Latijn/Les 7

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst

In deze les leren we een tweede verleden tijd (de onvoltooid verleden tijd), bepalende en betrekkelijke voornaamwoorden en gaan we verder met de persoonlijke voornaamwoorden.


Voorbeelden[bewerken]

1. Vercingetorix dux Gallorum erat. Vercingetorix was de aanvoerder van de Galliërs.
2. Agricola agrum aravit. De boer ploegde het veld.
3. Tonsor eum radit. De barbier scheert hem.
4. In caupona quae in Subura est heri vinum bibi. Gisteren dronk ik wijn in een kroeg die in de Subura ligt.
5. Fabulam ei narravi. Ik vertelde hem/haar een verhaal.
6. Servus quocum in Ostia eo Marcus est. De slaaf met wie ik naar Ostia ga heet (is) Marcus.
7. Mango ancillas quae graecae sunt in actione vendit. De slavenhandelaar verkoopt de slavinnen die Grieks zijn per opbod.
8. Ei qui non laborant non edunt. Zij, die niet werken, eten niet.

Imperfectum[bewerken]

Eerst maar eens de vormen van de onvoltooid verleden tijd ofwel het imperfectum. Het imperfectum wordt gemaakt uit de 'praesens-stam' + ba + uitgang van het praesens:

A- en E-conjugatie

inf.
amare
beminnen
stam
ama-ba-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
amabam
amabas
amabat
amabamus
amabatis
amabant
ik beminde
jij beminde
hij/zij/het beminde
wij beminden
jullie beminden
zij beminden
inf.
videre
zien
stam
vide-ba-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
videbam
videbas
videbat
videbamus
videbatis
videbant
ik zag
jij zag
hij/zij/het zag
wij zagen
jullie zagen
zij zagen


C- en I-conjugatie

inf.
vincere
overwinnen
stam
vinc-e-ba-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
vincebam
vincebas
vincebat
vincebamus
vincebatis
vincebant
ik overwon
jij overwon
hij/zij/het overwon
wij overwonnen
jullie overwonnen
zij overwonnen
inf.
audire
horen
stam
audi-e-ba-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
audiebam
audiebas
audiebat
audiebamus
audiebatis
audiebant
ik hoorde
jij hoorde
hij/zij/het hoorde
wij hoorden
jullie hoorden
zij hoorden

Het imperfectum kenmerkt zich door het tussenvoegseltje -ba-. Zowel de A- als de E-conjugatie plaatsen dit achter de stam en voegen er vervolgens de uitgangen -m, -s, -t, -mus, -tis en -nt achter. Dit zijn met uitzondering van de 1e persoon enkelvoud dezelfde uitgangen als van het praesens. De C- en de I-conjugatie plaatsen eerst nog een -e- achter de stam, dan het tussenvoegseltje -ba- en vervolgens de uitgangen.

En dit zijn de vormen van het onregelmatige esse en ire:

inf.
esse
zijn
stam
era-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
eram
eras
erat
eramus
eratis
erant
ik was
jij was
hij/zij/het was
wij waren
jullie waren
zij waren
inf.
ire
gaan
stam
i-ba-
 
1 s.
2 s.
3 s.
1 p.
2 p.
3 p.
ibam
ibas
ibat
ibamus
ibatis
ibant
ik ging
jij ging
hij/zij/het ging
wij gingen
jullie gingen
zij gingen

Zoals je ziet gebruikt esse weer eens een andere stam en vergeet ire, als I-conjugatie werkwoord, de -e- tussen te voegen.

