zo moeilijk, ik begin er niet weer aan.
Dan loopt ze een stukje bij de tent vandaan en gaat voor dood in het veld liggen. Onmiddellijk hangen er een stel vlak boven haar te kijken, maar ze trappen er niet in en weigeren haar ogen uit te pikken.
Het waait nog steeds hard en met moeite krijg ik wat water gekookt voor onderweg. Als we verder gaan is het alweer heet aan het worden en we hebben nog een flinke klim voor ons naar 1380 meter. Eerst een kilometer of vier langs de helling en dan steil omhoog. Als we op het punt aankomen waar de klim begint is het 32°C, maar we moeten verder. Er is geen water hier en de voorraad slinkt alweer.
De hete klim put ons behoorlijk uit en we rusten even. Dan overschatten we onszelf. Vanaf hier gaat het naar beneden, dat lijkt makkelijk maar is het niet. Met een zware rugzak voel je op een gegeven moment elke stap in je knieën schokken, je voeten schuiven een beetje tegen de schoenneuzen aan waardoor je pijn krijgt aan je tenen, door de schokken is je rugzak geneigd om over je heupen naar onder te zakken en moet je elke keer de boel weer ophijsen. Samen met de hitte, het tekort aan water en de vermoeidheid wordt het bijna een martelgang en ik maak een grapje tegen Bertie dat ik volgende keer liever ga meedoen aan een boetetocht waarbij je jezelf tot bloedens toe op je rug slaat met een zweep of ketting.
Trek in weer eens echt eten en drinken laat ons over de grens gaan. We willen afwijken van de route en naar La Caserne gaan waar waarschijnlijk een winkel is, we hebben gelezen dat de volgende een heel stuk verder is.
De eerste kilometers lukken nog wel, maar als we een paar kilometer voor La Caserne zijn stort ik in. Na een paar Hartkeks lukt het wel weer, maar nu krijgt Bertie uitdroog verschijnselen. Prikkelbaar, duizelig en de moed opgevend. Natuurlijk zijn we wel een paar mi-nuscule waterstroompjes gepasseerd onderweg, maar in principe kook ik het beekwater voor we het drinken en dat is dan zo’n gedoe met pannetje en brander. Je zit dan trouwens met gloeiend water wat eerst weer moet afkoelen. Dus denk je elke keer ‘even doorzetten’ tot je merkt de fout in te gaan. Volgende keer gaat er een ‘waterzuiveringpen’ mee. Dat is een kleine, lichte (30 gram) waterfilter, geschikt voor zo’n 100 liter. Dat is voldoende voor onderweg noodgevallen.
We strompelen het dorp binnen, één straatje met huizen en Bertie flipt omdat er geen winkel te zien is. Ik reageer prikkelbaar terug dat we niet eens goed hebben gekeken. Wel zit er een waterkraan tegen een gevel en ze drinkt snel, tegen mijn advies in, ruim twee liter van het ijskoude water.
Intussen ga ik op onderzoek en zie dat een van de huizen een bijna onherkenbaar winkeltje bevat. Gered! Met twee woorden Frans en een heleboel gebaren kom ik te weten dat openingstijden niet zo’n probleem zijn en we krijgen de camping aangewezen die een kilome-ter verderop ligt. Straks komen we terug voor een lading boodschap-pen. Bon, OK, no problem. Voor ons ook niet (meer)!

Ook vandaag blijven we op deze camping staan. Goedkoop, heel rustig ondanks het weekend én (dat heb ik nog weinig meegemaakt) een douche waar je zelf de watertemperatuur kan regelen. Ik ben een heetwaterkreeft dus over het algemeen vind ik de voorgeprogrammeerde temperatuur veel te koud. Ook vandaag is het weer 30°C maar dat is voor mij geen beletsel om de kraan bijna op z’n heetst open te draaien. Tegen de avond (zondag) zijn we nog de enigen op het terrein en het is feest door de goedgevulde provisiekast.

Maandagochtend vroeg pikken we de route weer op, of had je verwacht dat we het nu wel zouden opgeven?.
Het is mistig, beetje benauwd, maar dit stukje asfaltroute loopt snel en al gauw zijn we in Sainte-Engrâce. Daar bekijken we een kerkje uit de 11de eeuw met in steen uitgehakte voorstellingen, eten een ijsje op het terras er tegenover en besluiten maar weer eens de alternatieve GR te volgen naar Arette la Pierre St.Martin.
Reden daarvoor is dat de mist dikker wordt en we het niet zien zitten tijdens de klim naar 1640 meter de route kwijt te raken (daar wordt voor gewaarschuwd) en er is geen vlekje blauw (water) te zien op de kaart. Natuurlijk moeten we uiteindelijk toch op die 1640 meter uit-komen, maar het gaat wat geleidelijker en deze route kruist wel een paar keer een blauw lijntje.
Tijdens de middagpauze zitten we dan ook naast een tientallen meters neerkletterende waterval en een stuk verder stoppen we naast een beek. We maken een kampvuur en koken veel drinkwater. In de nacht onweert het en zijn er flinke windstoten, maar we slapen heerlijk.

