Autisme/Werkbladen/Introductiequiz
Uit Wikibooks
[bewerken] Instructies
Nu volgen 15 meerkeuzevragen die over autisme gaan. Soms is er bij de meerkeuzevragen maar 1 antwoord goed en soms kunnen er meerdere antwoorden omcirkeld worden. Als dit laatste het geval is, staat er een * bij de vraag.
Succes bij het invullen!!
[bewerken] Quiz
1. Als je je heel veel bezighoudt met één onderwerp:
- A. ben je altijd autistisch.
- B. heb je een preoccupatie.
- C. A en B zijn allebei juist.
2. Het IQ (cijfer voor je intelligentie) van mensen met autisme
- A. is altijd lager dan bij mensen zonder autisme.
- B. is altijd hoger dan bij mensen zonder autisme.
- C. kan zowel hoger of lager zijn dan bij mensen zonder autisme.
3. 80% van alle mensen met autisme heeft
- A. een verstandelijke handicap.
- B. een normale intelligentie.
- C. ook ADHD.
4*. Als mensen met autisme medicatie nemen, dan is dit om
- A. het autisme te genezen.
- B. minder druk te worden.
- C. beter in staat te zijn je te concentreren.
- D. te zorgen dat ze minder angstig zijn.
- E. te zorgen dat ze minder vaak chagrijnig zijn.
5. Bij alle mensen met autisme ziet het autisme er hetzelfde uit.
- A. Waar
- B. Nietwaar
6. Wat betekent Autismespectrumstoornis (ASS)?
- A. Dat mensen met autisme vaak een mooie haarkleur hebben.
- B. Dat mensen met autisme een aantal overeenkomsten hebben, maar dat het er ook heel verschillend uit kan zien bij verschillende personen.
- C. Een verzamelnaam voor alle soorten van autisme.
- D. Dat mensen met autisme vaak erg modebewust zijn.
7. ASS komt voor bij
- A. ongeveer 4 op de 10.000 mensen.
- B. ongeveer 20 op de 10.000 mensen.
- C. ongeveer 10 op de 10.000 mensen.
8. Vroeger dacht men dat autisme veroorzaakt werd door
- A. teveel drop eten
- B. een slechte opvoeding: te weinig geknuffeld worden door je ouders
- C. drugsgebruik, veel drinken en het gebruiken van medicijnen die je hersenen kunnen beschadigen
9*. Mensen met autisme verschillen van elkaar door hun...
- A. eigen interesses.
- B. uniek karakter.
- C. eigen mogelijkheden.
10. Als je autisme hebt, heb je geen vrienden.
- A. Waar
- B. Nietwaar
11. De meeste mensen met autisme hebben wat extra hulp nodig van ouders, hulpverleners, collega's en/of docenten nodig.
- A. Waar
- B. Nietwaar
12. Bij mensen met autisme
- A. kunnen de hersenen geen informatie verwerken.
- B. verwerken de hersenen op een andere manier informatie.
13. Autisme wordt ook wel eens
- A. een contactstoornis genoemd.
- B. ADHD genoemd.
14*. Mensen met autisme
- A. houden altijd vast aan hun eigen ideeën.
- B. kunnen zich soms goed alleen vermaken.
- C. hebben soms meer moeite met communiceren dan andere mensen.
15. Autisme zit in
- A. je grote teen
- B. je hersenen