Nederlands/Toetsenbank Nederlands
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] Toets Lezen
Lees deze tekst
[bewerken] Sloop (afbraak)De sloop van een roerend of onroerend goed houdt in dat het wordt afgebroken tot kleinere componenten, zonder dat het weer gemakkelijk reconstrueerbaar is. Het slopen kan plaatsvinden omdat men bepaalde onderdelen wil hergebruiken, de grond vrij wil maken (bij onroerende goederen zoals huizen), uit het oogpunt van recycling of uit een oogpunt van vandalistisch gedrag. Wanneer de sloop plaatsvindt omdat bepaalde onderdelen teruggewonnen moeten worden, bijvoorbeeld doordat de wet dat voorschrijft, (bij chemicaliën of andere milieu-gevaarlijke stoffen kan dat het geval zijn), zal men zich over het algemeen minder zorgen maken om het overige deel van het oorspronkelijke goed. Dat is dan van minder belang. Wanneer het enige doel is om de grond waarop het goed staat vrij te maken, zal men zich ook weinig zorgen maken om delen heel te houden. Het komt niet vaak voor dat dit de enige reden is van sloop. Meestal probeert de sloper toch wel delen heel te houden, met de bedoeling om deze eventueel later te kunnen verkopen. Ook bij autosloop speelt het idee van ruimte vrijmaken mee. Maar wanneer men vanuit het oogpunt van recycling opereert zal er zoveel mogelijk heel gehouden worden, en zullen de onderdelen zoveel mogelijk gescheiden worden om bijvoorbeeld de metalen van elkaar te scheiden, om ze vervolgens weer te kunnen smelten, en te kunnen verkopen als grondstof aan fabrieken of groothandels. Slopen puur en alleen omdat men "er zin in heeft" komt ook veelvuldig voor. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vele bushokjes die regelmatig ten gronde gaan. Hieraan is de samenleving jaarlijk heel veel geld kwijt, en politici proberen dit dan ook zoveel mogelijk te beperken door middel van wetgeving en het zoeken van publiciteit Meestal zal professioneel slopen niet veel te maken hebben met de vierde reden, maar des te meer met een combinatie van de eerste drie. Een huis zal natuurlijk niet gewoon worden gesloopt omdat het weg moet, maar er zal tevens worden geprobeerd om het puin en de metalen bijvoorbeeld gescheiden te houden, zodat de verdere verwerking goedkoper is, maar ook uit milieu-technisch oogpunt. Maar wanneer er een deel van het huis nog goed te gebruiken is, zal dit ook vaak gedaan worden. Wanneer een werknemer zegt dat hij of zij in de sloop werkt, wordt meestal de sloop van huizen of auto's bedoeld. Ook de kassensloop in de glastuinbouw wordt aangeduid als sloop. Tegenwoordig is het verplicht een asbestinventarisatie uit te laten voeren, voordat iets gesloopt mag worden. Dit om de slopers tegen vrijkomend asbest te behoeden. Bron: Wikipedia |
1. Wat is het onderwerp van deze tekst?
2. Wat is het deelonderwerp van alinea 2?
3. Wat is het belangrijkste wat over dit deelonderwerp gezegd wordt?
4. Noteer de hoofdzaken uit alinea 4.
5. Vat alinea 5 samen in maximaal 15 woorden.
6. Heeft deze tekst een inleiding? Zo ja, uit welke alinea of alinea's bestaat de inleiding?
7. Heeft deze tekst een kern? Uit welke alinea of alinea's bestaat de kern?
8. Heeft deze tekst een slot? Uit welke alinea of alinea's bestaat het slot?
9. Hoe trekt de schrijver de aandacht van de lezer?
10. Wat is het doel van deze tekst?
11. Welke andere doelen heeft deze tekst ook nog volgens jou? Licht je antwoord toe.
12. In alinea 8 wordt er een reden gegeven. Waarvoor wordt er een reden gegeven?
13. Wat voor soort tekst is dit?
14. Waaraan zie je dat?
15. Het woord zodat (alinea 6) hoort bij oorzaak en gevolg. Wat is de oorzaak?
16. Wat is het gevolg?
17. Welke functie hebben de afbeeldingen in de tekst?
18. Wat is de bron van de tekst?
19. Voor welk publiek is deze tekst geschreven?
20. Wat houdt de sloop van een roerend of onroerend goed in?
21. Wanneer het enige doel is om de grond waarop het goed staat vrij te maken, zal men zich ook weinig zorgen maken om delen heel te houden. Maar wanneer men vanuit het oogpunt van recycling opereert zal er zoveel mogelijk heel gehouden worden. Waarom wordt er dan zoveel mogelijk heel gehouden?
