Sociale geschiedenis van de vroege Middeleeuwen/Gezin

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

11. Gezin

Parentele[bewerken]

De Romeinse familie bestond uit grootouders, ouders en kinderen. De Frankische familie daarentegen bevatte ook ooms en tantes, neven en nichten, weduwen en wezen, geadopteerde kinderen, vazallen, slaven en slavinnen.

Men moest ergens bijhoren en omdat er geen algemeen belang meer was, kwamen er deze uitgebreide gezinnen, de parenteles onder de leiding van een man. De parentele kan als een clan of een substam gezien worden. Het wordt ook wel de patriarchale familie genoemd. De voordelen om lid te zijn van een parentele waren:

  • Er waren altijd gewapende mannen ter bescherming.
  • Een arme die een grote boete moest betalen voor een misdrijf, kon terugvallen op zijn parentele want financiële solidariteit was verplicht.
  • Er waren veel regels die de erfenis regelden.
  • Men bezat de grond gezamelijk.[1]

De leden van de parentele leefden soms met tientallen tegelijk in grote huizen, opgebouwd rond een houten constructie, met een dak van stro en vaak met lemen muren. Ze sliepen met zijn allen, naakt en door elkaar heen.

De parentele beschermde haar leden en zij waren er afhankelijk van. Het Salische recht stelde dat als iemand zijn parentele wilde verlaten, hij voor de rechter vier Elzentakken boven zijn hoofd moest breken en de stukken in de vier hoeken van de rechtszaal moest gooien. Vervolgens moest hij onder ede verklaren dat hij afzag van iedere bescherming en van zijn rechten op opvolging en erfenis alsmede van de genoegdoening (weergeld) die betaald werd als een van zijn familieleden werd vermoord. Als hij zelf stierf of gedood werd, dan zou de erfenis of het weergeld naar de fiscus gaan.[2]

In de Karolingische tijd probeerde de kerk om de parentele terug te dringen en begon zij het kerngezin te propageren, bestaande uit ouders, kinderen en desnoods grootouders.

Man[bewerken]

Het hoofd van de parentele (de patriarch) zou een nakomeling zijn van een oud en aanzienlijk geslacht. Hij beschikte over zijn kinderen (mundium of mund) en zorgde ervoor dat "het bloed zuiver bleef", met andere woorden: dat duidelijk was dat de kinderen van de wettige echtgenoten waren en dat er zo veel mogelijk binnen de parentele getrouwd werd zodat de erfenissen binnen de parentele bleven.

Vrouw[bewerken]

Om de maatschappij te laten overleven bij een geweldige kindersterfte en veel ziektes, waren er veel kinderen en veel vrouwen nodig. De vrouw werd echter doorgaans als niet veel meer dan een instrument voor de voortplanting gezien. Een vrouw bleef altijd minderjarig en de enkele keer dat een adellijke vrouw het huis mocht verlaten, moest zij gesluierd zijn.

Huwelijk[bewerken]

Kinderen trouwden meestal als ze rond de twaalf jaar waren. De ouders arrangeerden dit huwelijk en daar werden noch de jongen noch het meisje bij geraadpleegd. Officieel was het al vanaf 614 verboden om een vrouw uit te huwelijken tegen haar wil, maar in de praktijk werd er gewoon van haar verwacht dat ze instemde, evenals van de man.

Zowel in het Salische als in het Bourgondische recht moest een jongen die zich ging verloven, aan de vader van het meisje in een openbare ceremonie een kleine som gelds betalen om daarmee symbolisch de ouderlijke macht (mund) over het meisje af te kopen.[3]

  • Als de jongen een andere vrouw trouwde dan zijn verloofde, kreeg hij een (fikse) boete van 62,5 schelling.
  • Als het meisje het gearrangeerde huwelijk weigerde, volgde er een groot schandaal en meestal moest zij toegeven.
  • Als het meisje in het geheim trouwde met een man van haar eigen keuze, dan zag men dat als overspel en werd ze vanaf dat moment voorgoed als onzedig beschouwd. Het huwelijk werd ongeldig verklaard en het meisje kon de doodstraf krijgen.
  • Een man die in het geheim met een meisje trouwde van zijn eigen keuze, betaalde de ouders van dat meisje twee of drie maal de huwelijksprijs (mund). Verder moest hij een forse boete aan zijn eigen vader betalen en een boete aan de fiscus. Maar dit huwelijk was niet ongedaan te maken, omdat de man het initiatief had genomen.

