Latijn/Morfologie voornaamwoorden

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek

Pronomina personalia[bewerken]

Het Latijn kent net als het Nederlands een eerste persoon (ik, wij), een tweede persoon (jij, jullie, u) en een derde persoon (hij, zij, het, u). En net als het Nederlands kent het Latijn dus ook persoonlijke voornaamwoorden voor de eerste, tweede en derde persoon.

Een belangrijk verschil met het Nederlands is dat de persoonlijke voornaamwoorden in het Latijn vaak weggelaten worden uit de zin. Ze worden alleen gebruikt als er een zekere nadruk op ligt of als er een tegenstelling uitgedrukt moet worden:

mihi vinum dabas = jij gaf mij wijn.

In het voorbeeld ontbreekt in het Latijn het woordje voor jij. Dat het jij moet zijn valt af te leiden van de vorm van het werkwoord, dabas, dat verschillende uitgangen heeft voor persoon en getal. Daar aan het werkwoord niet afgelezen kan worden wie de ontvanger van de wijn (vinum) is moet dat wel worden uitgedrukt in de zin, vandaar de aanwezigheid van mihi.

Als de spreker echter de nadruk wil leggen op het feit dat jij de gever van de wijn was en niet iemand anders, dan zou hij wel het woordje voor jij gebruikt hebben:

tu mihi vinum dabas = jij gaf mij wijn (en niet iemand anders).


Reflexiviteit[bewerken]

In het Nederlands zowel als in het Latijn kennen we reflexieve persoonlijke voornaamwoorden. In het Nederlands zijn dat ik zelf, jij zelf, etc. Ze worden gebruikt om terug te verwijzen naar het onderwerp van de zin. Bijvoorbeeld (in het Nederlands):

Hij sprak tegen zich zelf.

Hier verwijst zich zelf terug naar hij. Of:

Ik kocht een boek voor mij / mij zelf.

In dit tweede voorbeeld verwijst mij of mij zelf terug naar ik. In dit voorbeeld is ook te zien dat het woordje zelf niet altijd noodzakelijk is. Toch blijft mij een reflexief persoonlijk voornaamwoord; de functie in de zin bepaalt wat voor een woord het is, niet de vorm.

Ook het Latijn kent het verschijnsel van reflexieve persoonlijke voornaamwoorden. Om extra klemtoon te geven, gebruikt het Latijn het woordje ipse (zelf), dat dan ofwel met het reflexieve persoonlijke voornaamwoord congrueert, ofwel met het onderwerp van de zin.

Overigens kent het Latijn geen beleefdheidsvormen, zodat te met je of u vertaald moet worden en vos met jullie of u.

Eerste persoon[bewerken]

Aangezien het persoonlijke voornaamwoord in de plaats van een zelfstandig naamwoord kan optreden, moet het dus ook verbogen kunnen worden, d.w.z. het moet in de verschillende naamvalsvormen kunnen optreden. De lijst van verbuigingen voor de eerste persoon ziet er als volgt uit:

Enkelvoud Meervoud
nom. ego nos
gen. mei nostri/nostrum
dat. mihi nobis
acc. me nos
abl. me nobis

De vorm nostrum is een zogenaamde genitivus partitivus en duidt geen bezit aan maar een verdeling. Het kan vertaald worden met iemand van ons, een ieder van ons of één van ons.

Deze woorden (met uitzondering van nostrum) zijn tevens reflexief.


Tweede persoon[bewerken]

Voor de tweede persoon geldt het zelfde als voor de eerste persoon. Hier zijn de vormen:

Enkelvoud Meervoud
nom. tu vos
gen. tui vestri/vestrum
dat. tibi vobis
acc. te vos
abl. te vobis

De vorm vestrum is, net als de vorm nostrum van de eerste persoon, een genitivus partitivus en duidt geen bezit aan maar een verdeling. Het kan vertaald worden met iemand van jullie, een ieder van jullie of één van jullie.

Deze woorden (met uitzondering van vestrum) zijn tevens reflexief.