22. Bedenk wat ‘ten gronde’ betekent.
[bewerken] Toets Schrijven
1. Wat is het doel van een klachtenbrief?
2. De volgende klacht is niet correct onder woorden gebracht:
Nooit van mijn leven boek ik weer een vakantie bij dat verschrikkelijke reisbureau van jullie! Van wat er in de folder stond, klopte helemaal niks. Van ons appartement zou het 5 minuten lopen zijn naar de zee. Nou weet ik niet welke gek dat verzonnen heeft, want het was wel 20 minuten! Het appartement zelf was ook waardeloos: een piepkleine keuken en bedden waar je wel een halve meter in wegzakte. Ik vind het idioot dat u uw klanten zo bij de neus neemt!
Herschrijf dit stukje tekst zodat de toon nu wel correct is.
3. Hieronder staat een omroep voor een artikel in de schoolkrant.
Een school is een samenleving in het klein. Verschillende groepen mensen moeten op een of andere manier samenleven in en rond een gebouw. Soms gaat dat goed, soms levert dat spanningen tussen leerlingen en leraren en tussen leerlingen onderling. We willen graag dat jij ons eens uitlegt hoe dat is op onze school. Schrijf een artikel en vertel ons over jouw ervaringen.
Schrijf een inleiding voor dit artikelen. De inleiding moet het onderwerp ‘samenleven in een school’ duidelijk maken en op een leuke manier de aandacht van je medeleerlingen trekken. De inleiding moet uit minstens zes zinnen bestaan.
Geef een persoonlijk voorbeeld bij de volgende zinnen:
4. Het valt niet mee om je altijd aan afspraken te houden.
5. Er zijn dagen waarop wekelijk alles je tegenzit.
Maak goede enquêtevragen (in meerkeuzevorm) waarmee je kunt onderzoeken:
6. Hoeveel tijd je klasgenoten besteden aan het lezen van kranten en tijdschriften.
7. Wat voor soort vakantie je klasgenoten het allerleukste vinden
8. Welke mening je klasgenoten hebben over de doodstraf.
9. Stel je voor: over drie maanden wordt er een straatvolleybaltoernooi georganiseerd. Je hebt wel zin om met een team uit jouw straat mee te doen. Om de belangstelling te peilen maak je een kleine enquête die je bij iedereen in de straat in de brievenbus gaat doen. Schrijf een begeleidend briefje bij je enquête, met alle vereiste uitleg.
Stel je voor: je zit op een voetbalclub, maar de club moet drie winstpunten inleveren en een boete van 10.000 euro betalen omdat er tijdens een wedstrijd tegen een andere club gevechten uitbraken tussen jullie club en die van de tegenpartij.
Je vertelt dit aan je vriend en hij zegt dit: “Een club mag niet gestraft worden voor de wandaden van de supporters”.
10. Noem een argument voor deze mening.
11. Noem een argument tegen deze mening.
12. Geef zelf je eigen mening. Gebruik hierbij de argumenten die je bij vraag 10 en 11 hebt genoteerd.
Stel je voor: jullie school krijgt nieuwe stoelen, tafels en bureaus. De oude stoelen, tafels en bureaus worden op 15 november verkocht. Iedereen kan overdag naar school komen en voor een lage prijs een meubelstuk meenemen.
13. Ontwerp een affiche voor deze meubelverkoopdag. Zorg ervoor dat de informatie op het affiche compleet is. Onderstreep de woorden die groot afgedrukt moeten worden.
14. Op het affiche moet ook een afbeelding komen te staan. De afbeelding moet passen bij het onderwerp van het affiche, maar moet er ook aantrekkelijk uitzien (dus geen foto van een paar versleten spullen). Beschrijf twee afbeeldingen die volgens jou geschikt zijn voor op het affiche.
Lees dit briefje:
Geachte dames en heren,
In verband met de ziekte een uwer docenten zal uw les geen doorgang kunnen vinden. U wordt geacht het te maken werk voor de volgende bijeenkomst mede te nemen. Hoogachtend, Directeur nascholing, De heer Drs. H. van Putten
15. Wat is het doel van dit briefje?
16. Maak een soortgelijk briefje maar dan bedoeld voor jou en je klasgenoten. De afzender is je mentor. Bedenk zelf wie er ziek is.
Peter heeft een kort briefje aan zijn vriend Johan geschreven. Hij schreef de brief om te zeggen dat hij maandag niet mee kan naar de bioscoop. Hij was vergeten dat hij dan voetbaltraining heeft. Hieronder zie je het briefje dat hij schreef:
he johan hoe gaat ’t met jou met mij is alles ok maar ik kan maandag niet mee naar de bios ik moet dan voetballen peter
Zijn de volgende zinnen over het briefje waar of nietwaar?