Huwelijksceremonie[bewerken]

De verloving werd zowel door de Franken als de Bourgondiërs als gelijkwaardig aan het huwelijk gezien. De verlovingsceremonie was doorgaans zelfs mooier dan die van het huwelijk. Er konden na de verloving nog een tot twee jaar voorbijgaan vóór het huwelijk werd gesloten.

Bij de huwelijksceremonie was er een groot banket met drank, gezang en obscene grappen (om de vruchtbaarheid te bevorderen). Het meisje kreeg een geschenk (de bruidschat): huisdieren, kleding, sieraden, edelstenen, munten, een kist, een bed met beddegoed, gereedschap, pantoffels (een oud Gallisch gebruik[4]) en een gouden ring (een Romeinse traditie[5]). Tot slot kusten de verloofden elkaar op de mond. Bij de Gallo-Romeinen bracht het bezoek daarna het paar naar hun huis en legde ze samen in het huwelijksbed. Na de huwelijksnacht gaf de jonge man (zowel bij de Franken als bij de Bourgondiërs) zijn vrouw de morgengave, als hij haar tenminste maagdelijk had bevonden, want dat garandeerde hem dat de kinderen die er kwamen van hem waren.

Als de vrouw niet maagdelijk was gebleken, was het huwelijk niet geldig. Een vrouw kon alleen bescherming krijgen als ze maagdelijk was, want dan was het zeker dat het nageslacht van haar echtgenoot was en konden zijn kinderen van hem erven. Dat de erfopvolging duidelijk was, werd als belangrijker beschouwd dan het huwelijk zelf.

Er waren veel maatregelen om echtscheiding tegen te gaan en tegen mensen die weigerden het gearrangeerde huwelijk te voltrekken. Tweede en derde huwelijke waren zeer gangbaar (vanwege de hoge sterfte, vooral onder vrouwen) maar niet zeer geacht. Een vrouw die al getrouwd was geweest kreeg uiteraard geen morgengave.

Hiërarchie[bewerken]

Voortplanting was voor de Franken heel belangrijk. Het doden van een jonge, vrije vrouw die vruchtbaar was, werd beboet met 600 schelling. Na haar menopauze en voor haar eerste menstruatie bedroeg de boete maar 200 schelling. Het doden van een zwangere vrije vrouw kostte 700 schelling. Aan het einde van de zesde eeuw kostte het doden van een zwangere vrouw 600 schelling en 600 schelling extra als het verwachte kind een jongetje zou zijn geweest en 200 schelling extra als het verwachte kind een meisje zou zijn geweest.

Er was dus een hiërarchie:

  • Een jong meisje (voor haar eerste menstruatie) en een oudere vrouw (na haar menopauze) waren 200 schelling 'waard'.
  • Een jongetje was 600 schelling 'waard'.
  • Een zwangere vrouw was 600-700 schelling 'waard'.

Kinderen[bewerken]

Kinderen hoorden niet op zon- en feestdagen te worden verwekt.[6] Mismaakte kinderen werden vaak gedood door de moeder of aan zwervers meegegeven die 'het monster' aan het volk toonden voor geld. Er werden ook veel kinderen te vondeling gelegd.[7] Meestal werd de (nog bebloede) baby op de drempel van de kerk gelegd. De priester maakte de vondst vanaf de kansel bekend en als niemand het kind opeiste, mocht de vinder het houden om het op te voeden en tot zijn slaaf te maken. Rijke vinders gaven het aan een voedster en arme vinders zorgden ervoor dat het drie jaar lang de borst kreeg. Ondanks alles was men gehecht aan kinderen.

In een oorlog waren vrouwen en kinderen kostbare "goederen" (zie 'hiërarchie', hierboven). Als er een stad was veroverd, werden alle mannen (iedereen die staande tegen een muur kon plassen) over de kling gejaagd. Vruchtbare vrouwen, zuigelingen en vooral jongetjes onder de drie jaar werden als slaven weggevoerd.