Het is 20°C als we om zeven uur opstaan en het lijkt nog heter te worden. Met een flinke klim in gedachten haasten we ons op weg.
Het wordt inderdaad steeds heter en als we rond de middag de afslag bereiken waar we volgens de kaart verder door het bos kunnen is onze energie behoorlijk gedaald. De eerste kilometer volgen we de markeringen tot we bij een schaduwrijk plekje komen voor een uit-gebreide lunchpauze. We proberen een tukje te doen, maar al heel snel word ik weer wakker omdat ik het koud krijg. Een dikke mist-bank komt opzetten, snel weg hier.
Een tijdje klimmen we verder omhoog. De markeringen worden moeilijker te ontdekken. Dit stuk wordt omgeploegd door bulldozers (een nieuwe snelweg naar de skipiste?) en heel veel bomen zijn ge-kapt. Dan is er geen enkele markering meer, maar het spoor van vernieling volgen lijkt de enige mogelijkheid, dus hijgen we verder. Plotseling is het afgelopen, we zijn verdwaald. Ik loop een stuk het bos in om te kijken of we ergens verder kunnen, maar dicht struik-gewas belemmert de doorgang. In de diepte zie ik de plek waar we hebben gerust. We kunnen hier niet verder.
Ook dit maken we steeds vaker mee. De olieslurpers banen zich gewetenloos door de laatste stukken natuur en nemen daarbij bomen, stenen en paaltjes waar een GR markering opstaat mee. Soms vind je na lang zoeken een stuk verderop het pad weer terug, maar we heb-ben geen zin om in de steeds dikker wordende mist te gaan lopen dwalen. Dat wordt het hele stuk terug en ons moreel krijgt een flinke deuk.
Als we weer op de rustplek terug zijn is de mist zo dik dat ik Bertie, die een meter of tien voor me loopt, alleen nog als een vage schaduw zie. Zwijgend stampen we verder over het asfalt terwijl gelukkig maar heel af en toe een auto langs rijdt.
Koeien in donkerbeige leren jas lopen klingelend de kruidige hellingen af te grazen. Als we er langs lopen kijken ze ons meelijdend aan, al lijkt er wel een licht satirische glimlach op hun lippen te liggen. Ogen vochtig van verdriet om hun gekke soortgenotes die bij ons soms even het hok uit mogen om in kapot gespoten weilanden, ontdaan van elke schaduwboom, te hopen dat ze de waanzin overleven.
Kippen rennen kakelend rond en vertellen elkaar ongeloofwaardige verhalen over hun zusters die met duizenden op een rijtje zitten te wachten tot het virus toeslaat. Daar verliezen ze zelf ook af en toe een dierbare vriendin of familielid door, maar ginds schijnt het een massamoord te zijn, waarbij iedereen de gaskamer in gaat.
Een stukje verder ligt een lui varken in de schaduw te knorren en lijkt daarbij niet de pest in te hebben dat ook zij ooit geslacht zal worden. Waartoe dienen deze ‘huisdieren’ anders? Een varken heb je niet voor de gezelligheid, maar als spaarvarken voor de kerst. Van ons had ze gewoon wild zwijn mogen blijven, maar misschien zou ik er anders over denken als ik hier zou leven. Er groeien erg weinig krop-jes sla, hoewel ik dan liever op dat wilde zwijn zou gaan jagen.
Dit soort ecologische gedachten kan ik thuis wel vol vuur uitdragen, hier is het ineens tastbaar, je ziet het, je voelt het in alles om je heen en je vraagt je af waarom de mens bezig blijft alles te verzieken. Dat bewijst het treurige maanlandschap als we Arette la Pierre St.Martin naderen. Kaalslag en erosie, veroorzaakt door mensen die denken dat een paar uur op de lange latten om zich vervolgens vol te vreten en drinken in de après-ski een gezonde vakantie is. Zij zien niet wat er onder de maagdelijk witte sneeuw gebeurt. Eigenlijk zouden ze eens verplicht in de zomer moeten gaan kijken naar hun favoriete skige-bied, maar deze mensen zitten dan vaak duizenden vliegkilometers verder.
Horizon vervuilende stalen constructies voor liften naar alle kanten. Smerige torenflats als hotel met bars, restaurants en een landschap dat eruit ziet alsof er een bombardement heeft plaats gevonden. Overal ligt afval, blikjes, kapotte plastic stoelen. Het ziet eruit als een oude mijn en spookstad en we vrezen het ergste.
We zijn moe, doodmoe van het constante klimmen in de hitte. Volgens een omschrijving in ‘Trekking in the Pyrenees’ door Douglas Streatfield-James …moet het mooi zijn onder een deken van sneeuw, maar somber en naar in de zomer…, dat klopt dus. Hij vervolgt …ondanks dat is het welvoorzien met faciliteiten die het een goede nachtstop maken voor wandelaars…in de erg lelijke hoog oprijzende gebouwen zijn op de begane grond, winkels en andere faciliteiten, een geldautomaat (dat komt mooi uit, want ons geld is bijna op en tot nu toe zijn we nog niets tegen gekomen), een wasserette en een toeristenbureau…
Het boekje is in 1998 uitgegeven, dus nog niet zo oud, maar volgens ons vergist de schrijver zich in het seizoen. We kunnen wel naar binnen in het gebouw, het lijkt op een overdekt winkelcentrum, en lopen door de stille lange gangen. Het is allemaal verlaten en het ziet er niet naar uit dat iets nog voor de winter opengaat. Het is vergelijk-baar met één groot consumeerpark waar een openbare verkoop heeft plaats gevonden. Helemaal achter in het gebouw is een kantoortje met een paar mensen die iets onduidelijks mompelen op mijn vraag of er ergens iets te eten is, nee alles gesloten. Gelukkig is er wel een toilet zodat we genoeg water hebben om maar weer een pakje soep aangevuld met rijst te kunnen maken.
We gaan weer naar buiten om een plekje te zoeken en uiteindelijk besluiten we maar om niet verder te zoeken omdat het allemaal even smerig is en gewoon de tent op te bouwen. We voelen een grote neerslachtigheid met dank aan alle wintersporter*s.
In deze stemming begin ik de tent uit te vouwen, als iemand boven op de berg staat te zwaaien en roepen dat we daar niet mogen kamperen. We hebben alleen nog maar zin om in de slaapzak te kruipen en negeren het, maar hij blijft aanhouden en roepen dat we omhoog moeten komen. Nu weet ik dat ergens daarboven een Refuge is en denk dat hij ons een dure kamer aan wil smeren, maar we laten de spullen liggen en gaan toch maar even naar hem toe om het uit te leggen of desnoods een stukje verderop te gaan staan als hij vervelend blijft doen.
Het blijkt inderdaad de eigenaar van de Refuge Jeandel te zijn. De andere aanwezigen, zijn vrouw en vijf mannen zitten op een bank voor het huisje. Er is een Belg bij die tolk speelt en ons duidelijk maakt dat we de tent gewoon (gratis!!) kunnen neerzetten op het grasveldje naast de Refuge. Als achterdochtige Nederlander denk je nog even dat zo’n aanbod een diepere bedoeling moet hebben, maar op mijn vraag of er wat eten te koop is voor morgen, krijgen we als antwoord dat er wel een stokbrood over is.
We klauteren het pad weer af om de spullen op te halen en met de laatste reservekracht die we eigenlijk niet meer hebben, bouwen we de tent op. Net op tijd. Boven de Pic d’Anie komen inktzwarte wolken opzetten en grote druppels vallen naar beneden. Zin om eten te maken heb ik niet veel, we willen gewoon slapen, maar we hebben ook honger. Bertie doet het voorstel binnen te gaan vragen of er wat te eten is en daar ben ik het heel erg mee eens.
Het eten voor de vijf andere gasten en de eigenaars is al klaar ge-maakt en ze staan op het punt aan tafel te gaan, maar ‘willen we misschien salade’, frites is ook geen probleem en ze duiken het keu-kentje weer in. Samen met een flesje wijn is het voor ons feest. Als we onze bemodderde bergschoenen in de gang zetten en op onze sokken de eetruimte binnengaan klinkt een ‘merci’. Er hangt een gezellige sfeer.
Aan een van de lange tafels zitten behalve de Belg, twee Fransen en twee waarvan ik vermoed dat ze heel wat Spaans bloed in zich heb-ben, ze zien er een beetje uit als Mexicaanse bandieten. Ook de eige-naar en zijn vrouw eten gelijk mee en regelmatig staat hij op om de schalen bij te vullen.
Nadat we nog een koffie hebben besteld gaan we met onze rest wijn buiten op het bankje zitten om een sjekkie te roken. We kijken naar de onweersflitsen boven de bergen en genieten van het uitzicht. Weer bezorgt deze omgeving me gevoelens van kwaadheid. Zo naar het zuiden kijkend, met het huisje achter je rug, het ongerepte van na-tuurlijke schoonheid terwijl aan de noordwest kant het monster hon-gerig ligt te wachten op de winter en vers toeristenbloed.
De vrouw komt naar buiten met de koffie. O ja, we hadden nog koffie besteld, sorry. Geen probleem en het dienblad wordt op een stoel bij ons neergezet. Nog steeds moe, maar met een heel wat beter gevoel in de hart- en maagstreek kruipen we de tent in.