Derde persoon[bewerken]

De derde persoon wijkt iets af van de eerste en tweede persoon daar hij geen vormen voor de nominativus kent. Bovendien zijn de onderstaande vormen reflexief, dus ze staan voor zich zelf, hem zelf, haar zelf etc. Het Latijn kent geen eigen niet-reflexieve vormen voor de derde persoon. Die rol wordt overgenomen door de aanwijzende voornaamwoorden is, ea en id

Enkelvoud Meervoud
nom.
gen. sui sui
dat. sibi sibi
acc. se
abl. se

Pronomina possessiva[bewerken]

De pronomina possessiva of bezittelijke voornaamwoorden kunnen net als in het Nederlands bijvoeglijk of zelfstandig gebruikt worden. Bijvoeglijk wil zeggen dat ze net als een bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord geplaatst kunnen worden:

liber meus est = het is mijn boek (liber = boek; est = is)

Zelfstandig wil zeggen dat het op kan treden als ware het een zelfstandig naamwoord:

meus est = het is de mijne

Daarnaast kan het pronomen possessivum, net als het pronomen personale, reflexief of niet reflexief zijn. Dit komt echter alleen tot uitdrukking bij de possessiva van de derde persoon:

librum suum legit = hij heeft zijn (eigen) boek gelezen (reflexief)
librum eius legit = hij heeft zijn boek gelezen. Dat wil zeggen het boek van iemand anders. (niet-reflexief)

De pronomina possessiva worden op dezelfde manier verbogen als de bijvoeglijke naamwoorden van de eerste groep, d.w.z. alsof het A- of O-stammen zijn.


Eerste persoon[bewerken]

Het bezittelijk voornaamwoord van de eerste persoon enkelvoud, zowel reflexief als niet-reflexief is:

meus, mea, meum = mijn

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. meus mei mea meae meum mea
gen. mei meorum meae mearum mei meorum
dat. meo meis meae meis meo meis
acc. meum meos meam meas meum mea
abl. meo meis mea meis meo meis


Het bezittelijk voornaamwoord van de eerste persoon meervoud, zowel reflexief als niet-reflexief is:

noster, nostra, nostrum = ons, onze

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. noster nostri nostra nostrae nostrum nostra
gen. nostri nostrorum nostrae nostrarum nostri nostrorum
dat. nostro nostris nostrae nostris nostro nostris
acc. nostrum nostros nostram nostras nostrum nostra
abl. nostro nostris nostra nostris nostro nostris


Tweede persoon[bewerken]

Het bezittelijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud, zowel reflexief als niet-reflexief is:

tuus, tua, tuum = jouw, uw

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. tuus tui tua tuae tuum tua
gen. tui tuorum tuae tuarum tui tuorum
dat. tuo tuis tuae tuis tuo tuis
acc. tuum tuos tuam tuas tuum tua
abl. tuo tuis tua tuis tuo tuis


Het bezittelijk voornaamwoord van de tweede persoon meervoud, zowel reflexief als niet-reflexief is:

vester, vestra, vestrum = jullie, uw

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. vester vestri vestra vestrae vestrum vestra
gen. vestri vestrorum vestrae vestrarum vestri vestrorum
dat. vestro vestris vestrae vestris vestro vestris
acc. vestrum vestros vestram vestras vestrum vestra
abl. vestro vestris vestra vestris vestro vestris

Derde persoon[bewerken]

Het bezittelijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud en meervoud zijn identiek:

suus, sua, suum = zijn, haar, hun

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. suus sui sua suae suum sua
gen. sui suorum suae suarum sui suorum
dat. suo suis suae suis suo suis
acc. suum suos suam suas suum sua
abl. suo suis sua suis suo suis

De niet reflexieve vormen van het bezittelijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud worden weergegeven door eius, voor alle geslachten. Die van de derde persoon meervoud door eorum, earum en eorum, respectievelijk voor het mannelijk, het vrouwelijk en het onzijdig.

Pronomina demonstrativa[bewerken]

De pronomina demonstrativa of aanwijzende voornaamwoorden verwijzen, zoals hun naam al zegt, naar iets. In het Latijn worden er drie onderscheiden:

  • hic, haec, hoc = deze (bij een de-woord), dit (bij een het-woord); verwijst naar iets dicht bij de spreker.
  • iste, ista, istud = die, dat; verwijst naar iets dicht bij de luisteraar, maar iets verder weg bij de spreker.
  • ille, illa, illud = gene, gindse; verwijst naar iets ver weg in de ruimte of de tijd van zowel de spreker als van de luisteraar. Ille houdt soms ook een waardeoordeel in: de bekende, de beroemde.