Veel ouders schonken een of meer van hun kinderen aan het klooster. Zij schonken daarmee datgene wat hen het liefst was aan God (hoewel er ook veel kinderen naar het klooster werden gestuurd om de erfenis niet over teveel kinderen te hoeven verdelen). Veel kloosters waren zodoende veranderd in opvanghuizen die vol zaten met deze 'schenkelingen'.[8] De heidenen hadden in vroegere tijden de gewoonte gehad om kinderen te adopteren en dat was nu in de kloosters een christelijke waarde geworden. Als deze schenkelingen meerderjarig waren geworden, konden ze kiezen of ze al dan niet een gelofte aflegden (monnik werden). Tot die tijd kregen ze een opvoeding die sterk afweek van de 'gewone' opvoeding buiten het klooster. In de gewone families werden alleen de zeer kleine kinderen gekoesterd (althans in de Karolingische tijd).[9] De wat oudere kinderen werden met de stok gedrild. De jongens werden opgevoed tot agressiviteit, tot haatdragendheid en tot verlangen naar vrouwelijk schoon. De meisjes werden opgevoed tot onderdanigheid.

In de kloosters echter hield men rekening met de gevoelens van het kind. De kinderen waren weliswaar volgzaam bij het onderricht door de meester, maar ze mochten zeggen wat ze dachten. Maar als het kind puber werd, wisten de monniken ook niet meer wat ze moesten doen en grepen ze alsnog naar de stok.

Kinderen en de vrouwen vormden de grootste groep in de samenleving, waarschijnlijk 3/4 van de bevolking. Er waren veel meer kinderen dan volwassenen.

Ouderen[bewerken]

Gezien de demografie[10] waren er weinig ouderen, in de Merovingische tijd zelfs nauwelijks. Ze hadden geen nut, behalve als ze seniores waren: oudere hoofden van parenteles, stamhoofden of adellijken.

Brunhilde was bijna 80 geworden, hetgeen werd toegeschreven aan duivelse kunsten zodat men tegen haar de doodstraf eiste. Karel de Grote werd 72 hetgeen werd toegeschreven aan de Goddelijke genade.

Een grijsaard diende zich te gedragen als een gerijpt iemand die echter nog steeds over zijn krachten kon beschikken. Als dat niet meer het geval was, kon hij of zij een schenking doen aan een klooster in ruil voor verzorging. Er werd dan een contract opgemaakt dat nauwkeurig beschreef hoeveel brood, wijn, bier en kleding hij of zij zou ontvangen.[11]

Weduwen en weduwnaren[bewerken]

Weduwnaren waren in de Merovingische tijd vrijwel onbekend want er was veel onderling geweld en er waren veel oorlogen. De mannen stierven meestal voor de vrouwen en er waren dus wel veel weduwen. De Germanen probeerden te verhinderen dat de weduwen zouden hertrouwen, want ze vonden dat deze vrouwen een gevaarlijke seksuele hartstocht hadden. Om echter die hertrouw te kunnen verhinderen, moesten ze de weduwen financieel onafhankelijk maken. Daarom mocht de weduwe haar bruidschat en de morgengave houden. Kinderen die van de weduwe erfden door te gaan trouwen, kregen onder het Bourgondische recht slechts 2/3 van haar bezittingen om te verhinderen dat zij arm zou worden, want dan zou zij mogelijk willen hertrouwen. De weduwe kon dus machtig en gerespecteerd worden maar nooit helemaal vrij. Als zij ongetrouwd bleef, keerde ze terug onder de hoede van haar familie of parentele. Als zij hertrouwde, dan viel zij onder het mundium van haar nieuwe echtgenoot. Deze moest aan de parentele van de vrouw drie gouden schellingen betalen: het 'goud van de rijpheid' (reipus).

Slaven[bewerken]

De slaaf werd gezien als een lid van de familie. Hij sliep en at met de familie. Als hij iets stal, kon hij gemarteld worden, de doostraf krijgen of gecastreerd worden, een straf die meestal werd omgezet in (120 tot 150) zweepslagen.