Als wij nog bezig zijn met wakker worden lopen de vijf mannen de Haute Randonnée Pyrénéenne (HRP) naar de Pic d’Anie op. Als we binnen naar het toilet gaan (ik heb nooit bij iemand een leuker, gezelliger toilet gezien) krijgt Bertie een appel voor onderweg en wordt ons gezegd dat we geluk hebben, het wordt mooi weer vandaag. Wat een gastvrijheid.
Het stuk naar Lescun is volgens de beschrijving niet zo moeilijk, maar bij slecht weer wordt aangeraden te wachten omdat je heel makkelijk de markeringen kan missen. Later komen we erachter dat dit niet overdreven is. Maar mooi weer betekent hier dat het heet wordt en snel gaan we op pad.
Een tijdlang lopen we door het spookgebied, het is groter dan ik dacht, maar dan eindelijk buigt het pad af en gaat een rotsblokken bezaaide helling op. Af en toe is het even zoeken naar het wit/rood, maar het lukt.
En dan lopen we ineens boven de sneeuw. Een vreemde gewaarwor-ding. Midden zomer, bloedheet ,mijn metertje staat weer op 30 graden, en op de hellingen naast ons sneeuw. Boven komen we weer op een brede weg en lopen onder (alweer) twee skiliften door. Het steengruis glijdt weg onder mijn schoenen en regelmatig maak ik een schuiver. Gelukkig is het niet ver van de plek waar het pad weer afbuigt.
Hier staan wat bomen op de helling en we rusten in de schaduw. Er komt een groepje jongeren langs waarvan er één zijn schoenzool met een touwtje heeft vast gebonden en regelmatig stil staat omdat het los raakt[8]. Achteraan komt een jongen aansjokken die het duidelijk moeilijk heeft. Alles aan hem ziet er afgezakt uit, zijn lichaam, zijn kleding, alsof de zwaartekracht hem naar het middelpunt van de aardbol wil trekken. Zijn rugzak hangt als een baal zand aan zijn schouders en hij loopt er steeds aan te sjorren.
We zitten hoog hier, maar het pad klimt verder en ruim een uur lopen we het smalle bergpad op naar de Pas de l’Osque (1922m) waar we overheen moeten. Diepe kloven in het ruige rotsterrein, soms een diepe, donkere spleet waar we overheen stappen. Inderdaad, geen aanrader bij mist.
Dan gaat het mis. Nergens meer een markering te bekennen. Het pad lijkt verder te gaan, waarschijnlijk zijn al eerder mensen hier verkeerd gegaan, maar ons ophijsend aan bomen en uitstekende rotspunten zitten we vast op een richel die de situatie wel wat eng maken. Peilloze diepte onder ons, gieren die wachten tot we vallen naast ons, een stuk loodrechte rots voor ons.
De rotsrichel wordt steeds smaller en ik voel mijn rugzak tegen de wand botsen die me probeert naar beneden te duwen. Even een sjekkie en de situatie overzien. Terug? Ik moet er niet aan denken, naar boven was moeilijk, naar beneden lijkt onmogelijk. Op de smalle richel wurm ik me uit mijn rugzak en klauter een stukje opzij. Dan zie ik, onbereikbaar een wit/rood markering op een rotswand. Geen idee hoe we daar hadden moeten komen. Ik klim nog een stukje hoger en ben op de top. Aan de andere zijde gaat het een stuk steil naar beneden, maar zes meter lager ligt weer het pad. Heel smal, dat wel, maar het moet lukken.
Ik ga terug en leg de situatie uit. We besluiten het te proberen, beter dan die steile wand terug. Het stukje naar boven is wel echt handen en voetenwerk, maar ondanks evenwicht verstorende rugzakken van 15 kilo lukt het. Als we boven op de kam zitten bedenk ik me dat ik de rugzakken ook had kunnen ophijsen. Dat wordt wel de oplossing voor het naar beneden gaan.
Eerst klim ik zonder rugzak naar beneden, dat gaat een stuk beter en met mijn reddingslijn (die is toch wel vaak van pas gekomen) laten we de rugzakken zakken. Als we weer op het veilige, 50 centimeter brede, bergpad staan moeten er even wat zweetdruppeltjes (angst, inspanning?) afgeveegd worden en ik loop een stukje terug.
Vanaf hier staat het goed aangegeven en zie ik wat er verkeerd is gegaan. Wel een hele klauterpartij, maar een stuk eenvoudiger dan wat wij hebben gedaan. Nou ja, de gieren hebben weer pech.
Een stuk dalend komen we al snel op een vlakte waar de markeringen erg slecht zijn, maar ‘steenmannetjes’ wijzen de weg. Af en toe leg-gen we er een nieuwe steen bij. Sinds we vorig jaar in de Alpen ‘ge-red’ zijn door deze cairns lachen we niet meer om dit gebruik de berggoden gunstig te stemmen.
Van oorsprong zijn cairns een uit stenen opgeworpen grafheuvel uit de prehistorie, waar ze misschien ook wel als baken gebruikt werden. In de Himalaja staan geen wit/rood markeringen maar wel steenmannetjes en dit gebruik is overgewaaid naar de lange afstand paden, al vind ik een stok met een reep plastic een vreemd windge-bed en een frisdrankblikje wat iemand weer teveel vond om mee te dragen een beledigend offer. Ik prop het in mijn zak om het later in een afvalbak te gooien. Natuurlijk kan ik dat niet doen met alle troep die ik tegenkom, maar als iedereen nou iets meeneemt…
Er volgt weer een klim naar de Pas d’Azuns (1873m) waar we even stoppen. Een schitterend uitzicht is onze beloning. Een enorm dal met aan de overkant de Pic d’Anie. Volgens een beschrijving ligt diep beneden ons een kleine schaapherderhut en na enig zoeken zien we die ook. Door het begroeide dak gaat het bijna op in het land-schap. Op de HRP vanaf de Pic d’Anie heel ver aan de overkant zie ik vijf kleine figuurtjes. Aan de kleding van één van hen herken ik de vijf van de Refuge. Bij de hut staan ze even stil en verdwijnen dan tussen de rotsen.
Ook onze GR10 gaat naar beneden, zakt naar 1698 meter en korte tijd later staan we bij de gammele hut met de mooie naam: Cabane du Cap de la Baitch. De oude man vraagt of we schapenkaas willen hebben en hangt intussen een bordje, met de al jaren geleden geschil-derde tekst ‘Fromage’, aan een roestige spijker in de muur.
We kopen een stukje na verschillende soorten verplicht proeven en onze keus wordt als de juiste bevestigt met het klassieke gebaar, een kus op de toppen van zijn vingers die aan de ruimte wordt vrij gege-ven en de mededeling dat het heerlijk is bij een glas wijn. Wij moe-ten het even doen met het heerlijk frisse beekwater wat langs zijn Cabane stroomt en als we daar een stukje verderop nog steeds langs lopen lijkt het ons een geweldige stopplek, ook omdat er weer mist komt opzetten.