De naam onvoltooid verleden tijd geeft al aan dat een handeling in het verleden niet afgesloten was, dit in tegenstelling tot het perfectum. Bekijk de volgende twee zinnen:

Trans forum ambulavi. = Ik heb over het forum gelopen. (perfectum)
Trans forum ambulabam. = ik liep over het forum. (imperfectum)

In de eerste zin wordt impliciet door het perfectum aangegeven dat ik over het forum liep en daar op een gegeven moment mee klaar was. Die situatie duurt tot op heden voort, ook nu loop ik niet meer over het forum. Daarentegen zegt de tweede zin dat ik op een zeker moment in het verleden over dat forum liep, maar daarbij niet aangeef of en wanneer ik daarmee opgehouden ben. Ik was bezig over het forum te lopen.

Het imperfectum is daarom bij uitstek geschikt om een situatieschets van het verleden te geven:

Circus Maximus in Roma erat. = Het Circus Maximus was in Rome. (en het is er nog steeds)

Dit in tegenstelling tot:

In Roma fui. = Ik ben in Rome geweest. (maar nu niet meer)

Het imperfectum wordt daarnaast bij uitstek gebruikt om een gewoonte, herhaling en/of poging die tot het verleden behoort te beschrijven:

In aestate Marcus ad villam semper ibat. = Marcus ging in de zomer altijd naar het landhuis.

Bepalende voornaamwoorden[bewerken]

Het bepalend voornaamwoord of (pronomen) determinativum verwijst naar iets wat al eerder werd genoemd.

De vormen:

 
masc.
fem.
neut.
 
sing.
plur.
sing.
plur.
sing.
plur.
nom.
gen.
dat.
acc.
abl.
is
eius
ei
eum
eo
ei (ii, i)
eorum
eis (iis, is)
eos
eis (iis, is)
ea
eius
ei
eam
ea
eae
earum
eis (iis, is)
eas
eis (iis, is)
id
eius
ei
id
eo
ea
eorum
eis (iis, is)
ea
eis (iis, is)

De vormen tussen haakjes zijn minder gebruikelijke alternatieven. Merk op dat de i van i en is lang was (ī, īs).

is, ea en id worden voor verschillende doeleinden gebruikt:

  1. als een expliciete verwijzing naar iets of iemand die al eerder genoemd werd
  2. als niet-reflexief persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon (zie volgende paragraaf)
  3. als antecedent bij een betrekkelijk voornaamwoord (zie verderop).

Het eerste gebruik lijkt erg veel op het gebruik als persoonlijk voornaamwoord. Het speciale zit hem in het expliciet:

Het huis daar op de hoek; dat is wat ik bedoelde.

Het bepalende voornaamwoord dat zou vervangen kunnen worden door persoonlijke voornaamwoord het, maar het dat is een verwijzing naar huis die veel explicieter of nadrukkelijker is.


Persoonlijke voornaamwoorden, derde persoon[bewerken]

Bij de persoonlijke voornaamwoorden voor de derde persoon maakt het latijn een strikt onderscheid tussen reflexief en niet-reflexief. Reflexief wil zeggen dat het persoonlijk voornaamwoord terug verwijst naar het onderwerp van de zin, terwijl het niet-reflexieve persoonlijk voornaamwoord terug verwijst naar iets of iemand anders:

De kapper kapt zich. (reflexief)
De kapper kapt hem. (niet-reflexief)

Wat betreft de derde persoon, zowel enkel- als meervoud kent het Latijn kent geen niet-reflexief persoonlijk voornaamwoord. In plaats daarvan worden de determinativa (bepalende voornaamwoorden; zie vorige paragraaf) is, ea en id gebruikt.

Tonsor eum radit. = De barbier scheert hem. (niet-reflexief)
Tonsor se radit. = De barbier scheert zich. (reflexief)

En hier dan eindelijk de vormen van de derde persoon:

 
reflexief
niet reflexief
 
sing.
plur.
sing.
plur.
nom.
gen.
dat.
acc.
abl.
 
sui
sibi
se
se
 
sui
sibi
se
se
 
 
zie is, ea, id
 
 

Zoals al eerder gezegd vermijdt het Latijn het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden, tenzij ze de nadruk moeten verkrijgen. Nadruk wordt bij uitstek verleend in tegenstellingen, zoals in het volgende voorbeeld:

Ea eum amabat, sed is eam non amabat. = Zij hield van hem, maar hij hield niet van haar.