Allen kunnen ze zowel zelfstandig als bijvoegelijk gebruikt worden. In het laatste geval, d.w.z. bijvoegelijk gebruikt, komen de pronomina demonstrativa in de regel voor het woord waarna ze verwijzen en volgen dit woord in naamval, geslacht en aantal:

hae arbores = deze bomen (arbor, arboris (f) boom)
in illo burdone = op gene muilezel (burdo, burdonis (m) muilezel)
iuxta istud templum = naast die tempel (iuxta (+acc) naast)


hic, haec, hoc[bewerken]

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. hic hi haec hae hoc haec
gen. huius horum huius harum huius horum
dat. huic his huic his huic his
acc. hunc hos hanc has hoc haec
abl. hoc his hac his hoc his

iste, ista, istud[bewerken]

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. iste isti ista istae istud ista
gen. istius istorum istius istarum istius istorum
dat. isti istis isti istis isti istis
acc. istum istos istam istas istud ista
abl. isto istis ista istis isto istis

ille, illa, illud[bewerken]

De vervoeging van ille is gelijk aan die van iste:

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. ille illi illa illae illud illa
gen. illius illorum illius illarum illius illorum
dat. illi illis illi illis illi illis
acc. illum illos illam illas illud illa
abl. illo illis illa illis illo illis

Pronomina determinativa[bewerken]

De pronomina determinativa of bepaalde voornaamwoorden werden vroeger nog al eens tot de aanwijzende voornaamwoorden gerekend. Gezien hun bijzondere betekenis verdienen ze het echter om in een aparte groep geplaatst te worden.

De pronomina determinativa zijn:

  • ipse, ipsa, ipsum = zelf, maar kan vaak genuanceerder worden weergegeven met: van zij kant, persoonlijk, juist.
  • is, ea, id =
  1. hij, zij, het (als niet-reflexieve vorm van het persoonlijk voornaamwoord voor de derde persoon)
  2. deze, die
  • idem, eadem, idem = dezelfde, hetzelfde

De laatste (idem, eadem, idem) is eigenlijk dezelfde als is, ea, id, maar met het achtervoegsel dem er aan vastgeplakt.


ipse, ipsa, ipsum[bewerken]

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. ipse ipsi ipsa ipsae ipsum ipsa
gen. ipsius ipsorum ipsius ipsarum ipsius ipsorum
dat. ipsi ipsis ipsi ipsis ipsi ipsis
acc. ipsum ipsos ipsam ipsas ipsum ipsa
abl. ipso ipsis ipsa ipsis ipso ipsis

is, ea, id[bewerken]

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. is ei (ii) ea eae id ea
acc. eum eos eam eas id ea
gen. eius (ejus) eorum eius earum eius (ejus) eorum
dat. ei eis (iis) ei eis (iis) ei eis (iis)
abl. eo eis (iis) ea eis (iis) eo eis (iis)

idem, eadem, idem[bewerken]

idem etc. is ontstaan door -dem achter de verbogen vormen van is, ea, id te plakken. Let op enkele klankveranderingen in de accusativus enkelvoud en genitivus meervoud, waar een m in een n veranderd. De vormen tussen haakjes zijn wat minder vaak voorkomende varianten.

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. idem iidem eadem eaedem idem eadem
gen. eiusdem eorundem eiusdem earundem eiusdem eorundem
dat. eidem eisdem (iisdem, isdem) eidem eisdem (iisdem, isdem) eidem eisdem (iisdem, isdem)
acc. eundem eosdem eandem easdem idem eadem
abl. eodem eisdem (iisdem, isdem) eadem eisdem (iisdem, isdem) eodem eisdem (iisdem, isdem)

Pronomina relativa[bewerken]

Een (pronomen) relativum of betrekkelijk voornaamwoord wordt in een bijzin gebruikt en verwijst naar iets of iemand in de hoofdzin (het antecedent):

Het huis, dat onlangs verkocht werd, is helemaal verbouwd.

Het betrekkelijk voornaamwoord dat uit de bijzin (dat onlangs verkocht werd) verwijst naar Het huis in de hoofdzin. In beide gevallen worden ze gebruikt als onderwerp in de zin.

Nog een voorbeeld:

De motor van de auto, die ik onlangs gekocht had, en waarmee ik op vakantie wou gaan, sloeg telkens af.