17. Peter heeft korte en duidelijke zinnen gebruikt.
18. Peter heeft hoofdletters en punten gebruikt.
19. Peter heeft uitgelegd waarom hij niet mee kan.
20. Peter heeft uitgelegd waarom hij niet mee kan.
[bewerken] Toets Spreken en Luisteren
1. Noteer drie zaken waarop je moet letten als je een instructie geeft.
Lees deze tekst.
Je pakt twee boterhammen, je doet er een plak kaas en een plakje ham op. Daarna doe je de boterhammen in het tostirooster en klaar is kees!
2. Welke informatie ontbreekt in de tekst?
3. Herschrijf de tekst.
4. Schrijf zelf een duidelijke instructie van 5 tot 8 regels. Je mag zelf een onderwerp bedenken. Als je er geen kunt bedenken, kies dan uit:
- hoe maak je een gebakken ei klaar?
- hoe zet je het nummer in het geheugen van je mobieltje?
- hoe gaat het spelletje Boter-kaas-en-eieren?
Je vriend heeft een spreekbeurt gehouden over het houden van bijen. Hij vertelde over het verzorgen van bijen en hoe je honing kunt verzamelen. Ook heeft hij een bijenkorf meergenomen en laten zien hoe de bijen raten bouwen.
5. Geef een voorbeeld van een goede vraag die je na afloop kan stellen.
6. Geef ook een voorbeeld van een vraag die echt niet goed is.
7. Iemand stelt een vraag, maar je vriend begrijpt niet wat de vragensteller bedoelt. Wat moet je vriend dan doen?
Stel je voor: je wil een mbo-opleiding volgen. Dan moet je eerst een intakegesprek houden.
8. Noem drie vragen die tijdens zo’n gesprek aan jou gesteld kunnen worden?
9. Noteer drie vragen die jij tijdens zo’n gesprek kunt stellen.
Tijdens een intakegesprek wordt ook naar je motivatie voor de opleiding gevraagd. Leg uit waarom de volgende antwoorden voor de vragensteller niet goed zullen zijn:
10. Ik heb de opleiding gekozen omdat het mij een leuke lijkt.
11. Dat weet ik nog niet, daar moet ik eerst nog even goed over nadenken.
12. Ik heb gehoord dat het hier heel relaxed is en dat spreekt me wel aan.
Geef een duidelijk voorbeeld:
13. Van een meningvormende discussie
14. Van een besluitvormende discussie
Stel je voor: jouw klas mag een klassenfeest houden. Tijdens een mentoruur praat de klas over de invulling van het feest, maar iedereen praat door elkaar en luisteren niet naar elkaar. Je leerkracht vraagt zich af of dat niet anders kan.
15. Noem twee dingen die je leerkracht kan doen om de discussie beter te laten verlopen.
16. Noem twee dingen die je leerkracht kan doen om de discussie beter te laten verlopen.
De antwoorden op de vragen hieronder zijn niet duidelijk. Stel nog een vraag om een duidelijker antwoord te krijgen. Bedenk een vraag bij ‘Doorvragen’.
17. Vraag: “Ga je deze zomer op vakantie?”
- Antwoord: “Ja.”
- Doorvragen:
Kies uit: “Heb je ook een vakantiebaantje?” en “Met wie ga je op vakantie?”
18. Vraag: “Ken jij misschien iemand die me kan helpen met wiskunde?”
- Antwoord: “Ja, ik weet wel iemand.”
- Doorvragen:
Kies uit: “Wie is dat dan?” en “Vind jij wiskunde ook zo moeilijk”
[bewerken] Toets Taal
Groepstalen worden overal in de samenleing gebruikt, ook op school.
1. Geef een voorbeeld van jongerentaal.
2. Geef twee voorbeelden van sms-taal.
Herschrijf de twee zinnen zodat ze ‘gewoon’ klinken, niet formeel en ook niet informeel.
3. Ik neem uw verzoek om met Amalia in het huwelijk te treden gaarne in overweging.
4. Ik was moe als een hond, maar na zes uur ben ik weer helemaal boven Jan.
Noteer de clichés in de volgende zinnen:
5. Ik heb al honderdduizend keer gezegd dat je de deur achter je dicht moet doen.
6. Natuurlijk vind je zo’n beugel erg vervelend, maar het is voor je eigen bestwil.
7. Als we het financiële plaatje rond kunnen krijgen, gaan we dit jaar naar Australië.
Leg uit wat er met de onderstreepte uitdrukkingen wordt bedoeld.