We blijven hier een dag. Hierna gaan we eerst naar Lescun en dan via de Tour de la Vallée d’Aspe naar Bédous. Vandaar kunnen we makkelijk met de bus de Pyreneeën weer uit, de volgende mogelijk-heid is een heel stuk verder in Gourette en dat halen we deze keer niet meer. Dus hebben we tijd zat om even rustig rond te kijken.
In het oosten een dal met in de verte een hele hoge sneeuwberg. Dat moet de Pic Permayon (2344m) zijn. Het dal ligt constant bedekt met een mistdeken waaronder ergens Lescun moet liggen. In het noorden een bergkam van zo’n 2000 meter en in het zuiden de helling van de Pic d’Anie.
Regelmatig wordt de mist, als in de bruisende kookpot van een to-verheks, tussen deze hellingen gestuwd. Eerst langs de randen, slui-pend trekt het langs ons heen. Dan, als we gevangen zitten in een ring van mist, sluit de cirkel zich en kunnen we niet verder kijken dan een meter of tien. Plotseling komt vanuit het westen over de Pic du Soumcouy een stuk felblauw aanzetten, met vurige zonnetongen die al het grijs weer terug duwen het dal in en zitten we in de hete zon. Dat gaat de hele dag zo door.
Ook in het zuiden, maar dan heel dichtbij worstelt een scarabee met een kaaskorstje. Er zitten ontzettend veel van die nuttige diertjes hier, vanmorgen werd mijn drol weggedragen voordat hij goed en wel op de grond lag (nou ja, bijna). Ook de rest van de dag breng ik door met filosofische bewustwording en weet dat zolang er zoveel moge-lijk gifvrije stront uit mij komt er van die leuke beestjes zullen be-staan.