De tegenstelling is tussen ea en is: zij wel, maar hij niet.


Betrekkelijke voornaamwoorden[bewerken]

Het betrekkelijke voornaamwoord (pronomen relativum of kortweg relativum) is een voornaamwoord dat naar een naamwoord elders in de zin verwijst. In de volgende zin:

De jongen die van het meisje hield, kocht een geschenk.

is die een betrekkelijk voornaamwoord. Het woord waar het naar verwijst, het antecedent, is jongen. Het stukje zin die van het meisje hield is de relatieve bijzin.

In het Latijn richt het relativum zich naar geslacht en getal naar het antecedent, maar de naamval wordt bepaald door de rol die het vervult in de relatieve bijzin.

Voor we verder gaan eerst maar eens de vormen:

 
masc.
fem.
neut.
 
sing.
plur.
sing.
plur.
sing.
plur.
nom.
gen.
dat.
acc.
abl.
qui
cuius
cui
quem
quo
qui
quorum
quibus
quos
quibus
quae
cuius
cui
quam
qua
quae
quarum
quibus
quas
quibus
quod
cuius
cui
quod
quo
quae
quorum
quibus
quae
quibus

Laten we nu eens naar de volgende romantische voorbeelden kijken:

Puer qui puellae osculum dedit, filius Marci est. De jongen die het meisje een zoen gaf, is een zoon van Marcus.
Puer cui puella osculum dedit, filius Marci est. De jongen die het meisje een zoen gaf, is een zoon van Marcus.

Aan de vertaling kunnen we niet zien wie hier nu wie zoende. Het Latijn is daar een stuk duidelijker in:

In de eerste zin verwijst qui naar puer. qui is nominativus enkelvoud en is dus het onderwerp van de (relatieve) bijzin. Bovendien, als weggevertje, is puellae een dativus enkelvoud en is dus het meewerkende voorwerp in de bijzin. Het is in dit geval dus de jongen die het zoenen voor zijn rekening nam.

In de tweede zin verwijst cui naar puer. cui is een dativus enkelvoud en is dus het meewerkende voorwerp in de bijzin. Bovendien staat puella nu in de nominativus enkelvoud en is dus het onderwerp. In de tweede zin is het dus het meisje dat het initiatief genomen heeft.

Een preciezere en eenduidigere vertaling van de tweede zin zou zijn:

De jongen aan wie het meisje een kus geeft, is een zoon van Marcus.

Nog wat meer voorbeelden:

Discipuli quorum magister Graeca lingua loquitur laeti sunt. De leerlingen van wie de leraar Grieks spreekt zijn blij.
Pueri quibus dona dat ei gratias agunt De jongens aan wie hij/zij geschenken geeft danken hem/haar.
Agricolae cui ager est quoque asinus est De boer aan wie de akker toebehoort, behoort ook de ezel toe. (Let op de dativus possessivus die hier twee keer gebruikt is)

quocum, quacum, quibuscum[bewerken]

De ablativusvormen hebben een bijzonderheid: met wie wordt niet zoals verwacht met cum quo/qua/quibus vertaald, maar als quocum, quacum of quibuscum. Het voorzetsel cum wordt dus vast achter de ablativusvorm geschreven.

Servus quocum in Ostia eo Marcus est. De slaaf met wie ik naar Ostia ga heet (is) Marcus.
Gladii quibuscum pugnant acuti sunt. De zwaarden waarmee zij vechten zijn scherp.

Het pronomen determinativum als antecedent bij het relativum[bewerken]

Let op de combinatie van bepaald voornaamwoord en betrekkelijk voornaamwoord:

Ei qui non laborant non edunt. Zij die niet werken, eten niet.


