Filosofisch woordenboek

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek
Wikibooks:Infobox/Filosofisch woordenboek

Llibri books4.JPG

Wat vind je in dit Filosofisch woordenboek?

  • een bondige verklaring van een aantal termen die in de filosofie worden gebruikt
  • alsook een korte uitleg over filosofen en
  • informatie over filosofische stromingen

Desgewenst kun je ook vanuit je eigen artikelen links naar dit woordenboek leggen, zodat de links intern blijven. Dit woordenboek is eigenlijk nooit af en je wordt ook uitgenodigd om zelf kort uitgewerkte topics aan te maken.


Inhoudsopgave:

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

[bewerken] A

  • A priori - Uit het Latijn; betekent 'vooraf'. In de filosofie wordt het gebruikt om er een oordeel mee aan te duiden dat niet gebaseerd is op een of andere zintuiglijke waarneming. Het gaat om een soort kennis die de ervaring 'vooraf' gaat. De tegenhanger is a posteriori.
  • Aristoteles - (ca.384-322 v.Chr.) Zeer veelzijdige Griekse filosoof, leerling van Plato. Hij was de eerste filosoof die de beoefening van de wijsbegeerte op wetenschappelijk niveau bracht. In tegenstelling tot Plato had hij wel aandacht voor de waarneembare werkelijkheid als bron van kennis. Zijn methode was analytisch en hij hechtte veel belang aan logica en methodologie.

[bewerken] B

[bewerken] C

[bewerken] D

  • Dialectiek - In de klassieke opvatting van de Oud-Griekse filosofie betekent het zoiets als 'kunst van het debat'. Bij Hegel en Marx in de 19e eeuw heeft het te maken met de opheffing van de voortdurende strijd tussen tegenstellingen in zowel denken als werkelijkheid.

[bewerken] E

  • Epistemologie - zie Kennisleer
  • Ethiek - heeft te maken met zedelijk handelen, vanuit een bepaalde opvatting over goed en kwaad. Terwijl moraal het handelen zelf is, biedt ethiek het denkkader om het handelen te motiveren. Behalve in de filosofie speelt ethiek ook een voorname rol in de theologie en in de medische wetenschap.

[bewerken] F

  • Filosofie - Grieks: φιλοσοφία filosofia = 'houden van wijsheid'. Betekent zoveel als liefde tot kennis of wijsheid. In tegenstelling tot de wetenschappen heeft de filosofie geen eigen object, maar eerder een eigen methode. In de klassieke oudheid was alles object van de filosofie, maar door de opkomst van de moderne wetenschappen vanaf de 17e eeuw is haar onderzoeksgebied afgekalfd. Zo is de studie van de mens nu het terrein van antropologie en psychologie bijvoorbeeld, net zoals sterrenkunde nu voorbehouden is aan de astronomie. De Duitse filosoof Kant noemde 4 kernproblemen waar de filosofie zich mee bezighoudt:
  1. "Wat kan ik weten?" (Kennistheorie)
  2. "Wat moet ik doen?" (Ethiek)
  3. "Wat mag ik hopen?" (Metafysica) of ontologie
  4. "Wat is de mens?" (Filosofische antropologie)

[bewerken] G

[bewerken] H

  • Hedonisme (van het Griekse hèdonè: genot) is een levensbeschouwing en filosofie die het genot als richtsnoer voor het handelen neemt. Socrates' leerling Arististippus van Cyrene (ca. 435 - ca. 356 v.Chr.) zou er de grondlegger van zijn.
  • Heraclitus van Efese - (ca.500 v.Chr.) Een Grieks wijsgeer die onder de indruk was van de voortdurende wereld verandering. Hij zag het vuur als meest beweeglijke en veranderlijk element. De grondstof waaruit de wereld bestaat.

[bewerken] I

[bewerken] J

[bewerken] K

  • Kennisleer - is een filosofisch onderzoek naar kennis. Vragen die de kennisleer zich stelt zijn onder meer: 'Hoe is kennis mogelijk?' 'Wat zijn de bronnen van kennis?' 'Wat is ware kennis?' en 'Wat zijn de voorwaarden van kennis?' Een ander woord voor kennisleer is epistemologie, of kentheorie.

[bewerken] L

  • Logos - (Grieks: Woord) is een term die zoiets als een 'wereldziel' beschrijft, een intelligente oorzaak en structuur. Het scheppende woord of de scheppende gedachte. Heraclitus was de eerste die over een 'kosmische logos' of wereldrede sprak.

[bewerken] M

  • Metafysica - of 'Zijnsleer'. in de klassieke filosofie betekende metafysica hetzelfde als ontologie, namelijk de algemene leer van de laatste grondslagen van de werkelijkheid. Het woord betekent in het Grieks 'wat na (Meta) de natuur (fysica) komt. Met de term 'Metafysica' duidden de studenten van Aristoteles de werken aan die niet tot zijn natuurfilosofie (wetenschappelijke werk) behoorden.