Er hangt een zware mist die we proberen te verdrijven door uit te slapen, maar we ontkomen er niet aan. Vandaag moeten we naar Lescun. Tot aan de Refuge de Labérouat zien we geen hand voor ogen, maar het pad is goed gemarkeerd.
Van de refuge tot aan Lescun volgt de GR grotendeels een verharde weg met af een toe afsnijden van een bocht. Door de mist en/of de slechte markering gaat het op het eerste stuk al mis en we volgen verder de weg. Vlak voor Lescun is een veldje waar we de tent opzet-ten en lopen met een lege rugzak naar het dorp om eten te kopen.
Lescun is een leuk klein plaatsje met kronkelende straatjes en oude stenen huisjes. Er is een kleine winkel en we keren weer dolgelukkig terug met ons standaard feestpakket.

Ik geloof dat ik deze reis nog niet zo slecht geslapen heb als de afge-lopen nacht. Er was een zwaar onweer en het ging maar niet regenen, alleen mist. Schapen die in veiligheid werden gebracht en luid klingelend langs liepen. Toen ik besloot een sjekkie te roken en naar het onweer te gaan kijken ging het regenen en hield het onweer op. Eindelijk viel ik in slaap.
Van Bertie hoor ik een gelijksoortig verhaal als we de tent afbreken en niet al te fit onze veters vastknopen. We klimmen terug naar de refuge en er is geen mistflard meer te bekennen, integendeel de zon brandt en het is bloedheet.
Als we eindelijk, uitgeput bijna bij de refuge zijn en ik op de kaart kijk dringt de verschrikkelijke waarheid tot me door. Hoe kan ik nou steeds in gedachten hebben gehad dat we daarheen terug moesten? De afslag naar het pad was ongeveer halverwege Lescun en hier. Maar daar heb ik helemaal geen pad gezien. Dat wordt even een kwartiertje goed balen, temeer omdat hier nergens een beetje scha-duw is. Weer lopen we een stukje terug en vinden een veldje waar we een poosje slapen.
Maar we moeten terug, waarschijnlijk ligt die afslag ergens langs een stuk waar de GR een bocht in de weg afsnijdt. Dan vinden we een paar wit/rood markeringen en zijn die een stuk verder weer volkomen zoek. Een paar keer zitten we vast tussen de struiken en varens. Dit wordt puin. De 1:50.000 kaart is te grof om te zien waar we zitten of waar we heen moeten. We gaan terug naar de weg en naar Lescun waar we gulzig ons opgelopen vochtverlies aanvullen.
We besluiten naar Borce/Etsaut te gaan. Eigenlijk hebben we het wel gehad voor vandaag. Maar het idee weer op hetzelfde veld te slapen als waar we vanmorgen vertrokken lokt niet erg en na wachten tot de winkel opengaat en waterzak vullen strompelen we nog een stuk verder. Als we het dorp uitlopen volgt al snel een rotsblokkenklim die steil omhoog gaat. Boven ligt een camping, zo’n moderne met slagboom en keurig uitgemeten plekjes en verder ook alles erop en eraan. Zullen we? Is het nou echt niet mogelijk nog een kilometertje te lopen? Daar zie ik op de kaart een beek. Kom op, dat moet lukken.
Het lukt, maar pas tegen dat de zon achter de bergen zakt lukt het om iets te eten te maken, omdat er morgen wel weer wat energie voorradig moet zijn.