Echtscheiding[bewerken]

Een verloving mocht bij de Franken niet verbroken worden op straffe van 62,5 schelling boete. Het Bourgondische en Romeinse recht stonden echtscheiding toe, hoewel die meestal nadelig voor de vrouw was.

Een Frankische man kon zijn vrouw verstoten als ze:

  • overspel had gepleegd
  • abortus had gepleegd of zich met behulp van een drankje onvruchtbaar had gemaakt of dit geprobeerd had
  • grafschennis had gepleegd

Als een Frankische vrouw het waagde om haar man te verstoten, dan werd ze gewurgd en in een moeras gegooid, want een dergelijke vrouw moest wel overspel hebben gepleegd, was de redenatie.

De Gallo-Romeinse man kon zijn vrouw verstoten als ze:

  • overspel had gepleegd
  • een gifmengster had bezocht
  • een koppelaarster had bezocht.

De Gallo-Romeinse vrouw kon haar man verstoten als hij:

  • doodslag had gepleegd
  • grafschennis had gepleegd.

De Gallo-Romeinen konden scheiden als beide partners het daarover eens waren, zelfs als het initiatief van de vrouw kwam. Scheiding en hertrouw waren bij de Gallo-Romeinen in de Merovingische tijd tamelijk gebruikelijk tot ongeveer 732. De kerk legde zich daar (tandenknarsend) bij neer.

Bij de Romeinen waren man en vrouw nog enigszins voor de wet gelijk geweest maar de Germanen bevoordeelden de man zeer sterk. Maar noch de Romeinen, noch de Germanen maakten zich druk om eventueel overspel van de man.

Kerk en echtscheiding[bewerken]

Tot in de achtste eeuw was de kerk mild als het om bepaalde gevallen van echtscheiding ging want achter de echtelijke onenigheid kon zich van alles verbergen:

  • De vrouw werd mishandeld
  • De vrouw had een religieuze roeping
  • De vrouw was onvruchtbaar
  • De man was impotent
  • Een van de twee was heiden
  • Een van de twee had lepra
  • Een van de twee was overspelig

Maar de kerk zou in de eerste helft van de negende eeuw gaan proberen een volledig verbod op echtscheiding door te drukken. Dat lukte haar echter niet zonder slag of stoot.

Oude rechten van de adel[bewerken]

De Germaanse edelman had van oudsher diverse rechten die hij niet wilde opgeven:

1. Vrouwen verstoten[bewerken]

De Germaanse adellijke mocht van oudsher zijn vrouw verstoten. Dat deed hij voornamelijk als zij onvruchtbaar was gebleken, of twistziek was, of zijn politieke aspiraties in de weg stond. Toen de kerk haar verbod op echtscheiding wilde doordrukken, lieten sommige adellijken de vrouw die zij eigenlijk wilden verstoten, vermoorden, bijvoorbeeld door haar naar de keuken te sturen, waar de slager haar keel doorsneed. Deze handelswijze noemde men wel "de Karolingische echtscheiding". De familie van de vrouw kreeg dan het weergeld dat voor de moord was vastgesteld (200 - 600 schelling). Dan was de man weduwnaar en kon hij hertrouwen met toestemming van de kerk.

2. Polygamie[bewerken]

De Germaanse adellijke mocht van oudsher met meerdere vrouwen leven (polygamie).[12]

  1. Een adellijke had een eerste vrouw, die de meeste rechten had. Alleen haar kinderen konden erven.
  2. Hij mocht ook een tweede vrouw kiezen, de 'Friedlehe'. Als zij verstoten werd, mocht ze haar bruidschat niet meenemen. Haar kinderen waren weliswaar vrij, maar werden als bastaarden beschouwd zonder erfrecht, tenzij de eerste vrouw onvruchtbaar bleek te zijn.
  3. Hij mocht ook een of meer vrije concubines hebben. Hun kinderen waren bastaarden zonder erfrecht. Karel Martel was zo'n bastaard.
  4. Hij mocht ook nog concubinaten met slavinnen hebben. Zij hadden geen enkel recht. De Romeinse gewoonte om slavinnen als concubine te hebben, bestond nog steeds.[13] Er waren wetten die een boete oplegden voor de verhouding van een vrije man met de slavin van een ander, ook al stemde die slavin daarmee in, maar er was geen enkele wet die de omgang van een vrije man met zijn eigen slavin verbood. Het kind uit zo'n relatie was, net als bij de Romeinen, een slaaf van die vrije man (totdat deze het vrijliet). Dit soort kinderen kwam bij alle bevolkingsgroepen veel voor, zowel bij de Gallo-Romeinen als bij de Germanen.