8. Zijn advocaat wil alle bewijsstukken nog eens grondig onder de loep nemen.
9. Waarom zou je met de handen in het haar zitten als je nog zo veel kunt doen?
10. “Jongens, stil”, zei Piet. “Hein wil ook nog graag een duit in het zakje doen.
Maak de onderstreepte uitdrukkingen af en noteer ze. Schrijf de betekenis erachter.
11. Ik heb de spruitjes helemaal opgegeten, maar het ging tegen heug en....
12. Volgens de schandaalpers heeft hij nogmaals een scheve ... gereden.
13. In ons nieuwe woonwarenhuis kunnen meubelliefhebbers te kust en te ... gaan.
14. In het begin kende ik in Parijs heg noch ..., maar dat veranderde al snel.
15. In welke zinnen van 11 t/m 14 wordt een uitdrukking met eindrijm gebruikt?
Politieagenten te paard hebben tegenwoordig camerahelmen op. Tijdens voetbalrellen worden beelden van de camera naar de ME-commandowagen gestuurd.
16. Een camerahelm is een nieuw woord. Uit welke twee bestaande woorden is camerahelm opgebouwd?
17. Wat betekenen de woorden helm en camera?
18. Uit welke taal komen de woorden helm en camera?
19. Wat betekent het woord camerahelm?
20. Op welke manier is dit nieuwe woord gemaakt?
21. Geef een voorbeeld van een oud woord dat een nieuwe betekenis gekregen heeft.
22. Geef een voorbeeld van een woord dat overgenomen is uit een andere taal.
[bewerken] Toets Spelling en Grammatica
Noteer de juiste vorm van de woorden die tussen haakjes staan.
1. De twee (blesseren) atlete (belanden) gisteren in het ziekenhuis.
2. De leerkracht (beoordelen) volgende week het (inleveren) werkstuk.
3. Lang geleden (verlichten) grote fakkels de mooi (aanleggen) tuin.
4. Ik (vinden) die nieuwe computers niet echt fantastisch.
Neem de woorden over en zet de woordsoort erachter: lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord, peroonlijk voornaamwoord, aanwijzend voornaamwoord, betreffend voornaamwoord of voorzetsel.
5. Onze hele klas wil de nieuwe film zien, die in onze bioscoop draait.
6. Het meisje, dat bij mijn zusje in de klas is gekomen, komt uit Afrika.
Schrijf de zinnen over. Schrijf de woorden indien nodig aan elkaar vast en plaats waar nodig een hoofdletter, koppelteken, trema of apostrof.
7. in zijn privé jet vloog de ex president naar zijn amerikaanse keel, neus en oorarts
8. in s hertogenbosch hebben de voor en tegenstanders pas s nachts een akkoord bereikt.
9. Noteer het meervoud van de woorden: bootsman, datum, ei, geranium, smid, bacterie, knie, porie, theoorie, waanidee, burau, etui, café, hobby, memo en pyjama.
Noteer de persoonsorm(en) van de volgende zinnen en schrijf erachter of de zin enkelvoudig of samengesteld is.
10. De kandidaten van de talantenjacht konden hun zenuwen niet voor de jury verbergen.
11. Straks kun je naar je vriend, maar nu moet je eerst afwassen.
12. Kletsnat van de regen probeerden de toeschouwers het sportcomplex te bereiken.
13. Hij doet zijn laatste toets over omdat hij een 7,9 niet hoog genoeg vindt.
Noteer de vergrotende en overtreffende trap van:
14. Zwaar
15. Goed
16. Logisch
Noteer wat je op de puntjes in moet vullen: als of dan. Schrijf de juiste vorm van het persoonlijk voornaamwoord erachter.
17. Piet zegt dat Hein echt niet mooier zingt ... (hem/hij)
18. Zouden zij dezelfde camper gekocht hebben ... (wij/ons)?
19. Volgens Chantal is Christa bijna even lenig ... (haar/zij)
Bedenk en noteer een bijvoeglijke bijzin die je op de puntjes kunt invullen.
20. Mijn oma ..., is in het ziekenhuis opgenomen.
21. De bossen ..., zijn vooral ’s winters erg mooi.
22. Het briefje ..., is volgens haar nooit aangekomen.
In de volgende tekst zijn een aantal woorden fout geschreven.
Gistere moesten we tegen Stormvogels voetballen. Ik had nooit gedagt dat we zouden winnen, maar we wonnen met 2-0. na de wetstrijt zijn we nog ff naar de stad gegaan en hebben we een patatje gehaald.
23. Schrijf de woorden op die fout zijn geschreven.