[bewerken] N

  • Neoplatonisme - Een filosofisch stelsel dat ontstaan is door samensmelting van de filosofie van Plato, Aristoteles en de Stoa, plus elementen uit de oosterse, mystieke godsdiensten. De belangrijkste vertegenwoordiger is de derde eeuwse filosoof Plotinus (ca. 204/205). Het neoplatonisme betekende het einde van de antieke filosofie. Het neoplatonisme nam het dualisme van Plato over met een superieure wereld van Ideeën en een ondergeschikte aardse wereld. Het zou met zijn driedeling God-Geest-Wereldziel, allen ontstaan uit 'Het Ene' (Idee), een grote invloed uitoefenen op de ontwikkeling van het christendom.
  • Noumenon - Grieks voor 'dat wat aan het verstand verschijnt' of 'door het verstand gedacht wordt', het tegengestelde van phainomenon, 'dat wat aan de zintuigen verschijnt'. Een begrip bijvoorbeeld waaraan geen voorwerp beantwoordt is een noumenon. Een 'waarde' is zoiets.
  • Nous - Met Nous wordt bedoeld: de hoogste vorm van denken, een bijna "goddelijk" denken. Het is de soort intellectuele intuïtie die aan het werk is als je definities, concepten ineens begrijpt, plots 'ziet', als bij een goddelijke ingeving. Dit in contrast met de andere vorm van denken, dianoa genoemd, waarbij je stap voor stap een redenering opbouwt naar een conclusie.

[bewerken] O

  • Ontologie - zie Metafysica

[bewerken] P

  • Paradox - Grieks para (tegen) doxa (geloof, verwachting) : schijnbare tegenspraak. De oudst bekende paradox is de volgende: "Spreekt een Kretenzer die beweert dat alle Kretenzers leugenaars zijn de waarheid?" Wat je ook antwoord, ja of nee, je botst op een tegenspraak.
  • Platonisme - heeft betrekking op de filosofie van Plato en ook op latere filosofen die zijn invloed ondergingen.
  • Presocraten - of presocratici heeft betrekking op alle Griekse wijsgeren die vóór Socrates leefden en werkten. Ook zijn tijdgenoten die niet door hem zijn beïnvloed worden zo aangeduid. Geografisch vooral te situeren aan de Ionische kust van Klein-Azie¨en de Griekse kolonies in Zuid-Italië en Sicilië. De oudste, en ook een van de bekendste natuurfilosofen, is Thales van Milete, de eerste westerse wijsgeer.

[bewerken] Q

[bewerken] R

  • Rationalisme - is de filosofische, wereldbeschouwelijke stellingname dat de rede, het verstand, steeds voorrang krijgt als manier van kennis verwerven. Niet de zintuigen dus. Een bekende rationalist was de 17e eeuwse Franse filosoof en wiskundige René Descartes. Hij probeerde vanuit zijn redenering 'Ik ben dus ik besta' de rest van alle mogelijke kennis af te leiden.
  • Retorica - of retoriek is de kunst van het spreken in het openbaar. Met het aanleren van deze kunst aan toekomstige bestuurders en rijke jongelui kwamen de sofisten het Oude Griekenland aan de kost. Het was immers belangrijk om zowel in politiek als rechtspraak overtuigend te kunnen spreken en schrijven. Aristoteles besteedde er aandacht aan in zijn Ars Rhetorica. Ook bij de Romeinen stond de retorica nog in hoog aanzien. Zo zijn er van Cicero heel wat redevoeringen bewaard gebleven.

[bewerken] S

  • Socrates - (469-399 v.Chr.) Leermeester van Plato. Griekse filosoof die brak met de traditie van de natuurfilosofen en de sofisten. Hij nam niet de natuur en niet retoriek als onderwerp van zijn filosofie, maar eerder de ethiek. Het goede, juiste leven en het nastreven van de deugd moesten centraal staan in het leven van een mens. Door zijn indringende, ironische manier van discussiëren (de 'socratische methode') kreeg hij echter zowel vijanden als bewonderaars. Hij werd ter dood veroordeeld wegens het niet eren van de goden en het bederven van de jeugd. Hij verkoos het drinken van de gifbeker in plaats van in te gaan op hulp van zijn vrienden en in verbanning te gaan.
  • Stoïcijnen - Stoïcijnen zijn volgelingen van de leer van de Stoa. De Stoa was een filosofische school in de klassieke oudheid. Vooral vanaf 300 v.Chr. heeft zij grote invloed uitgeoefend op het Romeinse keizerrijk en het denken van de hele hellenistische wereld. De stichter van de Stoa was Zeno van Citium (gestorven ca. 290 v.Chr.) Centraal bij de Stoa staan een sobere leefwijze (aan de Cynici ontleend) en het begrip 'Logos', Wereldgeest. Een beroemde stoïcijn was de Romeinse keizer Marcus Aurelius Antoninus (121-180). Zelf was hij dan weer beïnvloed door Epictetus (ca. 50 tot ca. 130)

[bewerken] T

[bewerken] U

[bewerken] V

[bewerken] W

[bewerken] X

  • Xenophon - (ca. 427-354 v.Chr.) Leerling van Socrates, en dus een van de 'socratici'. Hij schreef commentaren en uitwerkingen op de ethiek van Socrates. Er is ook een geschiedenis van Griekenland van hem bekend: 'Hellenica', die de periode van 411 tot 362 v.Chr. bestrijkt.

[bewerken] Y

[bewerken] Z

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen