Engels/Niveau 2
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] VOORZETSELS
[bewerken] Voorzetsels van plaats
in front of = voor
between = tussen
next to = naast
near = dicht(bij)
behind = achter
under = onder
in = in
on = op
above = boven(op)
opposite = tegenover
[bewerken] Plaats- of tijdsaanduidingen
| by bike, by bicycle (met de fiets, per fiets)
by bus (met de bus) by car (met de wagen) by train (met de trein) by boat (met de boot) by plane (met het vliegtuig) on foot (te voet) on horseback (te paard) |
| at 8 o'clock (om 8 uur)
at a quarter past five (om 5u15) |
| at noon ('s middags)
at midnight ('s nachts) at midday ('s middags) at night ('s nachts) at weekend ('s weekends) at the moment (op dit moment > nu) at Christmas (op Kerstmis) |
| in the morning ('s morgens)
in the afternoon ('s middags) in the evening ('s avonds) in October (in oktober) |
| on Monday (op maandag)
on Sunday afternoons (op zondagmiddagen) on weekdays (op weekdagen) on 1st March (op 1 maart) |
| until 4 o'clock (tot 4u)
till 4 o'clock (tot 4u) from 9 to/till 5 (van 9 tot 5) for five years (voor 5 jaar) since 1995 (sinds 1995) |
OPGEPAST!! het is until maar ook till (tot)
[bewerken] WERKWOORDEN
[bewerken] Present Continuous
Je gebruikt de Present Continuous als iets nu aan de gang is. De volgerde is het persoonlijk voornaamwoord, een vorm van 'to be' (are, am, is) en het werkwoord + ing.
Enkele voorbeelden met het werkwoord play:
- I am playing = Ik speel
- (S)he is playing = Zij/hij speelt
- You are playing = Jij speelt
- You/We/They are playing = Jullie/wij/zij spelen
[bewerken] Present Simple
Je gebruikt de Present Simple als iets altijd, regelmatig of nooit gebeurt. Een voorbeeld:
- I always cycle = Ik fiets altijd
- We never look = We kijken nooit
Always en never geven regelmaat in die zin aan. Maar bij hij/zij komt er nog een s achter. Je moet er wel rekening mee houden als het werkwoord al op een s-klank eindigt komt er es achter. Een voorbeeld.
- He always misses = hij mist altijd
- She never cycles = zij fietst nooit
[bewerken] Imperatives
De vorm van de imperatief is dezelfde als de infinitiefvorm zonder to
- Run for your life! = Ren voor je leven! (to run = rennen)
- Try not to make any mistakes! = Probeer geen fouten te maken! (to try = proberen)
[bewerken] VRAAGWOORDEN
Zelfstandig gebruik:
| who? | wie? |
| what? | wat? |
| why? | waarom? |
| when? | wanneer? |
| where? | waar? |
| how? | hoe? |
Zelfstandig gebruik: Hiermee wordt bedoelt dat het NIET bij een zelfstandig naamwoord staat, maar alleen staat.
vb:
Who broke that glass? > Wie brak dat glas?
What do you see? > Wat zie je?
[bewerken] Plaats van het zelfstandig vragend voornaamwoord
Het zelfstandig vragend voornaamwoord staat, net zoals in het Nederlands, altijd vooraan.
Bijvoeglijk gebruik:
| which? | welke? |
| whose? | wiens ...? |
Bij het bijvoeglijk gebruik staat het vraagwoord altijd bij het zelfstandig naamwoord.
vb:
Whose car is this? > Wiens auto is dit?
Which of these dogs is yours? > Welke van deze honden is de jouwe?
[bewerken] Plaats van het bijvoeglijk vragend voornaamwoord
Het bijvoeglijk vragend voornaamwoord staat altijd vooraan, precies zoals het Nederlands.
[bewerken] vragend voornaamwoord + voorzetsel
Het voorzetsel uit de zin staat helemaal achteraan. Het vragend voornaamwoord blijft wel vooraan staan.
vb
NORMALE ZIN: Your dog was playing with a frisbee.
VRAAGZIN: What was your dog playing with? > Met wat was je hond aan het spelen?