Het is puinhoop met die energie. We hebben onszelf bij aanvang van deze reis op een rantsoen gezet wat roken betreft. Roken we ‘normaal’ samen drie pakjes shag per week nu is dat één pakje, dus daaraan kan het niet liggen. De hitte telt zeker mee al proberen we dat te ondervangen door vroeg te gaan lopen en in de middag grote rustpauzes te nemen. Het tekort aan water, dat zou wel eens een boosdoener kunnen zijn[9].
We lopen op hoogtes tussen 1000 en 2000 meter, regelmatig is het rond 30°C en we klauteren wat af. Opgeteld zou je dus zo’n zes liter water per persoon per dag moeten drinken. Wij sjouwen voor ons samen één á twee liter mee, meer gaat echt niet. De middagstop pro-beren we bij een beek te houden zodat we weer water kunnen koken, maar we hebben dan ook trek in een kop koffie. Ik heb ooit ergens gelezen dat cafeïne ervoor zorgt dat je lichaam nog meer water nodig heeft (Cola is dan ook slecht om je dorst te lessen, je blijft het drin-ken en dat wil de Cocaboer). Dat naast elkaar bezien kan dat wel het probleem zijn waar vooral Bertie last van krijgt.
Nadat we een stuk hebben gelopen door een bosrijke omgeving en bij Plateau de Lhers een hete bergweg volgen komen we bij een plek die gebruikt wordt door dagwandelaars. Een grasveld met (onbezette) picknicktafel en een beek. Bertie ligt een tijdje met haar hoofd op haar armen voorover op de tafel. We eten wat, drinken koffie(!) en realiseren ons dat het niet goed gaat.
Na een tijdje klimmen we een stukje een steile helling op, het gaat hier over korte afstand van 1000 naar 1600 meter. Het is gloeiend heet. We stoppen bij een minuscuul waterstroompje en dito vlak stukje voor de tent. Een paar bomen en een klein betonnen waterreservoir zorgen ervoor dat we net niet verbranden. Als ik de tent induik omdat ik gek word van de vele (steek)vliegen en even rustig een tukje wil doen, voelt het aan als een sauna en badend in het zweet word ik weer wakker.
Ik kook veel water, het heeft in de zakken in de zon gelegen en is al zo heet (een graad of 50 schat ik) dat het snel kookt en ik zet de pan in het beekje om wat af te koelen. Het blijft lauw.
Eindelijk schuiven er weer bergtoppen voor de zon en samen met de vele liters water die we hebben gedronken voelen we ons een stuk beter.
Een meter of tien bij ons vandaan staat lange tijd een hondje naar ons te keffen. Negeren helpt niet en we proberen het te lokken. Meter voor meter op zijn buik, staart tussen de poten (die moet al veel schoppen te verduren hebben gehad), schuifelt het naar ons toe. Als het merkt dat wij niet gevaarlijk zijn gaat het naast Bertie liggen en laat zich een tijdje aaien. Dan verdwijnt het om ons verder niet meer lastig te vallen. We slapen scheef, maar redelijk goed.

Verder met de klim. Het pad zigzagt steil de Col de Barrancq op en put ons alweer volledig uit. Boven is het koud met veel wind en onze lunchpauze duurt daarom ook te kort. Nu gaat het steil naar beneden want Borce ligt op een hoogte van 650 meter.
In de buurt van de ruïne van Cabane d’Udapet rusten we weer even, maar voedsel behoefte doet ons weer verder gaan. Het is een stevige daling en over de toppen van onze grenzen lopen we Borce binnen. Geen enkele voorziening en Bertie krijgt weer een flinke inzinking. Mijn prikkelbaarheid is ook niet bevorderlijk voor een positieve inbreng, maar ik weet dat we gewoon ‘iets’ moeten bedenken.
Aan de andere kant van de kloof ligt Etsaut waar een winkel zou moeten zijn. Het is al laat, maar misschien hebben we geluk. Anders moeten we maar een slaapplek zien te vinden, onze noodvoorraad (soep met rijst) aanspreken en morgen verder zien.
Als we de brug over de Aspe overgaan lopen we een paar meter ver-der onder een spoorbrug door. Dit blijkt de sinds 1970 stilgelegde verbinding van Pau naar Zaragoza (Spanje) te zijn. In 1920 aange-legd met een tunnel dwars door de Pyreneeën en in februari 1939, aan het eind van de Spaanse burgeroorlog ontkwamen treinladingen vol vluchtende republikeinen over deze rails naar een opvangkamp bij Oloron. Jammer dat dit stuk geschiedenis staat te verroesten.
We gaan het spoortalud op en vinden een plekje. Snel alles onder een stuk plastic en een paar honderd meter verderop Etsaut binnen. Voor een deel hebben we geluk. Net voor het winkeltje sluit kunnen we wat eten inslaan (zelfs een flesje wijn), alleen onze shag is op (nog een beetje kruim) en die hebben ze hier niet. We weigeren de veel te dure sigaretten te kopen en gaan terug naar ‘onze’ camping.
Na het eten, met een bekertje wijn en een laatste gezamenlijk sjekkie, filosoferen we over de (on)mogelijkheden. Verder de GR volgen gaat niet. Als we dit ooit willen zal het anders moeten. Nadenken over voedzamer eten wat we mee kunnen dragen, een oplossing zoeken voor het waterprobleem, trouwens halen we het volgende dorp waar een verbinding is met de ‘buitenwereld’ in de paar dagen die ons resten niet meer.
Een leuk alternatief lijkt nog even de oude spoorbaan te volgen naar Bédous. Een sterke zaklantaarn voor in de tunnels moeten ze in het dorp wel hebben. Omdat Bertie sinds die picknickplaats soms koorts en een flinke hoofdpijn heeft laten we dit idee ook varen en besluiten morgenochtend met de bus naar Oloron te gaan. We hebben nu echt dringend wat geld nodig en vandaar kunnen we de trein terug nemen naar Bayonne.

Bij het oude stationnetje dat bescheten wordt verbouwd met veel beton (‘NON AU BETON’ staat een stukje verderop met zwarte verf op een elektriciteitshuisje geschilderd) en halogeen verlichting, wachten we op de bus. Bijna rijdt die voorbij (zeker niet verwacht dat hier iemand staat) en ziet nog net mijn gezwaai. Als we naar Oloron rijden betrap ik me erop verlangend naar de oude spoorbaan te kijken die ik steeds weer zie opduiken langs de hellingen en door de dorp-jes. Ik weet dat het even genoeg is geweest. We hebben heel veel moois gezien en beleefd, maar er zit teveel tegen.
Als we aankomen op het station van Oloron blijkt de staking nog steeds voort te duren en staat een man de roepen dat er een bus klaarstaat naar Pau. We springen er maar in en het berooft ons van de laatste Euro’s.
In Pau gaat wel een trein naar Bayonne, maar pas veel later en dat is maar goed ook want we moeten op geldautomatenjacht. Bertie blijft achter op een bank in een park tegenover het station met de rugzakken, het gaat echt niet goed met haar.
Eerst loop ik de verkeerde kant op (er staat zelfs geen bordje hoe je in het centrum komt), veel kantoren, een casino en nog veel meer onzin, maar geen bank of winkel. Ik kom pas achter mijn vergissing als ik bijna Pau uitloop. Terug dus in de hete zon. Bertie ziet mij weer aan de andere kant van het park voorbij gaan. Dan ga ik de andere kant op en blijk meer geluk te hebben. Na een paar kilometer en wat gezoek vind ik eindelijk een winkelstraat en, voorzien van wat nieuwe Euro’s en een notenbrood, ga ik naar het station terug.
In Bayonne willen we niet voor een tweede keer op het rangeerterrein slapen en als we een bushokje opzoeken met een lijnenkaart zien we dat er een bus rijdt naar een camping aan de kust. Weliswaar moeten we dan om zes uur opstaan om de trein te halen (we hebben al besloten om een paar dagen eerder naar huis terug te gaan), maar we kunnen dan ook nog even douchen om fris de treinreis te beginnen.
De buschauffeur is er één van een bijna uitgestorven ras, namelijk aardig, vriendelijk en zeer behulpzaam. Geduldig legt hij me in drie talen (Frans, Engels en Spaans door elkaar) uit dat ik het gekochte kaartje af moet stempelen en als we na een uur rijden uit willen stap-pen omdat we denken er te zijn legt hij uit dat we dan over een heu-vel moeten klimmen en beter nog een halte verder mee kunnen. Daar tekent hij nauwgezet een route die we moeten lopen om op de cam-ping te komen. Blijkbaar zijn de passagiers van hetzelfde ras want niemand protesteert over de paar minuten die dit in beslag neemt.
Aangekomen slaat de schrik ons om het hart. Propvol campers, cara-vans, bungalowtenten, surfplanken, luidruchtige mensen, loltrappers en een keurig genummerde graspol waar we ons tentje neer mogen zetten voor máár achttien Euro voor één nacht.
De hevig verlangde douche is net aan warm en bevind zich in een hokje waarin ik me met ingehouden adem net kan omdraaien. Dikke-re mensen hebben hier pech, die kunnen niet douchen of komen klem te zitten of hebben ze ook een speciale overgewicht douche?
Door het lawaai de hele nacht slapen we weer miserabel, het rangeer-terrein was beter geweest.