Terminologie[bewerken]

Imperfectum
De onvoltooid verleden tijd.
Determinativum
(Meervoud determinativa) Bepalend voornaamwoord.
Relativum
(Meervoud relativa) Betrekkelijke voornaamwoord.
Antecedent
datgene waarnaar een betrekkelijk voornaamwoord verwijst.


Woordenlijst[bewerken]

acutus, -a, -um scherp
agere, egi, actum (C) in beweging zetten, handelen (in de zin van: een handeling verrichten)
Alesia, -ae (f) Alesia, een plaats in Gallië
auctio, auctionis (f) opbod; in auctione per opbod
circumsedere, circumsedi, circumsessum (E) omsingelen, belegeren
constituere, constitui, constitutum (C) stichten, bouwen
devincere, devici, devictum (C) verslaan
discere, didici (C) leren, studeren
dux, ducis (m) aanvoerder
edere, edi, esum (C) eten
filia, -ae (f) dochter
foederati, -orum (m) bondgenoten (alleen meervoud)
Gergovia, -ae (f) Gergovia, een plaats in Gallië
gratia, -ae (f) dank; A[dat] gratias agere A bedanken
Haedui, -orum (m) Haedui, Gallische stam
legio, legionis (f) leger, legioen
lingua, -ae (f) taal; lingua Graeca loquitur hij/zij spreekt Grieks
oppidum, -i (n) (vesting)stad, (vesting)plaats
osculum, -i (n) kus
Ostia, -ae (f) Ostia, de belangrijkste havenstad voor Rome.
radere, rasi, rasum (C) scheren (met een scheermes)
resistere, resistiti, - (+dat.) (C) weerstand bieden, zich keren tegen
subito plotseling
Subura, -ae (f) De Subura, een wijk in het antieke Rome die een ruige reputatie had.
tandem eindelijk, tenslotte
tonsor, tonsoris (m) barbier
vendere, vendidi, venditum (C) verkopen
Vercingetorix, Vercingetorigis (m) Vercingetorix


Oefeningen[bewerken]

  • Zet (alles) in het meervoud:
  1. Discipulus qui discit bonus est.
  2. Tonsor eum non rasit.
  3. Senator cuius uxor ibi stat venit.
  4. Rosam ei quae filia vicini est emit.
  5. Rex cuius legio vicit templum constituit.


  • Benoem de vormen (alle vormen als er meerdere zijn):
  1. audiebamus
  2. vendit
  3. edit
  4. edebant
  5. portabatis
  6. videbas
  7. stant
  8. duxistis
  9. ibam
  10. ii
  11. vinco
  12. stetit


  • Een stukje historie
Caesar cum legionibus Galliam invasit. Vercingetorix qui dux Gallorum erat eis restitit et prope Gergoviam eos vincit. Nam Haedui qui foederati Romanorum erant subito Caesari restituerunt. Sed legiones Caesaris prope oppidum Alesiam Vercingetorigem circumsederunt et tandem devicit.


  • Geef het imperfectum van
  1. resistere
  2. dare
  3. esse
  4. ferire
  5. exire
  6. videre


  • Vul de juiste vorm van het relativum in:
1. milites ... pugnant soldaten die vechten
2. deae ... templa in foro sunt godinnen waarvan de tempels op het forum staan
3. agricolae ... equi non sunt boeren die geen paarden hebben
4. ancillae ... dominus vituperavit de slavinnen die de meester vermaande
5. telum ... acutum non est de dolk die niet scherp is
6. dona ... amico dedi de geschenken die ik mijn vriend gaf


Latijn Les 1 - Les 2 - Les 3 - Les 4 - Les 5 - Les 6 - Les 7 - Les 8 - Les 9 - Les 10 - Les 11 - Les 12 - Les 13 - Les 14 - Les 15 Het schrift - Uitspraak - Naamwoorden - Werkwoorden Woordenlijst
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.