Chemie Centraal/Basisconcepten
Uit Wikibooks
Inhoud |
[bewerken] Behoudswetten
[bewerken] Wet van behoud van massa
Antoine Lavoisier stelde in 1774 zijn wet van behoud van massa op, nadat hij experimenten had gedaan bij het verbranden van zwavel en fosfor:
| De som van de massa van de beginproducten (reagenten) is gelijk aan de som van de massa van de reactieproducten |
Deze wet wordt ook wel de wet van Lavoisier genoemd. Deze wet betekent dat er geen massa gemaakt of vernietigd worden. Ook kan massa niet omgezet wordt in iets anders (dat geldt voor scheikundige processen).
Lavoisier verbrandde zwavel met lucht en stelde vast dat de reactieproducten van zwavel even veel zwaarder waren geworden als dat het gewicht van de aanwezige lucht was afgenomen.
[bewerken] Wet op de vaste proporties
Joseph Proust formuleerde in 1789 de wet op de vast proporties, ook wel wet van Proust of Proust's wet genoemd. Hij deed proeven met kopercarbonaat en ontdekte dat dit met steeds dezelfde proporties koolstof, koper en zuurstof wordt gemaakt. Hieruit leidt hij af dat alle samengestelde stoffen zijn opgebouwd volgens vaste elementaire verbindingen.
| Twee of meer elementen reageren met elkaar in constante verhoudingen |
Voorbeeld: 71 gram chloor reageert met 16 gram zuurstof tot 87 gram dichlooroxide. 30,5 gram chloor reageert met 8 gram zuurstof tot 38,5 gram dichlooroxide. De verhouding tussen chloor en zuurstof is altijd hetzelfde. Als echter 71 gram chloor wordt vermengd met 32 gram zuurstof, blijft 16 gram zuurstof over. Het overschot van een element blijft dus onverbruikt.
[bewerken] Wet der multiple proporties
De wet der multiple proporties (ook wel wet van de veelvoudige verhoudingen) is geformuleerd door John Dalton in 1806 naar aanleiding van experimenten met
| Verschillende hoeveelheden van een element, die met een bepaalde hoeveelheid van een ander element een verbinding aangaat, doet dat steeds in een verhouding van kleine gehele getallen |
Bijvoorbeeld zwavel reageert met of 2 delen zuurstof of met 3 delen zuurstof (een verhouding van 2:3 dus). Tin reageert met of 2 delen chloor of 4 delen chloor (en dus niet 2,5), een verhouding 1:2.
- Voorbeeldreacties
- verbranding van water: 2 H2+O2 → 2 H2O
- verbranding van zwavel: S + O2 → SO2 of 2 S + 3 O2 → 2 SO3
- 2 Zn + Cl2 → 2 ZnCl of Zn + Cl2 → ZnCl2
Zelfs al snap je niet wat de reacties voorstellen: ga na dat aan elke kant van de reactie (links en rechts van iedere "→") evenveel elementen staan. Wat stelt een verbranding voor? Zie je dat een verbranding altijd de reactie van een stof met zuurstof O2 inhoudt? Waarom is de reactie 2 Zn + Cl2 → 2 ZnCl niet gewoon Zn + Cl2 → ZnCl?
Deze wet is de grondlegger van de stoïchiometrie, waarover later meer.