Een adellijke man of koning had dus vaak veel vrouwen. Er ontstonden onder die vrouwen vaak hele gevechten: om zijn hart en om de macht. Vaak ging het om de erfrechten van hun kinderen. Er kwamen ook wel eens moordpartijen bij voor.

Sinds Clovis hadden alle Merovingische koningen diverse vrouwen, waaronder ook nabije verwanten. Karel de Grote had 4 officiele echtgenoten van de eerste rang en minstens 6 vrije concubines. Toen hij stierf, werden ook zijn concubines overgeërfd.

3. Incest[bewerken]

De Germaanse adellijke mocht van oudsher met bloedverwanten trouwen (incest). Soms waren daarbij politieke belangen in het spel en soms werden er (zoals bij Karel de Grote) concubines overgeërfd die nabije familie waren van degene die ze erfde.

De gewone Germanen trouwden liefst binnen de eigen parentele. Als een meisje buiten haar parentele trouwde, zou ze haar persoonlijke bezittingen meenemen naar de parentele van haar man. De ouders die het huwelijk arrangeerden, keken dus liefst naar kandidaten binnen de eigen parentele. Zodoende kwam incest dus vrij veel voor.

Kerk, polygamie en incest[bewerken]

De kerk zag dit alles met lede ogen aan. Zij wilde dat het huwelijk monogaan en onontbindbaar zou zijn. In 813 verbood zij zelfs huwelijken met volle neven en nichten. De pogingen van de kerk om het huwelijk onontbindbaar te verklaren, leidden tot verzet van de adel. Er waren koningen die wilden scheiden van een onvruchtbare vrouw om bijvoorbeeld te hertrouwen met een slavin die hen kinderen had geschonken. In de negende eeuw begonnen echtscheiding en polygamie langzaamaan te verdwijnen, hoewel de concubinaten met slavinnen op het platteland nog lang bleven bestaan.

Pas in de tiende eeuw werden monogamie en een onontbindbaar huwelijk gemeengoed: eerst bij het volk en later ook bij de adel. Het eerst bij de Gallo-Romeinen en later ook bij de Franken.

Noten[bewerken]

  1. De vrouw mocht volgens het Salische recht geen grond erven, want anders zou bij haar huwelijk dit voorname bezit van haar parentele toevallen aan de parentele van haar man. Vrouwen bezaten wel opvolgingsrecht: een vrouw kon een koning opvolgen
  2. De Els werd gezien als een onheilsboom die bij verraderlijke wateren groeide en geen warmte gaf als je haar opstookte. Het gebruik van het takken breken en wegsmijten zou de individualist voor een gewelddadige dood moeten behoeden
  3. De jongen gaf tevens het meisje een waarborgsom waardoor hij zich verplichte met haar te trouwen.
  4. Ter bevordering van de huiselijk vrede.
  5. Symbool van de eeuwige trouw. De Romeinen droegen de ring aan de rechter middelvinger of de linker ringvinger, want volgens de Egyptische artsen liepen vanaf deze vingers zenuwen naar het hart. Adelijke vrouwen hadden ook nog een zegelring om de rechter duim.
  6. Seksuele restricties in het laat-Romeinse rijk
  7. Ook de Romeinen legden kinderen te vondeling
  8. Speciaal de kloosters van Keltische monniken
  9. Toen was er ook het voor het eerst sprake van een wieg. In de Merovingische tijd werd de baby bij gewone gezinnen nog niet erg veel gekoesterd.
  10. Demografie, ouderen
  11. In de Karolingische tijd bevatten de matrikels vaak alleen de namen van oude vrouwen en grootvaders.
  12. De Vikingen bleven zelfs tot in de elfde eeuw polygaam
  13. Romeinen en hun relaties met slavinnen
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.