Met de bus terug naar het station rijden we een halte te ver mee, moeten een stuk terug lopen en net op tijd springen we op de TGV naar Parijs. Er zijn vrije plaatsen genoeg en de plek die we uitgezocht hebben blijkt niet besproken te zijn want we kunnen daar tot Parijs blijven zitten.
Dan gaat het natuurlijk weer eens mis. Het is me wel bekend dat je het kaartje van de Thalys alleen kunt gebruiken op de besproken dag, maar ziek als Bertie toch wel is moet daar een uitzondering voor zijn. Voor de zekerheid vraag ik het aan de steward die bij de deuropening staat om de plaatsen aan te wijzen. Geen probleem, lege plaatsen genoeg. Opgelucht gaan we zitten en weer worden we niet gestoord wegens een besproken plek.
Dan komt de controle. Een Belgische conductrice weigert haar hand over haar hart (waarschijnlijk kon ze dat niet vinden) te strijken en zegt dat we een nieuw (duur) kaartje moeten kopen. We hebben ge-woon geen 170 Euro meer om dat te betalen (de €60 van het andere kaartje zijn we gewoon kwijt, dat is volgens haar niet geldig) en ze haalt er een Nederlandse conducteur bij. Ik zie aan zijn ogen dat die wel een hart heeft, maar in haar aanwezigheid niet anders durft be-slissen. Zij zal wel een streepje meer hebben.
We moeten een kaartje kopen tot Brussel (dat hebben we nog net en later vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als we ook daarvoor geen geld genoeg meer hadden, word je dan uit de rijdende Thalys gegooid) en daar verder met een ‘gewone’ trein. We gaan nooit meer met de Thalys, desnoods maar een omweg.
Het is al avond als we in Brussel staan. Er is gelukkig een grenswis-selkantoor waar we geld kunnen opnemen voor een kaartje en de trein naar Rotterdam nog halen en vol van tegengestelde emoties thuis aankomen. Kortom lopen is pure ellende. Met de kerst maar een camping in Bayonne bespreken voor volgend jaar en me opgeven bij een fitnessclub voor de broodnodige beweging. Voor de rest kijken we dan wel natuurfilms op tv.
Nee hoor, het moet anders dat wel. Meer rekening houden met onze leeftijd, de longproblemen van Bertie, het gewicht van onze rugzakken, maar we weten allebei:
Lopend leren leven
is leven beleven

[bewerken] Wordt vervolgd

Omhelzing.jpg

(Hiervoor en hierna volgen nog andere reisverhalen, die ben ik aan het bewerken.)

[bewerken] Voetnoten

  1. Die kaarten waren in schaal 1:50.000 wat meestal wel voldoende is, zeker als je op gemarkeerde paden loopt. Later ben ik 1:25.000 kaarten gaan gebruiken en ondanks het grotere gewicht was ik daar soms heel blij om. Vooral in een 'moeilijk' gebied waar je afhankelijk bent van elk waterpoeltje is het een voordeel ook omdat in die gebieden de markering nogal eens ontbreekt.
  2. Maandblad over wandelen
  3. Zeven is een leven tussen droom en werkelijkheid
  4. Een paar maanden later zou ik erachter komen wat de 'boodschap' betekende en waarom ik een giropas op zak had met het nummer 711K711 (ik heb 'm bewaard). Sinds mijn onderbewustzijn mij dwong tot het schrijven van het eerder genoemde boek weet ik dat toeval alleen in de juiste betekenis moet worden opgevat. Het valt je toe, ook als je opzij probeert te springen
  5. Zie voetnoot 4.
  6. …Op een lage pas staat een kleine cairn, bekroond met stokken en lappen, aan de oostzijde is een opening voor offers: de repen stof of windgebeden brengen geluk aan diegenen die de pas voor het eerst overgaan. Misschien omdat wij de cairn negeren, begroeten de berggoden ons met een hagelbui …We wachten. Tukten (een Sherpadrager) die een uur op ons achter is, maar een goed half uur voor op de rest, wordt voor zijn moeite uitgefoeterd door GS (expeditieleider) als vertegenwoordiger van het loden-voeten-dragersras. Langzaam zet hij de last (naast zijn eigen voedsel en dekens zo’n 40 kilo) neer die hij 600 meter de berg heeft opgesjouwd, terwijl hij GS aankijkt op dezelfde gelijkmoedige manier waarmee hij alles bekijkt: dan dankt voor zijn aankomst op de pas met het plaatsen van een kleine steen op de cairn… (Uit: ‘De sneeuwluipaard’ door Peter Matthiessen)
  7. Kosmos; in de Griekse filosofie de opvatting van de wereld als een schoon en geordend geheel, waarin de mens in harmonie dient te leven.
  8. Een stuk brede textieltape is een uitkomst voor zo'n geval.
  9. Later lees ik een stukje in de Bever catalogus. Gemiddeld verlies je ’s nachts een halve liter vocht, overdag drie tot vijf liter bij inspanning en hoge temperatuur, voor elke 1000 meter hoogte heb je nog eens minstens een liter extra nodig. Twee procent vochtverlies betekent twintig procent functieverlies.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen