Autisme/Werkbladen/Bloktoets 1
Uit Wikibooks
[bewerken] Instructies
Als het goed is ben je met de kennis uit de vorige paragrafen toe aan de toets. Nu wordt gekeken of je het hebt begrepen. Kies het juiste van de vier antwoorden en ga dan naar de volgende vraag. Als je alle 20 vragen hebt gemaakt, mag je de toets inleveren bij je leerkracht. Die kijkt je werk dan na. Als je vragen fout hebt beantwoord, mag je die overdoen om de schade in je cijfer te beperken. De verbeteringen kunnen het verschil maken tussen voldoende en onvoldoende, dus doe ook bij de verbetering je best. Maar dat verbeteren is nu nog toekomstwerk, nu gaan we de toets gewoon maken. Succes ermee!
[bewerken] Vragen
1. Hoe groot is de kans dat een willekeurig kind autistisch is?
- A. 1 op 10.000
- B. 2 op 10.000
- C. 4 op 10.000
- D. 8 op 10.000
2. En als er in een gezin al een autistisch kind is, hoe groot is dan de kans bij volgende kinderen?
- A. 3 op 10.000
- B. 3 op 1.000
- C. 3 op 100
- D. 3 op 10
3. Twee beweringen:
- Autisme is erfelijk
- Autistische mensen trouwen vaker dan niet-autistische mensen
- Welke bewering is/zijn juist?
- A. Alleen 1
- B. Alleen 2
- C. Allebei
- D. Geen van beide
4. Waarom is de de wijze van overerven van autisme moeilijk te onderzoeken?
- A. Het is niet altijd duidelijk op te merken
- B. Er zijn niet genoeg autistische ouders met autistische kinderen
- C. Er zijn niet genoeg wetenschappers
- D. Er is maar weinig bekend over autisme
5. Twee beweringen:
- De wijze van overerfen heet erfgang
- Ouders van autistische kinderen herkennen vaak dingen van zichzelf in hun autistische kinderen
- Welke bewering is/zijn juist?
- A. Alleen 1
- B. Alleen 2
- C. Allebei
- D. Geen van beide
6. Het lijkt erop dat bepaalde eigenschappen ('trekken') die in de verte wat aan autisme doen denken bij ouders van autistische kinderen vaker voorkomen dan bij andere ouders. Wat geeft dit aan?
- A. Dat er een grotere kans kan zijn dat hun kinderen ADHD hebben.
- B. Dat er een grotere kans kan zijn dat hun kinderen het syndroom van Down hebben.
- C. Dat er een grotere kans kan zijn dat hun kinderen een laag IQ hebben.
- D. Dat er een grotere kans kan zijn dat hun kinderen autisme hebben.
7. Welke onderzoeksmethode bestaat echt?
- A. De 'affected DNA pairs'; methode
- B. De 'affected bis pairs'; methode
- C. De 'affected sib pairs'; methode
- D. De 'affected IQ pairs'; methode
8. Twee beweringen:
- Het aanleren van gedrag noemen we opvoeden.
- Je neemt waarden en normen van opvoeders over.
- Welke bewering is/zijn juist?
- A. Alleen 1
- B. Alleen 2
- C. Allebei
- D. Geen van beide
9. Wat is een norm?
- A. Een beloning voor goed gedrag
- B. Een regel die voorschrijft hoe iemand zich moet gedragen
- C. Een idee dat mensen heel belangrijk vinden
- D. Een situatie waar mensen aan gewend zijn
10. Welke bewering is juist?
- A. Opvoeden gaat altijd bewust
- B. Opvoeden gaat altijd onbewust
- C. Opvoeding gaat soms bewust en soms onbewust
- D. Opvoeding gaat altijd zonder problemen
11. Wat hoort NIET bij opvoeden?
- A. Aangeboren gedrag
- B. Aangeleerd gedrag
- C. Waarden en normen
- D. Waarschuwen, belonen en straffen
12. Wat is geen cultuur?
- A. Taal
- B. Eetgewoontes
- C. Huidskleur
- D. Kunst
13. Wie voeden het minst op?
- A. Ouders
- B. Leerkrachten van school
- C. Vrienden
- D.Onbekenden
14. Wat betekent opvoedingsstijl?
- A. Een manier van overleggen
- B. Een manier van onderhandelen
- C. Een manier van gedrag aanleren
- D. Een manier van belonen
15. Welke bewering klopt?
- A. Mensen voeden verschillend op
- B. Mensen voeden allemaal streng op
- C. Mensen voeden allemaal vrij op
- D. Mensen voeden allemaal in overleg op
16. Twee beweringen:
- Mensen vinden opvoeding niet belangrijk.
- Opvoeders dragen allemaal dezelfde normen en waarden over.
- Welke bewering is/zijn juist?
- A. Alleen 1
- B. Alleen 2
- C. Allebei
- D. Geen van beide
17. Wat is GEEN karaktereigenschap?
- A. Stoer
- B. Overtuigd
- C. Ontspannen
- D. Nieuwsgierig
18. Twee woorden:
- Irritatie.
- Geweld.
- Welk woord is/zijn karaktereigenschap?
- A. Alleen 1
- B. Alleen 2
- C. Allebei
- D. Geen van beide
19. Meneer Buzzer is als hobby imker in zijn achtertuin, ook al zijn de buren daar niet blij mee en dreigen ze zelfs met rechtzaken. Toch weigert meneer Buzzer te stoppen. Welk karaktereigenschap past in deze situatie NIET bij hem?
- A. Vastberaden
- B. Beslist
- C. Snel overtuigd
- D. Resoluut
20. Meneer Regen is verdrietig omdat hij is ontslagen. Om even wat rust te krijgen gaat hij wandelen door het park, maar als hij op een bankje gaat zitten, barst hij in tranen uit. Mevrouw Opklaring komt naast hem zitten en troost hem, waardoor meneer Regen weer nieuwe moed krijgt. Welk karaktereigenschap past in deze situatie HET BEST bij mevrouw Opklaring?
- A. Vredelievend
- B. Menslievend
- C. Verliefd
- D. Grappig