Hier staan twee betrekkelijke voornaamwoorden in, die en waarmee, die beide naar het zelfde onderdeel van de hoofdzin verwijzen, namelijk de auto. In de hoofdzin speelt de auto de rol van een bepaling bij De motor. In de eerste bijzin (die ik onlangs gekocht had) wordt de auto vervangen door die en speelt het de rol van lijdend voorwerp. In de tweede bijzin (waarmee ik op vakantie wou gaan) wordt de auto vervangen door waarmee en speelt het de rol van een bepaling.je mag niet vergeten dat een relativum altijd bij een antecedent staat(=substantief met zelfde genus en getal 'staat altijd voor het relativum)

Hier zijn de Latijnse betrekkelijke voornaamwoorden of relativa:

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. qui qui quae quae quod quae
gen. cuius quorum cuius quarum cuius quorum
dat. cui quibus cui quibus cui quibus
acc. quem quos quam quas quod quae
abl. quo quibus qua quibus quo quibus


Bij het gebruik van de relativa in een Latijnse zin moet het volgende in de gaten gehouden worden: het relativum richt zich in geslacht en getal naar het woord waarna het verwijst in de hoofdzin, maar de naamval wordt bepaald door de rol die het in de bijzin speelt. Een voorbeeld ter illustratie (steterunt = stonden; viderunt = zagen; in foro = op het forum):

puellae in foro steterunt quas pueri viderunt = de meisjes, die de jongens zagen, stonden op het forum.

quas heeft hetzelfde geslacht (f) en aantal (mv) dan het antecedent in de hoofdzin waar het naar verwijst, namelijk puellae. Echter, puellae staat in de nominativus, aangezien het het onderwerp is van de hoofdzin puellae in foro steterunt. In de bijzin staat quas echter in de accusativus omdat de meisjes het lijdend voorwerp vormen van de bijzin quas pueri viderunt. Merk op dat de Nederlandse (letterlijke) vertaling onduidelijk is over wie nu wie zag. Werden de meisjes door de jongens gezien, of omgekeerd, werden de jongens door de meisjes gezien? Het Latijn is hierover zeer duidelijk: quas staat in de accusativus, pueri in de nominativus en dus werden de meisjes door de jongens gezien. Het verschil wordt duidelijk als we de zin herschrijven zodanig dat de jongens door de meisjes gezien werden:

puellae in foro steterunt quae pueros viderunt = de meisjes, die de jongens zagen, stonden op het forum.

De letterlijke Nederlandse vertaling blijft de zelfde, maar omdat quae een nominativus is en pueros een accusativus, moeten de jongens nu door de meisjes gezien zijn.

Pronomina interrogativa[bewerken]

Van de vragende voornaamwoorden of pronomina interrogativa zijn er twee smaken: de zelfstandig gebruikte vragende voornaamwoorden en de bijvoegelijk gebruikte vragende voornaamwoorden.


Zelfstandig gebruik[bewerken]

De zelfstandig gebruikte vragende voornaamwoorden zijn in vrijwel alle vormen gelijk aan het betrekkelijk voornaamwoord of relativum. De afwijkende vormen zijn die van de mannelijke en vrouwelijke nominativus enkelvoud (beide quis) en die van het onzijdige nominativus en accusativus enkelvoud (beide quid):

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. quis qui quis qui quid quae
gen. cuius quorum cuius quarum cuius quorum
dat. cui quibus cui quibus cui quibus
acc. quem quos quam quas quid quae
abl. quo quibus qua quibus quo quibus

Zelfstandig gebruik wil zeggen dat het vragende voornaamwoord als volwaardig naamwoord de plaats in kan nemen van een zelfstandig naamwoord.

Voorbeelden

quis es? = wie ben jij?
quibus pecuniam dedisti? = (aan) wie heb je het geld gegeven?

Woordenlijst

dedisti (jij) hebt gegeven
es (jij) bent
pecunia, -ae (f) geld

Bijvoeglijk gebruik[bewerken]

Het bijvoeglijk gebruikte vragende voornaamwoord is in alle vormen gelijk aan die van het betrekkelijk voornaamwoord of relativum:

mannelijk vrouwelijk onzijdig
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
nom. qui qui quae quae quod quae
gen. cuius quorum cuius quarum cuius quorum
dat. cui quibus cui quibus cui quibus
acc. quem quos quam quas quod quae
abl. quo quibus qua quibus quo quibus

Bijvoeglijk gebruik wil zeggen dat het vragende voornaamwoord net als een bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort. In het Nederlands gebruiken we dan vaak welke. En net als het bijvoeglijke naamwoord richt het bijvoeglijk gebruikte vragende voornaamwoord zich in getal, geslacht en naamval naar het zelfstandige naamwoord waar het bij hoort.

Voorbeelden

quem servum vituperavisti? = welke slaaf heb jij vermaand?
cui ancillae donum das? = (aan) welke slavin geef je een geschenk?

Woordenlijst

ancilla, -ae (f) slavin
das (jij) geeft
donum, -i (n) geschenk
servus, -i (m) slaaf
vituperavisti (jij) hebt vermaand
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.