Latijn (scholierenversie)/Les 1
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] Uitspraak
Om te beginnen even iets over de uitspraak, wat natuurlijk erg belangrijk is.
| Latijn | Uitspraak | Voorbeeld |
| c | k | clamare [klamare] |
| g | g (als in good) | gaudère [gaudeere] |
| i | i of j | in [in], iam [jam] |
| u | oe | cum [koem] |
| ae | aai | Caesar [kaaisar] |
| eu | oi | neutrum [noitroem] |
[bewerken] Lidwoorden
In het Latijn zijn er geen lidwoorden. Als je dus bijvoorbeeld femina (vrouw) hebt, kan het dus een vrouw, de vrouw of gewoon vrouw betekenen. Als je een losse zin hebt maakt het niet veel uit welke vertaling je pakt, in een tekst zul je moeten kijken in de context.
[bewerken] Stamgroepen
In het Nederlands eindigen alle werkwoorden op -en, maar toch hebben we verschillende stamgroepen. Zo heb je bijvoorbeeld sterke en zwakke werkwoorden. Binnen de zwakke werkwoorden heb je zwakke werkwoorden op een -t, waarvan de stam eindigt op een medeklinker uit 't kofschip, en zwakke werkwoorden op een -d. In het Latijn zijn er ook stamgroepen. Deze kunnen we verdelen in 4 groepen: de werkwoorden op -are, -ére, -ire en -ere (uitgesproken als -urre). Dit zijn de a-stam, de e-stam, de i-stam en de mk-stam (medeklinkerstam, wordt later verder uitgelegd). Hiervoor gebruiken we vaste voorbeeldwerkwoorden: vocare (roepen) voor de a-stam, timére (vrezen) voor de e-stam, audire (horen) voor de i-stam en regere (regeren) voor de mk-stam.
Hieronder zie je het schema van vocare in de praesens (tegenwoordige tijd):
| voc-o | ik roep |
| voca-s | jij roept |
| voca-t | hij/zij/het roept |
| voca-mus | wij roepen |
| voca-tis | jullie roepen |
| voca-nt | zij roepen |
Zoals je kunt zien, staan er voor de vocare-vormen geen woorden voor ik, jij of jullie. Deze zijn er niet in het Latijn. Zo kan het dus voorkomen dat je zinnen krijgt van éen woord.
Hier zijn de schema's van alle stamgroepen tot nu toe:
| a-stam | e-stam | i-stam | mk-stam |
| voc-o | timé-o | audi-o | reg-o |
| voca-s | timé-s | audi-s | reg-i-s |
| voca-t | timé-t | audi-t | reg-i-t |
| voca-mus | timé-mus | audi-mus | reg-i-mus |
| voca-tis | timé-tis | audi-tis | reg-i-tis |
| voca-nt | timé-nt | audi-u-nt | reg-u-nt |
Zoals je ziet zijn bij alle stamgroepen de uitgangen (vetgedrukt) hetzelfde. Achter de stam van regere (reg-) komt een i of een u, omdat het woord anders niet of niet mooi uit te spreken is. Hetzelfde geldt voor audiunt, want audint klinkt niet, volgens de Romeinen.
[bewerken] De 1e naamval: de nominativus
Net als elke andere taal, heeft ook het Latijn te maken met mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden. In het Frans bijvoorbeeld, kun je het verschil zien aan le (mannelijk) en la (vrouwelijk). In het Nederlands kun je het zien aan de (mannelijk/vrouwelijk) en het (onzijdig). Omdat het Latijn geen lidwoorden heeft, is er een andere manier om het te zien, namelijk de uitgangen. Een voorbeeld: servus betekent slaaf, serva betekent slavin. Maar poeta eindigt op a is toch mannelijk, namelijk dichter en bovendien in de gemengde declinatie kun je het helemaal niet zien, men zal het dus moeten leren.
In het Latijn verdelen we de mannelijke, vrouwelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden in een aantal groepen. In deze les zullen groep 1 en 2 aan bod komen. Groep 1 zijn de vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. Hiervoor gebruiken we het voorbeeldwoord serva (slavin). Het meervoud van serva is servae.
| Groep 1 | |
| nom. ev | serv-a |
| nom. mv | serv-ae |
Groep 2 bestaat uit de mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden. Hiervoor gebruiken we 3 voorbeeldwoorden: servus (slaaf), puer (jongen) en bellum (oorlog). Servus en puer zijn mannelijk, bellum is onzijdig. De meervouden zijn: servi, pueri en bella. In het Nederlands gebeurd er hetzelfde als bij bellum-bella als bij museum-musea. Dat komt oorspronkelijk uit het Latijn.
| Groep 2 | |||
| M | M | O | |
| nom. ev | serv-us | puer | bell-um |
| nom. mv | serv-i | puer-i | bell-a |
Nu nog even wat over de nominativus, afgekort nom.. De nominativus is de 1e naamval, deze wordt gebruikt voor het onderwerp in de zin (de handelende persoon).
Hier nog even een overzichtje van Groep 1 en 2
| Groep 1 | Groep 2 | |||
| V | M | M | O | |
| nom. ev | serv-a | serv-us | puer | bell-um |
| nom. mv | serv-ae | serv-i | puer-i | bell-a |
[bewerken] Oefentekst 1
Voor de oefenteksten gebruik ik de verhalen uit de Illias van Homerus. Dit verhaal gaat over de oorlog om Troje. Onder de tekst staan de woorden die je nodig hebt om de tekst te vertalen. Verder nog even een opmerking: in het Latijn staat het werkwoord altijd achteraan in de zin.
Priamus Trojanus est.
Priamus senex est.
Priamus felix est, enim rex est.
Paris Trojanus est.
Hector etiam Trojanus est.
Paris puer est.
Hector iuvenis est.
Paris et Hector navigant.
Paris felix est, nam Graeciam videt.
Trojanus = Trojaan
est = (hij/zij/het) is
senex = oude man
felix = gelukkig
enim = immers
rex = koning
etiam = ook
puer = jongen
iuvenis = (jonge)man
navigare = varen
nam = want
Graecia = Griekenland
videre = zien
[bewerken] Taaloefeningen
[bewerken] Zoek de juiste stamgroep
Zet de werkwoorden bij de juiste stamgroep.
navigare - consistere - vidére - audire - rogare - fugere - currere - tacére - apparére - dormire
| a-stam | e-stam | i-stam | mk-stam |
| ... | ... | ... | ... |
| ... | ... | ... | ... |
| ... | ... | ... | ... |
[bewerken] Vertaal de woorden
videmus - regit - rogo - currunt - consisto - dormis - fugitis - tacemus
vidére = zien
rogare = vragen
currere = rennen
consistere = blijven staan, stilstaan
dormire = slapen
fugere = vluchten
tacére = zwijgen
[bewerken] Enkelvoud wordt meervoud, meervoud wordt enkelvoud
Zet de woorden die in het enkelvoud staan om in het meervoud, en die in het meervoud staan om in het enkelvoud. Voorbeeld: voco wordt vocamus.
vocas - regit - dormitis - video - tacent - fugitis - consisto - audiunt
En deze ook:
servi - puer - femina - bella - servae - templum - deus - deae - Graeci
templum = tempel
deus = god
dea = godin
Graecus = Griek
Je bent nu klaar met les 1. Als je vindt dat je de stof goed beheerst, kun je doorgaan naar Les 2.